Woensdag 17/07/2019

Interview

Alison Van Uytvanck: “Na elke match zijn er dreigementen: ‘Krijg toch kanker, vuile hoer’”

Alison Van Uytvanck: “Iemand puur op talent verslaan, dat lukt op dit niveau niet meer.” Beeld Thomas Vanhaute

Alison Van Uytvanck zegt de dingen graag zoals ze zijn. Ja, ze is lesbisch. Ja, ze is vroeger gepest. En nee, helemaal helen doen de kwetsuren die je daardoor oploopt nooit. “Ik werk nog elke dag aan die littekens.”

Wat haar nog onderscheidt van de absolute top? Alison Van Uytvanck weet het best; 51ste staat ze op de wereldranglijst. Over twaalf maanden wil ze een dikke twintig plaatsen hoger staan. Niet dat ze nu intensief getraind heeft op andere manieren om de bal te raken. Wil ze haar doel bereiken, dan is het niet zozeer haar tennis waar ze nog aan moet schaven, weet ze.

“Binnen de top 100 kan iedereen tennissen. Het pure tennisspel is misschien nog goed voor zo’n twintig procent van je succes. Iemand puur op talent verslaan, dat lukt op dat niveau niet meer.”

Wie is Alison Van Uytvanck?

* 24 jaar, woont in Vilvoorde

* staat 51ste op de wereldranglijst tennis

* heeft al drie jaar een relatie met tennisspeelster Greet Minnen

* won drie WTA-toernooien in het enkelspel en twee in het dubbel

* haalde in 2015 kwartfinale op Roland Garros, haar beste prestatie op een grand slam tot nog toe

* gaat vanaf maandag op zoek naar een eerste overwinning op de Australian Open

Waar zit het verschil dan wel?

“In fysieke kracht, tactisch inzicht, maar bovenal in ­vertrouwen. Geloof je in jezelf? Ben je gelukkig? Hoe je op de baan staat, dat maakt een wereld van verschil. Kijk eens naar de echte toppers: er zijn er veel die technisch echt niet perfect spelen. Of kijk eens naar Elise Mertens: zij wint twee jaar geleden één toernooi en ze is vertrokken. Haar tennis is op die ene week niet veranderd. Ze is niet plots een andere speelster geworden. Maar ze heeft vertrouwen geput. Ze heeft gemerkt dat ze het kan en hop: nu staat ze 12de op de wereldranglijst.”

Jij kan dat ook. Je hebt top 30 als doel gesteld dit ­seizoen, maar kenners dichten jou minstens top 20 toe.

(haalt de schouders op) “Dat wordt vaak gezegd, ja. Het is ook makkelijk gezegd. Natuurlijk heb ik zelf ook de ambitie om top 20 te worden. Mijn beste jaren moeten nog komen.”

Het is dat geloof in zichzelf waar Alison Van Uytvanck nog aan wil werken. Want gelukkig, dat is ze vandaag in ieder geval wel. Sinds drie jaar is ze samen met Greet Minnen, ook tennisspeelster, en het is duidelijk zichtbaar hoe goed de liefde haar doet. Ze lacht veel, praat rustig en analyseert ondertussen scherp maar uiterst evenwichtig de zaken die haar ooit zo uit balans wisten te brengen.

Wanneer we haar treffen tijdens de laatste stuiptrekkingen van 2018, is de Vlaams-Brabantse in volle voorbereiding op het nieuwe seizoen. Een belangrijk seizoen, want haar ranking eind dit jaar bepaalt mee of ze in 2020 naar de Olympische Spelen van Tokio kan. Voor tennissers niet altijd een topprioriteit, maar voor Van Uytvanck is het een ultieme droom. “Ooit moet ik dat meegemaakt hebben. Is het niet in Tokio, dan in Parijs. Ik zou mijn carrière niet graag afsluiten zonder ooit naar de Spelen gegaan te zijn. Dat lijkt me het summum.”

Het is ook daarom dat ze graag goed van start wil gaan: de punten die ze nu al sprokkelt, kunnen haar de rest van het seizoen niet meer afgenomen worden. Op de Australian Open, die maandag begint, is alles wat ze straks binnenhaalt meteen winst. Ze won er in het verleden nog niet één wedstrijd. De tegenslag op nieuwjaarsdag – tijdens haar allereerste wedstrijd van het jaar liep ze een lichte voetblessure op – zou niet te veel roet in het eten mogen gooien.

Vertrouwen is de sleutel, zeg je. Maar je zou denken dat jij dat wel hebt. Je haalde al eens de kwartfinale van Roland Garros en de achtste finale op Wimbledon en je won vorig jaar je derde WTA-toernooi.

“Tja, dat is zo. Misschien ben ik wel emotioneler dan andere meisjes in het circuit. Ik twijfel heel snel en dan begint het hierboven te malen. Dat verstoort mijn tennis.

“Boedapest vorig jaar is een mooi voorbeeld. Waarom win ik daar? Ik had net gebroken met mijn vorige coach en was naar daar getrokken met mijn mama en zonder verwachtingen. Er was geen druk, geen stress en ineens win ik een toernooi. Helaas kun je zo’n sfeer niet kunstmatig creëren. Daarom werk ik nu heel hard aan mijn vertrouwen met een psycholoog. We praten veel en zij komt soms eens naar trainingen kijken om te kijken hoe ik op de baan sta. Zo ­proberen we uit te zoeken wat ik zou kunnen verbeteren.”

Vroeger durfde je midden in een wedstrijd zelfs te roepen “Ik kan niks meer”. Gebeurt dat nog?

“O ja. Nu, dat is nooit waar natuurlijk hè. (lacht) Maar op dat moment voelt dat echt zo aan. Je begint te twijfelen, wordt overvallen door pure wanhoop en dan ga je zulke overdreven dingen zeggen. Waardoor je helemaal niet beter wordt.”

Zou het niet kunnen dat tegenstanders jou veel zwaarder inschatten dan je zelf doet?

“Dat is het helemaal. Maar verander dat maar eens. Het zijn de littekens die dat pestgedrag hebben nagelaten. Ik werk er nog elke dag aan om die weg te poetsen.”

Dat pestgedrag dateert van je kindertijd, op het VTV (Vlaamse Tennis Vereniging) in Wilrijk. Waarom werd je gepest?

“Omdat ik rood haar heb.”

Zo banaal.

“Maar het is wel zo. Dat begint met een paar kinderen die roepen ‘Jij bent lelijk!’ of ‘Stomme rosse!’ Op den duur zijn er kliekjes gevormd tegen jou. Ik was 11 jaar en werd continu uitgescholden door een groepje van vier, vijf man. Het vervolg is dat je uitgesloten wordt en altijd alleen staat. Ik zat daar op internaat, moet je weten, ik kon er niet van weg. Het gepest ging non-stop door, op school, training, overal.”

“Na twee jaar ben ik er aan de deur gezet en heb ik het middelbaar in een gewone school in Merchtem gedaan. Ik was niet goed genoeg voor het VTV. De letterlijke woorden van een trainer: ‘We hopen dat ze toch nog ooit een ­racketje zal vastnemen’. Ik zou anders ook wel vertrokken zijn omdat ik doodongelukkig was. Maar hun verhaal, dat ik zelf opgestapt ben, dat klopt dus niet.”

Alison Van Uytvanck: “Ik twijfel heel snel en dan begint het hierboven te malen. Dat verstoort mijn tennis.” Beeld Thomas Vanhaute

Heb je je pesters ooit teruggezien?

“Ja. En mijn revanche heb ik intussen ook al lang gehad: niemand van hen is er ooit geraakt, ik wel. Meer weerwraak hoef ik niet. Maar kom ik hen tegen, dan moeten ze van mij nooit meer verwachten dan een simpele hallo.”

Het cliché wil dat zulke ervaringen je sterker maken. Denk je dat je door wat je hebt meegemaakt een betere tennisser geworden bent?

“Nee. Omgekeerd zelfs. Ik zou veel zelfverzekerder geweest zijn. Dat pesten heeft mijn zelfvertrouwen en mijn zelfbeeld aangetast. Ik weet rationeel wel wat ik kan ondertussen, maar er is een verschil tussen het weten en het ook voelen. Ik geloof het niet. En dat merk je aan mijn tennis. Natuurlijk heb ik er ook uit geleerd, maar het is een fabeltje dat je daar sterker uit komt.”

Je stelt je ook nog eens kwetsbaar op door je verhaal te delen. Wat heeft je doen beslissen om er toch mee naar buiten te komen?

“Op mijn 19de ben ik teruggekeerd naar het VTV om daar te trainen. Dat was raar, maar al bij al viel het voor mij in eerste instantie wel mee. Alle trainers die me nooit gesteund hadden en de pesters van vroeger waren er toen al wel weg. Maar ik merkte al snel dat er onder de jongeren niks veranderd was. Er werd nog steeds gepest. Dat deed me echt iets, ik kon dat niet zomaar aanzien. Ik heb me dan wat over die kinderen ontfermd. Ik heb hen verteld wat mij overkomen is en dat ik er voor hen was.”

Heb je nooit gedacht: misschien moet ik het maar niet doen? Straks ben ik niet meer Alison die goed kan tennissen, maar Alison de tennisspeelster die vroeger gepest werd.

“Nee. Omdat dit is wie ik ben. Ik heb dit meegemaakt. Het is een noodzaak voor mij, denk ik, om het te vertellen. Ik hoop ook echt dat ik er iets aan kan doen. Kinderen zijn kinderen, maar ze doen elkaar ook elke dag vreselijke dingen aan. Zo erg dat sommigen niet meer willen leven. Bij mij is het nooit zover gekomen, maar ik had een hele fijne, warme thuis. Wat als je dat niet hebt? Als je je slecht voelt op school én thuis? Ik kan me indenken dat sommigen dan geen uitweg meer zien.

“Een actie zoals Rode Neuzen Dag is voor mij nog altijd bijzonder confronterend. Al die verhalen op de radio, al die mensen die getuigen over hoe zwaar ze het gehad hebben. Dat komt bij mij keihard binnen. Ik kan daar echt slecht van zijn. Maar het sterkt me ook in het idee dat ik me moet engageren. Pesten kunnen we niet meer tolereren. Niet op school, niet in de sportclub, nergens. Daarom heb ik meegedaan aan de Move tegen Pesten. Voor de Rode Neuzen heb ik al wel eens een tennisracket geveild, maar volgend jaar zou ik graag echt iets groots doen. Het zou leuk zijn om eens een exhibitiematch te organiseren en alle opbrengsten te doneren aan het goede doel.”

Ondertussen rust er al minder een taboe op ­psychologische hulp. Maar ook in de topsport is een ­psycholoog vast onderdeel van de entourage geworden.

“Ja, absoluut. Iedereen beseft intussen hoe belangrijk dat mentale aspect geworden is in de sport. Ik ben blij dat dat veranderd is. Kijk naar Kiki Bertens (Nederlandse tennisspeelster en het nummer 9 van de wereld, red.) Die heeft een prachtig jaar gehad en die zegt op het eind: ik heb enorm veel gehad aan mijn psycholoog. Is dat erg? Maakt dat haar prestaties er minder mooi om?

“Ik denk trouwens dat iedereen er baat bij kan hebben om af en toe eens met een psycholoog te praten. Je krijgt altijd nieuwe inzichten en leert bij over jezelf en hoe je met anderen moet omgaan. Ik kan het in ieder geval ­iedereen aanraden.”

Lees jij wat er over jou geschreven wordt?

“Vroeger wel, nu niet meer. Ze kunnen je ophemelen tot je geen grond meer raakt, maar als het niet goed gaat, dan begraaft de pers je ook meters diep. Het stoort me wel dat sommigen me al lang weer afgeschreven hebben. Alsof ik een eendagsvlieg was, na die kwartfinale op Roland Garros in 2015. Alsof ik sindsdien ook helemaal niks meer gepresteerd heb. Dan durf ik weleens te denken: mannen toch, als het zo simpel was allemaal, waarom doen jullie het dan niet?

“Sociale media zijn trouwens nog erger. De dreigementen die we elke dag binnenkrijgen...”

Excuseer?

“Vaak is dat in het Engels, maar dat zijn dan boodschappen zoals: ‘Ik hoop dat je kanker krijgt, vuile hoer’. Of: ‘Ik hoop dat je mama heel langzaam mag creperen’. Dat gaat soms heel ver.”

Wie stuurt dat dan? Zijn dat supporters van je ­tegenstander?

“Nee, hoor. Dat zijn mensen die geld hebben ingezet op je match. Die hebben dan gewed dat je gaat verliezen, ­bijvoorbeeld. Als je dan wint, zijn zij een smak geld kwijt. Ik blokkeer zulke accounts dan wel, maar er komen er enkel bij. Dat is niet bij te houden.

“Je bent verbaasd, hè?”

Alison Van Uytvanck: “Ik denk dat iedereen er baat bij kan hebben om af en toe eens met een psycholoog te praten.” Beeld Thomas Vanhaute

Zeg dat wel.

“Mensen kunnen zich dat niet voorstellen, maar dat is echt élke match dat wij zo’n lading berichten krijgen. En je kan nu wel zeggen dat je dat moet negeren, maar het is er wel. Dat is óók iets waar je als sporter mee om moet kunnen gaan.”

Ik denk dat ik intussen kan raden op welke sporter jij graag wat meer zou lijken.

“Doe mij inderdaad maar wat Serena cadeau. (lacht) Het is mooi om te zien hoe rotsvast zij in zichzelf gelooft. Ze staat al een set voor door de manier waarop ze op de baan komt. Ik heb het al meegemaakt: zij komt aangewandeld en die presence is zo overweldigend. Je bent als tegenstander volledig overdonderd. Het duurt een volledige set voor je in de match komt en vervolgens is het al bijna gedaan. Serena is het allerhoogste, in het vrouwentennis gaan we nooit meer een betere kennen.

“Nu, ik moet realistisch zijn: zo ga ik nooit worden. Schreeuwen op de baan zoals zij, dat ga je mij nooit zien doen. Maar laten zien dat ik er sta, dat wil ik wel.”

Zie jij je dit leven nog lang ­volhouden?

“Ja. Ik ben nog maar 24, carrières in het tennis duren ­tegenwoordig veel langer. Vroeger was het gedaan op je 27ste, vandaag gaan ze vlotjes door tot 37. De gemiddelde leeftijd in de top 100 is 28, als ik me niet vergis. Dus ik heb nog marge om aan mezelf te werken. Maar ik weet ook al wat ik na mijn carrière ga doen. Ik wil coach worden.”

Er zijn niet zoveel vrouwelijke coaches op hoog niveau.

(enthousiast) “Nee, inderdaad. Reden te meer om daar ­verandering in te brengen. Coachen, dat zit echt in me. Laat mij twee minuten naar een tennisser kijken en ik kan ­zeggen op welke punten die nog moet werken. Ik praat er ook vaak over met trainers en help mijn vriendin nu al af en toe. Pas op, ik ben haar coach niet. Maar op training of ­wanneer we eens op hetzelfde toernooi spelen, probeer ik haar wel wat tips te geven. Ik doe dat graag en voor haar is het kostenbesparend.” (lacht)

Tennissers verdienen toch genoeg?

“Voor spelers zoals mijn vriendin (Greet Minnen stond eind 2018 WTA-284, red.) is het heel moeilijk. Zij reist bijna altijd alleen naar toernooien, anders moet je ook voor je coach nog eens de reis-, hotel- en andere onkosten betalen. Dat is eenzaam en zwaar. Die lager geklasseerde meisjes slapen met andere speelsters op een hotelkamer, om de kosten te drukken. Het is de droom die hen voortstuwt: ooit de top 100 halen. Greet heeft heel veel geluk dat ze een sponsor heeft kunnen strikken, anders was haar carrière al voorbij. Maar zelfs in de top honderd is het niet simpel om van het tennis te leven.”

Jij verdiende, als top 50-speelster, vorig jaar net geen 660.000 dollar aan prijzengeld. Monica Niculescu, die het jaar afsloot als nummer 100 van de wereld, bijna 500.000 dollar. Dat zijn gigantische bedragen.

“Maar jullie zien de kosten niet. Het stoort me soms als ik op het nieuws hoor: Elise Mertens heeft de halve finale gespeeld en haalt zoveel dollar binnen. Eerst en vooral: ze doet het toch maar. En ten tweede: er wordt nooit gezegd hoeveel ze daarin heeft moeten investeren.”

Hoeveel is dat dan?

“Heel veel. Er is het loon van mijn coach en zijn bonussen die afhankelijk zijn van mijn prestaties. Je hebt zijn onkosten en de mijne: de vliegkosten om met twee een heel jaar de wereld rond te reizen zijn niet min. En je moet ook nog de belastingen meetellen. In het land waar je het prijzengeld verdiend hebt, wordt al veertig procent ­afgehouden en vervolgens betaal ik ook in België nog ­taksen. Trek dat er allemaal af en je komt eerder aan een bedrag met vier nullen dan vijf. Nu, voor alle duidelijkheid: ik klaag niet. Ik weet ook wel dat wij het in het tennis nog goed getroffen hebben. Nina Derwael verdient ongetwijfeld een pak minder dan ik, hoewel ze wereldkampioene is. En als je dan de lonen van de voetballers hoort.”

Of die van de mannelijke tennissers. Het prijzengeld op grand slams is dan wel gelijkgesteld, The Guardian berekende afgelopen zomer dat 71 procent van de mannen in de top 100 vóór Wimbledon al meer verdiend had dan de vrouwen die even hoog geplaatst staan.

(
knikt) “Dat uitgerekend op grand slams het prijzengeld gelijkgetrokken is, vind ik eigenlijk oneerlijk. De mannen spelen er vijf sets, wij maar drie. Dan mag er loon naar ­werken zijn. Maar het verschil op alle andere toernooien, waar we allebei maar drie sets spelen, is heel groot. Zelfs een man die er in de eerste ronde van een willekeurig ­toernooi uitvliegt, krijgt drie keer zoveel prijzengeld als een vrouw die haar eerste wedstrijd meteen verliest. Elke week opnieuw.”

Alison Van Uytvanck: “Ik zou het enorm ­aanmoedigen, mochten ook mannelijke atleten uit de kast komen.” Beeld Thomas Vanhaute

Nog zo’n verschil: in het vrouwencircuit is de lijst van bekende, openlijk lesbische tennisters lang, van Billie Jean King, over Martina Navratilova tot Amélie Mauresmo. Maar mannelijke topsporters die zich outen, zijn een rariteit. Want vind jij ervan dat zij hun geaardheid verzwijgen?

“Op homo-zijn rust nog steeds een groter taboe. Lesbisch zijn ligt maatschappelijk blijkbaar minder moeilijk. Maar ik vind het bijzonder jammer voor die mannen. Dat moet toch vreselijk zijn, om zo’n belangrijk aspect van je leven te ­verbergen? Het is zo’n bevrijding om dat te kunnen delen. Ik zou het enorm ­aanmoedigen, mochten ook mannelijke atleten uit de kast komen.

“Ik las pas nog een artikel waarin Novak Djokovic (nummer één van de wereld bij de mannen, AVB) zegt dat hij het zou steunen, mocht een collega zich outen. Maar het blijft inderdaad wachten. Het kan namelijk echt niet dat er geen homo’s zijn in het circuit. Onmogelijk.”

Wat opvallend was aan jouw coming-out, is dat je daar helemaal geen punt van gemaakt hebt.

“Ik schaam me echt niet om te zeggen dat ik Greet graag zie.”

Hoe heb je haar eigenlijk leren kennen?

“Op de tennisschool in Wilrijk, toen ik daar weer ben gaan trainen. Zij speelde daar ook. We waren in het begin gewoon goede vrienden, maar we zijn naar elkaar ­toegegroeid en intussen zijn we al bijna drie jaar samen. Dat begint te tellen, hè.” (straalt)

Was je niet bang voor de reacties?

(schudt het hoofd) “Het moeilijkste was om het thuis te ­vertellen. We hebben onze relatie eerst drie maanden ­verzwegen. Ik heb het dan eerst aan mijn mama verteld, zij heeft het aan mijn papa gezegd. Mijn mama heeft het er moeilijker mee gehad dan mijn papa, dat had ik eigenlijk niet verwacht. Maar aan mij heeft ze dat nooit laten blijken. Pas achteraf wist ik dat ze het er een maand moeilijk mee had. Ze was gewoon geschrokken, omdat ze het niet had zien aankomen. Nu vindt ze het volledig prima. Mijn ouders zien Greet graag en ze zien ons graag als koppel. Ze kan het zich nu niet meer anders voorstellen, zegt mijn moeder. Greets vader had het er in het begin lastiger mee, maar dat is intussen ook de goede kant aan het uitgaan.

“Eens onze families het wisten, zijn we er gewoon mee naar buiten gekomen. Het kon ons ook niet schelen wat de reacties zouden zijn. Onze families, de mensen die je graag ziet: dat deed ertoe. Maar al de rest?”

Wanneer wist je eigenlijk zelf: ik ben lesbisch?

“Ik wist dat niet. Ik ben gewoon verliefd geworden op Greet, ik was al 20 toen.”

Heb je nooit eerder doorgehad dat je op meisjes viel?

“Als puber denk je daar wel eens over, maar meer als een hypothetische vraag. Ik was daar niet echt mee bezig. Ook niet met jongens, trouwens. Mijn jeugd stond in het teken van tennis en overal waar ik ging, was mijn vader bij mij. Dan ga je niet ineens beginnen experimenteren. (lacht)

“Toen ik dan merkte dat ik wel meer voelde voor Greet dan gewoon vriendschap, was dat een schok. Je eerste idee is toch: dat mag niet, dat kan niet. Ik ben zelf ook even door een proces moeten gaan. Maar ze maakte me gelukkig.”

Voor je het dan goed en wel beseft, ben je een ­rolmodel.

“Dat is echt zo. De aanvragenstroom is wat gemilderd, maar in het begin was dat best heftig. Interviews, events, iedereen wou dat ik mijn verhaal kwam doen. De nood aan mensen die zonder complexen uitdragen dat we niet meer in de 15de eeuw leven en dat het niet uitmaakt of je nu op mannen of vrouwen valt, is duidelijk nog steeds groot.”

2018 eindigde voor jullie met een hoogtepunt: jullie sloten het seizoen vorig jaar af door samen een ­dubbeltitel te pakken.

(glundert) “Dat was totaal onverwacht. Het was de laatste week voor we vakantie hadden en het was de eerste keer dat we op hoog niveau samen op het veld stonden. We wilden ons eigenlijk gewoon wat amuseren, maar het klikte ­fantastisch. Ik durf tegen haar veel meer te zeggen. Tegen een ander zou ik me wat meer inhouden, maar Greet kan ik ongegeneerd instructies geven.”

Het smaakt naar meer?

“Absoluut. Wanneer Greet wat opklimt op de ranking, staan we hopelijk vaker op dezelfde toernooien en kunnen we meer dubbelen. Stel je voor dat we ooit samen grand slams zouden kunnen spelen. Of de Olympische Spelen.” (lacht)

Australian Open, van maandag 14 tot zondag 27 januari in Melbourne Park. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden