Dinsdag 02/03/2021

Alle ballast overboord

De Britse popgroep Talk Talk bracht aanvankelijk synthpop. Daarna experimenteerde ze steeds meer met songstructuren en werd haar muziek almaar uitdagender en gedurfder. Zeven jaar na de laatste Talk Talk-cd brengt Mark Hollis zijn eerste, titelloze soloplaat uit, waarmee hij zich in het rijtje schaart van muzikale einzelgängers als Robert Wyatt en Scott Walker. Om het einde van Talk Talk rouwt hij niet. 'Een verdere samenwerking zou alleen maar een herhalingsoefening zijn geweest.'

Christophe Verbiest

De verhalen die hem voorafgaan zijn voor een interviewer niet echt opbeurend: Mark Hollis zou een in zichzelf gekeerde, zwijgzame man zijn. Het staat er nooit letterlijk, maar tussen de regels door lees je dat hij een wat vreemde heremiet is, die ook niet wil poseren voor foto's. Dat laatste klopt, maar de rest blijkt niet waar te zijn. Toegegeven, Hollis oogt wat timide maar hij ondersteunt zijn antwoorden met drukke armgebaren en geregeld gooit hij er een 'oké?' tussen, alsof hij wil nagaan of zijn uitleg wel helder genoeg is. Hij mag dan al een teruggetrokken leven leiden, de Hollis die ik sprak was een man die weet waar hij mee bezig is en dat vol passie wil verwoorden. (Niet dat een muzikant dat moet kunnen, maar het is wel altijd handig als je iemand interviewt, dat spreekt.) En tegen de fotograaf: "Sorry, ik haat poseren, ik weet echt niet hoe ik mij moet houden, maar je mag best foto's maken tijdens het gesprek, dat deert me niet." Zo gezegd, zo gedaan.

Hollis maakte jarenlang deel uit van Talk Talk, een groep die met nummers als 'Today', 'It's My Life' en 'Life's What You Make It' (een triphopritme avant la lettre) hits scoorde. De eerste twee platen, The Party's Over (1982) en It's My Life (1984), bevatten synthesizerpop die de tand des tijds niet heeft doorstaan, een uitzondering hier of daar niet te na gesproken. Vanaf The Colour of Spring (1986) blijkt dat de groep meer in haar mars heeft dan aanvankelijk gedacht. De popsongs zijn nog aanwezig, maar Hollis begint aan een intrigerende muzikale ontdekkingsreis, waarbij de invloed van klassieke muziek gaandeweg groeit. Spirit of Eden (1988) opent bijvoorbeeld met 'The Rainbow', een nummer van meer dan twintig minuten. De springerige band van weleer brengt contemplatieve muziek. Artistiek is het een krachttoer, maar het publiek volgt niet. Platenfirma EMI evenmin, want ze wijst Talk Talk de deur.

Geen nood, Verve ontvangt de band met open armen en krijgt als dank Laughing Stock in de schoot geworpen. Daarop experimenteert de groep onverdroten verder. Van popmuziek is nauwelijks nog sprake, de door klassiek en jazz beïnvloede muziek is überhaupt moeilijk te benoemen. Van de vier leden die de band in 1981 oprichtten, waren er tien jaar later nog drie van de partij: drummer Lee Harris, bassist Paul Webb en zanger-multi-instrumentalist Mark Hollis. De laatste staat aan het roer van de groep, samen met Tim Friese-Greene. Behalve de eerste plaat heeft Friese-Greene niet alleen alle werk van Talk Talk geproducet, maar ook samen met Hollis alle songs geschreven.

Zeven jaar na Laughing Stock, op het moment dat je begon te denken dat je wel nooit meer iets van Hollis zou horen, verschijnt dan toch een nieuwe cd, simpelweg Mark Hollis genoemd. "De voorbije jaren heb ik wat werk voor houtblazers geschreven, een beetje gespeeld voor het plezier van het spelen en voor het overige heb ik deze cd voorbereid. Zodra een plaat af is, blijf ik daar geestelijk nog een tijd mee verbonden. Als je dan aan een nieuwe begint, moet je weten waarom je dat doet en hoe ze van de vorige kan verschillen. Het creatieproces van Laughing Stock kon je omschrijven als gearrangeerde improvisatie. We werkten met twintig muzikanten die vrijelijk mochten improviseren. Met fragmenten daarvan bouwden we nadien de muziek. Je kreeg daardoor vaak veel instrumenten op hetzelfde moment te horen. Voor de nieuwe cd wilde ik best nog veel instrumenten gebruiken om de plaat te kleuren, maar ze veel minder op elkaar stapelen. Een keuze voor minimalisme, zeg maar.

"Een uitgangspunt was het zoeken naar deelverzamelingen tussen jazz, klassiek en folk. De klarinet vind je in de eerste twee, het harmonium dan weer vooral in de folk en de klassieke muziek, de piano in alle drie. Via die deelverzamelingen kon ik makkelijker van de ene stijl naar de andere gaan. Verder vond ik het belangrijk om volledig akoestisch te werken, om zo een tijdloos karakter aan de plaat te geven. Ten slotte wou ik de muziek zo stil opnemen dat de resonantie van elk instrument even belangrijk wordt als de noot die ik speel. Daardoor wordt de ruimte deel van de noot. Die laatste twee uitgangspunten hangen nauw samen. Want bij akoestische muziek draait het hem net om de eigenheid van het instrument. Veel akoestische muziek is echter zo opgenomen dat het karakter van het instrument is verdwenen. Neem nu een gitaar. Als je je vingers al spelend over de arm beweegt, is het geluid dat daardoor ontstaat, bijvoorbeeld gekraak, ook belangrijk."

De aanpak op Laughing Stock en op Hollis' solodebuut was dus duidelijk verschillend, maar toch valt het onze gesprekspartner moeilijk om de voor- en nadelen van de werkwijzen op te sommen, tenzij op een algemeen niveau. "Bij Laughing Stock verliep het schrijfproces vrij vlot en vergde de opname enorme concentratie. Voor de jongste plaat moest ik vooral hard werken voor we de studio in gingen. De opname was daardoor een pak makkelijker."

'The Daily Planet' is een ware tour de force op het vlak van het combineren van stijlen. Het samengaan van houtblazers en een jazzritme ligt allesbehalve voor de hand, maar het werkt wel prachtig. Meer jazzinvloeden vind je in 'The Gift', terwijl in 'Watershed' een mooie mondharmonica rondzweeft. 'The Colour of Spring' (dat niets te maken heeft met de gelijknamige plaat) is een simpele en ontroerende pianoballade. In het elegische 'A Life (1895-1915)' eisen blazers de hoofdrol op, terwijl een verstilde bas en dito percussie voor enige ondersteuning zorgen.

Opvallend zijn de bijna altijd trage tempi. Mark Hollis bevat verstilde muziek om in stilte naar te luisteren. Op het eerste gehoor erg onmodieus, maar dit is in wezen zeer gedurfde muziek die het vanzelfsprekende overboord gooit en de luisteraar uitdaagt. Hapklare brokken zijn op de cd niet te vinden, al moet gezegd dat, eenmaal gehoord, de muziek moeilijk uit je hoofd te bannen valt. Dat heeft veel te maken met de zang van Hollis, goeddeels ingetogen, met soms messcherpe emotionele uithalen.

Wie de laatste drie platen van Talk Talk en het solo-debuut van Hollis na elkaar beluistert, hoort een natuurlijke evolutie. De vraag rijst waarom de muziek van Mark Hollis niet onder de vlag van Talk Talk had kunnen verschijnen. "Omdat die groep draaide om de samenwerking met Tim Friese-Greene. En ook met Lee Harris. Nu zij weg zijn, is het niet hetzelfde."

Goed, dan is de vraag: waarom zijn ze vertrokken? "Ik heb zo'n tien jaar met Tim samengewerkt en we vonden beiden dat het werk dat we wilden doen voltooid was. Niet dat we op voorhand wisten hoe het resultaat zou klinken. Maar na Laughing Stock hadden we zoiets van: we hebben deze manier van opnemen uitgediept en de songstructuren zover mogelijk opgerekt, dus is het tijd om er een punt achter te zetten. Kijk, de samenwerking met Tim was net zo vruchtbaar omdat we dezelfde ideeën hadden. Elke plaat moest iets nieuws brengen. En een verdere samenwerking zou alleen maar een herhalingsoefening zijn geweest. Dat kwam me goed uit, want ik wou uitgepuurdere muziek maken. Ik vind de laatste twee Talk Talk-platen nogal, eh, weids, nee, eh..."

Hollis komt voor het eerst niet helemaal uit zijn woorden. Met zijn handen legt hij dan maar uit wat hij bedoelt. Het komt neer op wat hij eerder al vertelde over het arrangement van de instrumenten: niet boven, maar naast elkaar. Hollis gaf het daarnet al aan: het was echt de bedoeling om op de laatste platen van Talk Talk de songstructuren uit elkaar te rijten. "Vast en zeker. Eigenlijk probeerden we al vanaf The Colour of Spring de songs op te rekken. Op Spirit of Eden resulteerde dat in een compositie die de hele eerste plaatkant besloeg en eindigde bij het beginpunt. Voor Laughing Stock wilden we dat elke muzikant een ander idee had van de song die hij speelde. De ene meende dat het tempo zus was, de andere zo. Het resultaat leek op planeten die een baan beschreven en nu eens dichter bij elkaar kwamen en dan weer uit elkaar bewogen. Ook voor de ritmische klemtonen gaven we niet iedereen dezelfde aanwijzingen."

De songs op Laughing Stock, overigens, zijn allesbehalve steriel of afstandelijk. Dit even tussendoor, want Hollis lijkt soms te praten over bewerkingen die met een chirurgische precisie worden uitgevoerd.

Er zit een tekstvel bij Mark Hollis en dat is goed, want door de manier waarop de stem is opgenomen en door de frasering van de zanger kun je nauwelijks verstaan wat hij zingt. "Ik vind dat je de instrumentatie niet ondergeschikt mag maken aan de zang. De stem is gewoon een van de elementen van een arrangement en als dat soms de verstaanbaarheid in de weg staat, dan is dat maar zo."

Net als de muziek zijn de teksten erg uitgepuurd. Alle ballast is overboord gegooid. Meer zelfs, het lijkt alsof Hollis soms bewust zoveel heeft geschrapt dat er vooral witte vlekken overblijven met hier en daar een woord. Enkele nummers komen daardoor nogal cryptisch over. Als dat daarenboven het geval is met een song die een zeer concrete titel draagt - 'A Life (1895-1915)' - ontstaat een intrigerend contrast. Want de datum wijst erop dat het liedje gaat over iemand die echt heeft bestaan.

"Ja, maar dat is niet zo belangrijk. Het draait meer om het tijdperk. De man is geboren vlak voor het einde van de vorige eeuw, een periode van groot optimisme. Tegen de tijd dat hij een tiener is, bloeien het patriottisme en het nationalisme en ten slotte volgen de waanzin en verspilling van de Eerste Wereldoorlog, waarin hij sneuvelt. Je hebt dus iemand die sterft voor hij twintig is en blootgesteld is geweest aan verschillende extremen op politiek en sociologisch vlak."

Dat zit allemaal in de tekst, die hier probleemloos integraal geciteerd kan worden: "Uniform / Dream cites freedom / Avow / Relent / Such suffering / Few certain / And here I lay." "Toen ik aan die tekst werkte, was ik een aantal boeken over die periode aan het lezen, zoals All Quiet on the Western Front. De data hebben te maken met een figuur uit een van de boeken. Als je in de huid van een personage wilt kruipen, is het belangrijk over achtergrondinformatie te beschikken om je zangpartij fatsoenlijk te brengen. Niet dat ik vind dat je je voor het kiezen van een onderwerp noodzakelijkerwijs op een stapel lectuur moet storten. Maar je moet wel in de huid van je personage kruipen."

Voor sommige oren klinkt dit misschien te beredeneerd. Maar vergist u zich niet, voor Hollis is een songtekst uiteindelijk een hulpmiddel. "Als je aan een tekst begint, dien je duidelijk te weten wat je ermee wilt, waar de intensiteit hoog moet zijn, waar de sfeer primeert. Soms heb je ergens een bepaalde fonetische klank nodig. Dan weer wil je ergens woede uitdrukken of vertwijfeling. Je schrijft een tekst die je bij het zingen helpt om dat allemaal uit te drukken."

Wie Mark Hollis beluistert zal het nauwelijks geloven, maar deze man begon zo'n twintig jaar geleden muziek te spelen, tijdens de punkperiode. "Punk was ontzettend belangrijk voor mij, de muziek kwam in het bezit van iedereen. Als je een muzikant wou zijn, dan was je er ook een. Wat nu nog altijd moet gelden. De muziek die ik toen speelde, zou ik echter geen punk noemen, veeleer new wave. Wat voor mij telde waren de geest en de ethiek van de punk." Een van de eerste nummers die hij schreef, de naamsong 'Talk Talk', bedacht hij samen met zijn oudere broer Eddie, actief in Eddie & The Hot Rods. Ze hebben nooit samen in een groep gespeeld, maar Eddie had wel invloed op de muzikale smaak van Mark. "Daar dient een oudere broer toch voor."

Hollis, die met Talk Talk nog op Torhout/Werchter speelde, heeft al jaren niet meer op een podium gestaan. Even polsen of we toch nog op een concert mogen hopen. Voor ik mijn vraag goed en wel gesteld heb, heeft hij al tweemaal nee gezegd. "Ik heb daar twee redenen voor, en de belangrijkste is mijn gezin. Uitgebreid toeren en een gezinsleven vallen niet met elkaar te rijmen." En de tweede reden? "Ik heb twéé zonen," zegt hij, waarop hij in lachen uitbarst. Een heerlijke man. En een heerlijke plaat.

Mark Hollis is uit op Verve en wordt verspreid door PolyGram.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234