Vrijdag 07/05/2021

ALICJA IN LETTERENLAND

Morgen is het precies honderd jaar geleden dat Albert Camus geboren werd. Toen ik nog op de schoolbanken zat en De vreemdeling op de Franse leeslijst stond, begreep ik niet goed wat nu precies zo bijzonder was aan de Frans-Algerijnse schrijver en filosoof. Pas toen ik enige jaren later als filosofiestudent zijn werk beter leerde kennen, leerde ik hem ook waarderen. Niet alleen om wat hij schreef, maar ook om de manier waarop hij dat deed. De ontbeende, nuchtere taal van Camus is van een onmetelijke schoonheid. Enkel een groots schrijver heeft geen grootse woorden nodig.

Ook als filosoof kenmerkt Camus zich door zijn systematische soberheid. Zijn denken is steeds bedachtzaam en nuchter, terughoudend en ingehouden. In tijden waarin vele van zijn collega's weidse visioenen en utopische dromen in ondoordringbaar filosofisch jargon verpakten, was Camus een einzelgänger. Hij had geen bombastische ideeën nodig om wat meer inzicht te verkrijgen en te verschaffen in de menselijke conditie. Camus keert steeds tot de kern van de filosofie: geen abstracte reflecties over abstracte thema's, maar de basics van het bestaan: wat is de zin van het leven, de betekenis van de dood, de last van het zijn? Camus declameert nooit; hij tast af. Hij was een reluctant moralist, zoals de betreurde Tony Judt hem ooit omschreef. Het maakt de boodschap die Camus verkondigde niet minder krachtig of overtuigend.

In zowat al zijn werken staat het thema van de menselijke onverschilligheid centraal. Camus is boven alles dé filosoof en schrijver van de menselijke onverschilligheid. En van het onheil dat daarmee gepaard gaat. Het onheil dat volgt uit de overtuiging dat alles eender is en dat niets hoeft. N'importe quoi. De waanzin van Caligula is niets minder dan de rotte vrucht van de onverschilligheid. Wanneer Cherea, die Caligula zou willen vermoorden, aan Caligula vertelt dat hij meent dat sommige daden meer verheven en mooier dan andere zijn, antwoordt Caligula veelzeggend: "Je crois que toutes sont équivalentes."

Dat gevoel legt een bom onder de menselijke wil en motivatie om goed te doen. Het kwaad in de wereld komt niet zozeer uit zuivere kwaadwilligheid voort, als wel uit onverschilligheid, onbewogenheid en onbedachtzaamheid. Mensen zonder ruggengraat zijn vaak gevaarlijker dan mensen met een kwade wil. Heel gewone mensen die heel foute dingen doen, zodra de onverschilligheid hen in de greep heeft. Camus' personages verliezen keer op keer de strijd tegen hun onbewogenheid, waardoor het onheil langzaam hun levens binnenglijdt.

Meursault, het hoofdpersonage uit De vreemdeling, is de vleesgeworden onverschilligheid. Niets lijkt hem te kunnen beroeren. Niet de liefde. Niet de dood. Met de rook van zijn sigaretje blaast hij ook alle emotie van zich weg. En op een dag knalt hij iemand neer, bijna gedachteloos, zonder te weten waarom. Voor de rechtbank kan hij geen betere reden bedenken dan dat de verschroeiende hitte hem even te veel was geworden. Meursault is geen bijzonder goed mens, maar ook geen bijzonder slecht mens. Hij is alleen maar lamlendig onverschillig. Daarvan is niet enkel de man die hij doodschoot het slachtoffer, maar vooral hijzelf.

Ook in De val gaan twee personages ten onder aan de menselijke onverschilligheid. Wanneer het hoofdpersonage van deze novelle hoort hoe een jonge vrouw in de Seine valt, haalt hij zijn schouders op. Hij doet of zijn neus bloedt en wandelt weg. Niet omdat hij zo'n verderfelijk mens is, maar vooral omdat hij wat meer ruggengraat en moed had kunnen gebruiken. Dat wordt uiteindelijk ook zijn eigen ondergang, zijn eigen val, want het is makkelijker om iemand anders te beliegen dan jezelf wat voor te liegen. De man kan niet leven met het goede dat hij verzaakt heeft, de hulp die hij niet verleend heeft. Hij kan zichzelf niet wijsmaken dat hij niets gehoord heeft en gaat aan zijn knagend geweten ten onder.

De val eindigt met zijn noodkreet aan de jonge vrouw in de Seine: kon ze zich toch nog maar een keer in het water werpen, dan zou hij opnieuw de kans krijgen om haar te redden. Dat behoort voorgoed tot het rijk der onmogelijkheden. Je kunt niet ongedaan maken wat je gedaan hebt. En vooral: je kunt niet doen wat je nagelaten hebt te doen. In het morele domein gebeurt alles slechts één keer. Elke gemiste kans om goed te doen is voorgoed gemist. En dat laat maar weinig ruimte voor onbewogenheid en onverschilligheid.

Alicja Gescinska is filosofe verbonden aan Princeton University.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234