Dinsdag 21/09/2021

Alles gefilmd, zo lijkt het wel

Po�zie van Jan Baeke & Erik Lindner

Dichtersbewegingen zijn niet meer van deze tijd. En toch vallen er soms merkwaardige verwantschappen op als je dichters naast elkaar plaatst. Zo zijn de Nederlanders Jan Baeke en Erik Lindner allebei behept met de observatie van de werkelijkheid en de rol van de taal.

Jan Baeke

Iedereen is er

De Bezige Bij, Amsterdam, 53 p., 16,50 euro.

Erik Lindner

Tafel

De Bezige Bij, Amsterdam, 39 p., 16,50 euro.

We denken dat we kunnen kijken. Daarom hebben we graag een fototoestel bij de hand, in een poging om mensen en dingen in een context te plaatsen. Bij het bekijken van de foto's zien we de vertekening: het licht, de omgeving, de personen blijken anders te zijn dan we ons voorstelden op het moment dat we afdrukten. En dus beseffen we dat we niet goed gekeken hebben. Niet de foto's zijn mislukt, hoe weinig vakkundig we het toestel ook gehanteerd hebben, maar wij in onze opzet. Omdat we dachten de werkelijkheid te kunnen vatten, aangezien we ervan overtuigd waren dat we overzicht en inzicht in de situatie hadden. Foto's isoleren de dingen. En daardoor geven ze bijzonderheden prijs die we anders niet zouden opmerken.

Er is een verschil tussen kijken en zien, maar hoe kunnen we dat omschrijven? Misschien is zien een vorm van afwijkend kijken, een blik die zich verliest. Zonder doel observeren en voorkennis uitschakelen. Op dat moment openbaart zich een andere, nog ongeziene werkelijkheid. Als je het zo beschouwt, zijn Erik Lindner en Jan Baeke echte 'zieners' in hun poëzie. Alles in hun gedichten is maar schijnbaar alledaags, omdat het in perspectief geplaatst wordt.

Erik Lindner heeft voor mijn part de boeiendste blik. In zijn debuutbundel Tramontane (1997) gebruikte hij een citaat van Walter Benjamin als motto: "De blik is de rand van de mens." Het gaat bij Lindner om de blik die zich snel verplaatst en associaties maakt. Maar ook om wat Benjamin Darstellung noemt: "Kennis is een hebben", schreef hij. Waarheid is voor hem een vorm van zijn. We kunnen de waarheid niet kennen, maar we kunnen ze wel tonen, door ideeën die talige constructies zijn. Darstellung is voor Benjamin niet zomaar representatie, zoals Lindner de dingen ook niet louter weergeeft in zijn gedichten. Het gedicht voltooit zich altijd in het hoofd van de lezer - hoe kan het ook anders -, maar Lindner stelt dat proces op een boeiende manier op de proef door de observatie te vertragen en door verschuivingen aan te brengen in het beeldenarsenaal dat hij de lezer presenteert. In die zin kun je het openingsgedicht van de bundel Tafel poëticaal interpreteren: "Het raam maakt een kier/ en de tafel tot hier/ breekt/ op slag// en de tafel is niet bij het raam/ maar hier naast me gaan staan/ aan de voet van de tafel/ valt het kleed van de tafel// in het licht van het raam/ buigt het blad een armlengte/ knikt in de elleboog een reep/ in de lade, kruimels, paperclips// het stuk karton dat de tafel recht/ en het raam open houdt// een schuivend vierkant over de tafel/ beent in een stuk op de grond." Alles begint te schuiven in dit gedicht door de verandering van perspectief. De dichter zet de dingen niet in beweging, ze doen het zelf. Letterlijk misschien door een windstoot die het raam openduwt, figuurlijk omdat er een ander licht op de dingen geworpen wordt. Als een cameraman maakt Lindner in de bundel zulke passages, waarbij hij zich voortdurend bewust is van de onmogelijkheid om via woorden de beweeglijke beelden te vertalen. In heel wat gedichten wordt er een trage camerabeweging gemaakt en worden de dingen onscherp in beeld gebracht, zoals het schilderij op de cover van Bert de Beul, een wat onderschatte tijdgenoot van Luc Tuymans, al suggereert. Door de onscherpte wordt onze vluchtige blik uitgenodigd om langer bij de dingen te blijven stilstaan. Niet toevallig dragen cycli de titels 'Een lifter naar Acedia', 'Naar Acedia' en 'Terug uit Acedia', een verwijzing naar het Latijnse acedia, de luiheid. Er hangt een sensuele zomerse loomheid over die gedichten, waarin veelvuldig blikken gewisseld worden: "Ze is daar waar zij hem heeft gezien. (Zijdelings een oogopslag/ in de tegengestelde rijrichting.)" Vaak wisselen een soort in- en uitzoomen elkaar af, ook in veel andere gedichten in de bundel. Lichaamsdelen als handen en armen krijgen dan nauwkeurige aandacht. Alles gefilmd, zo lijkt het wel. De regel "Vanmiddag gaan de opnames slagen" benadrukt het kunstmatige, de onmogelijkheid om de dingen 'echt' te laten zijn. En in het gedicht 'De tramontane' - Lindner maakt graag en vaak verwijzingen naar vroegere titels van bundels, cycli of gedichten - lezen we: "Voor de kust rust de duiker in zijn verhaal/ en tekent kaal de bergwand aan het strand./ De wind snijdt het verhaal en slijt en slijpt/ bladeren van de platanen - het raamkozijn.// Ik kwam met de wind mee voor dit verhaal./ De reis vertelde een man liep over de berg/ en het verhaal loopt dood op zee." Zoals een cineast geeft Lindner in deze bundel een bepalende rol aan het licht - of moet ik zeggen de belichting? Een brug die de lantarens optilt, maar "niet de reikwijdte van hun schijnsel", "lichtvlekken in het matglas beramen/ hoe lang stil te staan voor een deur". Het licht zou kunnen zorgen voor de juiste cadrage, maar die wordt altijd doorbroken. De werkelijkheid is voortdurend in beweging, net zoals de observator. In dat opzicht sluit de bundel Tafel nauw aan bij Lindners vorige, Tong en trede. "Zo verklaart een passant wat passeren is:/ een stad die je verlaat terwijl je er blijft", viel in die bundel te lezen. Lindner biedt ons beweeglijke beelden aan, die in poëzie eigenlijk niet te vatten zijn. En dan is er nog de voortdurende misleiding, die hij expliciet aan bod brengt in een van de laatste gedichten uit Tafel: "Kleine vergis- singen simpel gezichtsbedrog/ in je ooghoeken staat wat je opnieuw ziet." Het gedicht 'Pastille de menthe' doet vermoeden dat Lindner wel heel ver gaat in zijn twijfel over het vermogen van taal, als je de eerste regel "Het is dit woord dat liegt, niet ik, weet je", leest. In elk geval is taal iets wat buiten hem bestaat: "De zwijgende vrouw aan tafel verdeelt/ wat van ons is en wat van taal."

Ook Jan Baeke schrijft met een cinematografische blik. In zijn geval niet zo verwonderlijk, want hij is werkzaam in het Filmmuseum in Amsterdam. Er is sprake van letterlijke interactie tussen Erik Lindner en Jan Baeke, want Lindner schreef het tweeluik Ostende bij de stille film Images d'Ostende van Henri Storck in opdracht van het Filmmuseum. Ook in Iedereen is er, de nieuwe bundel van Jan Baeke zitten er enkele verwijzingen naar film, zoals de betogende stijl in het gedicht 'Tot de ondervraagde', volgens Baekes aantekeningen een verwijzing naar de film Jules et Jim van Truffaut. Maar het gaat eerder om de manier waarop Baeke observeert en met de werkelijkheid omgaat. Veel passeert de revue, zonder dat hij op zoek gaat naar structuur. In het eerste gedicht lezen we al: "Lijn zit er niet in/ maar kijk om je heen./ Iedereen is er." Je zou kunnen zeggen dat Baeke ons een absurdistische wereld voorschotelt. In zijn debuutbundel Nooit zonder de paarden dansen paarden bijvoorbeeld met elkaar in een salon of komt een man met een zaag door de dagen. Maar zijn tweede bundel Zo is de zee maakte al duidelijk dat het hem eigenlijk om iets anders te doen is. Er komen natuurwetenschappers in aan bod, die wetmatigheden geformuleerd hebben, terwijl Copernicus na zijn ontdekking niet meer weet hoe hij moet leven. "Poëzie is geen fatsoenlijk onderzoek", maakt Baeke ons in die bundel duidelijk. Zijn inzichten haalt hij uit wat aan de wetmatigheden en de structuren ontsnapt. Dat bij Baeke de grens tussen werkelijke observaties en gedachteconstructies soms vervaagt, wordt duidelijk in de nieuwe bundel: "Hoe de nacht valt/ over wat volgt/ aan het strand dat in mij opkwam." Baeke is zich bewust van de dichotomie en beseft hoe moeilijk het is om die kloof te dichten. Werkelijkheid en illusie hebben ieder hun waarheid. "Ik leg mij neer bij wat ik zie", schrijft Baeke. Daarbij verplaatst hij zich in uiteenlopende personages, al komt hij ook zelf als lyrisch ik aan bod. Maar legt de dichter zich wel zo gemakkelijk bij de dingen neer? Hij wil tenslotte toch verbeelden, de dingen onder woorden brengen, hoe onvolmaakt en bijna onmogelijk dat ook is: "Zulke contouren/ waarin woorden het van eten overnemen/ en onze handen misgrijpen, de mijne/ druk gesticulerend alsof ook dat met room en dille/ eetbaar wordt." En nog "In dit licht is alles doorschijnend/ maar ik zie slecht zonder papier." Dat klopt voor mijn part. Om echt te zien hebben we goeie gedichten nodig. Lindner vooral en ook Baeke schrijven die.

Paul Demets

Lindner biedt ons beweeglijke beelden aan, die in poëzie eigenlijk niet te vatten zijnJe zou kunnen zeggen dat Baeke ons een absurdistische wereld voorschotelt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234