Maandag 21/06/2021

ALICJA IN LETTERENLAND

1913 was een heuglijk jaar voor de Franse literatuur. Albert Camus werd geboren, Guillaume Apollinaire gaf zijn Alcools uit, en bij Grasset verscheen Du côté de chez Swann; het eerste van de zeven delen van Prousts zoektocht naar de verloren tijd. Een publicatie die Proust nota bene zelf moest bekostigen nadat hij eerder door verschillende uitgeverijen was afgewezen: te lange zinnen, te veel personages, te veel reflectie ook.

Prousts À la recherche du temps perdu is een zoektocht naar waarheid, over het kronkelende pad van onze herinneringen die maar al te vaak willekeurig, misleidend en ongewild zijn. "De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil", zoals Cees Nooteboom het in Rituelen ooit uitdrukte.

Proust was de eerste om de term la mémoire involontaire te lanceren; een begrip dat ingang vond in de psychologie, en dat ook een blijvend motief is gebleken in de literatuur. Enkele recente meesterwerken draaien rond het eigen willetje van ons geheugen. Alsof het voorbij is van Julian Barnes bijvoorbeeld. En ook in Zaterdag van Ian McEwan vormt de selectiviteit van het geheugen een onderliggend motief. We laten ons evenzeer door onze eigen gedachten als door anderen misleiden.

Volgens de Franse filosoof Gilles Deleuze is dat precies de kern van Prousts zoektocht. In Deleuzes boek over Proust staan de interpretatie van de werkelijkheid, de waarheid en de rol van het geheugen centraal. Het geheugen speelt in heel het verhaal van de menselijke kennis en zoektocht naar waarheid slechts een secundaire rol. Eerst zijn er de feiten, de signalen om te decoderen, dan het geheugen, en dan onze (re)constructie van deze signalen. Deleuze zoomt daarbij in op het voorbeeld van de jaloerse man: met zijn geheugen graaft hij in het verleden naar tekenen die hij nu pas kan ontleden. Het geheugen komt altijd een stap te laat. Als de feiten zich voltrokken hebben. Het doet denken aan de bekende uitspraak van Kierkegaard. Je begrijpt het leven pas in retrospectie, maar je kan het enkel voorwaarts leven, aldus de Deense filosoof.

Herinneringen zitten niet enkel in ons geheugen, ze zitten in al onze zintuigen. Een muziekstuk dat je al jaren niet meer hebt gehoord, kan vanaf de eerste noot weer vertrouwd in de oren klinken. Zelfs jaren later nog kunnen we strofe voor strofe meezingen met de hits waarmee we opgroeiden. Ook een geur kan je zonder veel moeite terugwerpen in de tijd. Phillippe Claudels laatste boek, Geuren, is helemaal opgehangen aan dat fenomeen: de herinneringen die we door onze neusgaten opsnuiven. De geur van onze jeugdjaren, van de klaslokalen waar we onze broek hebben zitten verslijten, van de eerste liefde, van koortszweet, van grootouders.

Het is onzinnig om Prousts magnum opus te willen samenvatten. Monty Python wijdde er ooit een sketch aan, maar in een poging om de kern ervan in vijftien seconden te bundelen, kwamen ze niet veel verder dan de eerste bladzijde van het eerste deel. Je zou al meer dan vijftien seconden nodig hebben om de beroemdste passage uit het boek recht te doen: de befaamde 'madeleine-scène'. Het is de eerste keer dat Proust het procedé van het onvrijwillige geheugen ten volle uitwerkt. Hij zal dat pas opnieuw doen in het laatste deel van zijn grote zoektocht.

Nadat het hoofdpersonage vele jaren niet meer in Combray is geweest, schotelt zijn moeder hem thee met een madeleine voor. Proust focust ettelijke bladzijden op de sensatie die dat teweegbrengt. De herinneringen en gedachten, afgebroken, onvolledig, onuitgesproken ook. Meer vragen dan antwoorden. De herinnering aan iets dat je je niet meer precies kan herinneren.

Proust bezat niet de verbeelding om systematisch zeven volumes rond een plot te verzinnen. Hij zoomde eindeloos in op zijn eigen ervaringen, tot daaruit een majestueus beeld verscheen. Onder de microscoop van een groot schrijver is zelfs een alledaagse activiteit een bijzonder fenomeen.

Het is verbazend hoe vaak we overtuigd zijn van onze eigen herinnering, terwijl onze gedachtewereld zich bijna voortdurend in fragmenten, associatief, afgebroken en onvolledig ontwikkelt. Niet wij vormen onze gedachten, maar onze gedachten vormen ons. Ze dringen zich aan ons op, vaak tegen onze zin. Mochten we enkel de dingen denken die we willen denken; we zouden heel weinig denken. Dat denk ik tenminste, ongetwijfeld ook onvolledig, en onzeker of ik dat heb willen denken. Denk ik, als ik aan Proust denk.

Alicja Gescinska is filosofe verbonden aan Princeton University.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234