Donderdag 28/01/2021

Albert Priem

Hij stopte Marc Dutroux, vond de lichamen van Annick Van Uytsel en van de Luikse meisjes Stacy en Nathalie. Anderen zouden terugblikken op een loopbaan als superflik, of iets van die strekking, Albert Priem niet. 'Ik ben een gewone werkmens. Ik deed mijn werk niet omdat dat moest, maar omdat ik het zo graag deed.'

In café Affligem op de markt in Ternat is hij 'den Albert'. Ieders vriend. "Ik zit hier in de heemkundige kring, ik ga daar nu meer tijd voor kunnen vrijmaken. En ik fiets. Niet om de Ronde van Frankrijk na te fietsen, maar gewoon. Onder de mensen zijn. De laatste tijd had ik wat problemen met de gezondheid, ik ben geopereerd aan mijn schouder en het is niet helemaal gelukt. Nee, het is niet met volle goesting dat ik stop. Ik heb lang gesproken met de dokter, met mijn familie. Als je ze goed wilt doen, is deze job veeleisend. Als er iets gebeurt, moet je paraat staan."

Het woord 'pensioen' krijgt Albert Priem (58) heel moeizaam over de lippen, maar toch is het vanaf maandag zo en voor veel van zijn collega's is dat een ondraaglijke gedachte. Hij was de speurder in zijn meest pure en dus atypische vorm. De man van de intuïtie, van het nooit opgeven. De man van vaderlijke raadgevingen. "Mijn vader zei altijd: maak de dingen niet te groot. Van een muis kunt ge winnen, van een olifant niet. Verstaat ge?"

Een dag na ons gesprek hebben de collega's "iets gepland". Hij heeft er het raden naar wat, hij weet enkel dat er collega's overkomen uit het hele land, gelieerd aan alle mogelijke grote zaken waar hij ooit aan werkte. "De mensen van de zaak Stacy en Nathalie komen over uit Luik, die van An en Eefje komen over uit Brugge. Alles samen meer dan honderd man, zegt men. Het moet dan toch zijn dat ik in mijn carrière iets heb betekend. Dat het geapprecieerd is."

Hij is officier noch commissaris. Hij is gewoon Albert Priem van de Cel Vermiste Personen. Maar een politioneel palmares om u tegen te zeggen.

"Ik ben in 1972, op mijn achttiende, bij de rijkswacht gegaan om mijn legerdienst te doen. Ik maakte snel vrienden, een nieuwe wereld ging voor mij open. Ik ben nog als jonge gendarme ingezet bij betogingen tegen Roger Nols, de burgemeester van Schaarbeek. Ik heb een tijdje in de brigade Asse gewerkt en verhuisde naar het Centraal Bureau voor Opsporingen, het CBO. Ik moest de speurders in het onderzoek naar de Bende van Nijvel bijstaan. Ja, en op den duur rol je daarin, in dat hectische leven. Ik kwam op de cel Agressie terecht en mijn specialiteit was: ontvoeringen. Ik heb in de zaak van Anthony De Clerck gewerkt en die Paul Vanden Boeynants. In de zaak-Haemers ook en de moord op pastoor Meert in Halle. Ik vond dat allemaal tof, ik deed mijn werk graag. In 1995, na de verdwijningen van eerst Julie en Mélissa en daarna An en Eefje, werd beslist dat er binnen het CBO een cel Verdwijningen moest komen. Om eerlijk te zijn: ik was er niet echt voor te vinden om daar te gaan werken. Maar zo ging het in die tijd bij de rijkswacht: gij, gij en gij. Chinese vrijwilligers. Ik vond het een goed idee om zo'n cel op te richten, maar niet om er zelf deel van te gaan uitmaken."

Het was geen 'echt' politiewerk?

"Als politieman was je tot in die tijd verondersteld om naar criminelen te zoeken. Men zag weinig andere manieren om een misdaad op te helderen. Wij moesten ons nu leren concentreren op de slachtoffers. Een heel andere aanpak. Verdween er in België iemand, dan was dat tot in die tijd een zaak geweest voor de lokale politiediensten. Nu kwamen wij ons bemoeien, moesten wij 'ondersteunend' werken. Overal waar we kwamen, werden we scheef bekeken: wat komen die mannen van Brussel hier doen?

"Alain Remue, net afgestudeerd aan de officierenschool, was aangesteld als leider. Na een babbel met hem heb ik me toch laten overtuigen. En achteraf, zeventien jaar later, kan ik enkel zeggen dat het de zeventien mooiste jaren van mijn carrière zijn geweest. Ik zie ons lokaal nog voor me, die eerste werkdag. Er waren vijf mensen, maar geen tafels en geen stoelen. Er stonden twee telefoontoestellen op de grond en dat was het. We zijn zelf op zoek gegaan naar kantoortafels en hebben die gevonden in een container met afgedankt materiaal op de binnenplaats van de kazerne, klaar om te vertrekken naar het stort. Onze stoelen hebben we zelf gekocht en onze eerste pc's brachten we mee van thuis. Zo zijn wij vertrokken. Nu ja, toen een jaar later de zaak-Dutroux losbarstte, kregen we opeens alles: auto's, gsm's, laptops."

Tegenwoordig gaan jullie in de zomer kanalen dreggen. Niet zozeer om misdrijven op te helderen als om families te bevrijden van hun twijfels.

"Niet alle politiewerk moet in functie staan van het ophelderen van misdrijven. Zolang een afwezige niet terug is, kunnen mensen niet beginnen aan hun rouw. Vaak kom je jaren later bij de weduwe aan en kun je vertellen waar je het autowrak hebt gevonden, hoe het in het kanaal lijkt te zijn beland. En dan zie je de opluchting op dat gezicht, een lachje soms ook, een gevoel van herkenning: de afwezige is weer onder ons. Dat zijn echt dingen waar de politie tot voor onze cel het belang niet van inzag. Voor een familie is niks ergers dan onwetendheid.

"Ze hebben intussen de naam veranderd. Eerst was het cel Verdwijningen, nu cel Vermiste Personen. Ik weet niet waarom ze dat hebben gedaan. Ik denk dat iemand op een hoger echelon wou benadrukken dat we naar mensen zoeken, niet naar weggelopen honden. Enfin, dat dénk ik, want dit is mijn niveau niet. Ik ben een gewone werkmens."

Kunt u na zeventien jaar op intuïtie zeggen of een kind is weggelopen of ontvoerd?

"Elk mens is een ongelezen boek. Dat is in alle omstandigheden het belangrijkste: dat boek geopend krijgen. Wie is dit? Hoe denkt deze persoon? Je moet zoveel mogelijk uit familie en kennissen halen, alleen dan kun je aan de slag. Ik tracht mij altijd te verplaatsen in de persoon die we zoeken. Bij een geval van zelfdoding kun je analyseren: hoe zou ik het in zijn plaats hebben gedaan? Het is echt moeilijk, want je kunt worden afgerekend op één enkel geval. Terwijl wij per dag toch tussen de vijftig tot zeventig meldingen van vermiste personen krijgen. Daar zitten niet-begeleide minderjarigen uit asielcentra bij, jonge weglopers en steeds meer dementerende bejaarden. Het overgrote deel is na enkele uren weer terecht. Toch moet je geval per geval evalueren en als we gaan twijfelen is het een onrustwekkende verdwijning.

"Veel bejaarden zijn fysiek nog in heel goede conditie: die beginnen te stappen en weten van geen ophouden. Als je niet snel een tip krijgt over de richting waarin ze zijn vertrokken, wordt het moeilijk. We hadden er eens één die al in Nederland zat. We hadden het geluk dat hij dorst had en een politiekantoor binnenstapte voor een glas water. Je weet: tijdens een koude winternacht kan iemand al na twee uur doodvriezen. Ik ben dus nogal voorstander van een elektronische armband."

Hebt u zich ooit vergist?

"Ik denk het niet. Een jaar lang hebben we halvelings gedacht dat we fout zaten in de zaak van Tiffany Warnotte (Naams meisje van 16 dat in 2004 verdween en een jaar later levend en wel opnieuw opdook, DDC). Wij hadden het beoordeeld als een weglopertje. Maar een jaar is lang, en je voert intern de discussie. Wij hadden de hele tijd het gevoel: 'Die zit ergens, bij iemand.' Maar je durft dat niet uit te spreken. Uiteindelijk hadden we gelijk. Ineens stond ze daar. Ze had een jaar lang ge- zworven. Het is altijd mijn grote angst geweest, dat we ons eens echt gingen vergissen. Want dat is de grote zorg, in deze job. We zijn nu met z'n veertienen op de cel. Maar die angst om ons een keer te vergissen is elke dag voelbaar aanwezig. Ik had het voorrecht te werken met de fijnste collega's die er zijn."

U bedankte al bij herhaling voor de eer, maar u bent wel degelijk de politieman die Marc Dutroux kliste.

"Ik was van wacht, die avond, 9 augustus 1996, samen met mijn collega Guido Van Rillaer. Wij waren als cel gecreëerd om te zoeken naar Julie, Mélissa, An en Eefje. In mei 1996 was daar dan de kleine Sabine Dardenne bij gekomen. In geen enkel van die dossiers was er een spoor. Wij stonden helemaal nergens en ik liep mij de godganse dag af te vragen: zijn wij eigenlijk wel goed bezig? En toen kwam er nog één bij. In Bertrix was Laetitia Delhez verdwenen, een meisje van veertien. Ons idee was: men creëert hier wel zo'n cel, maar er blijven gewoon meisjes verdwijnen.

"Ik ben met Guido naar Bertrix gereden. Wij hebben dat weekend letterlijk elke vierkante meter van Bertrix uitgekamd. Met zo'n gevoel van: 'Dat kan nu toch niet zijn? Toch niet wéér?' Ze is op vrijdagavond te voet vertrokken aan het zwembad, dan moet ze hier toch ergens te vinden zijn? Tegen zondagavond hadden wij nog altijd niets, geen enkele tip. Wij waren maar met z'n tweeën op de dienst, het was vakantie, maar op maandagochtend ben ik in mijn eentje naar Bertrix teruggereden. Ze hadden daar het hele weekend lang hectaren bossen en velden doorzocht, en nog altijd was er geen enkel spoor. Toen dacht ik: misschien moet ik eens gaan aanbellen aan woningen rond dat zwembad waar zaterdag en zondag niet was opengedaan. Ik dacht: je weet nooit. En ja, dan stoot je op die student. We hadden een kloosternon die een lawaaierige witte bestelwagen had gezien. En nu hadden we deze student die me zei dat hij een deel van de nummerplaat had onthouden, FRR. Als in Frédérique, zijn vriendin. Er waren de laatste tijd in de buurt veel diefstallen geweest, en dus had hij de letters onthouden.

"Ik belde Guido: 'Guido, kijk eens in uw computer.' Hij, na een paar seconden: 'Kijk ne keer jong, wat ik hier heb.' Hij noemde de naam Dutroux. De combinatie FRR672, dat was die van zijn bestelwagen. Ik heb tegen Guido gezegd dat hij onmiddellijk naar Bertrix moest komen. Hij wou eerst niet, hij had het te druk op de cel, en ik heb geroepen: 'Guido, pak dat dossier en kom naar hier!' Procureur Michel Bourlet was daar met zijn mensen. We moesten die allemaal overtuigen van ons spoor. We hebben die nacht vergaderd tot één, misschien twee uur 's nachts. We besloten Marc Dutroux, Michelle Martin, Michel Lelièvre en enkele andere mensen uit zijn entourage te schaduwen. We wilden van iedereen precies weten waar ze zaten voor we hun huizen zouden bestormen. We wilden ze allemaal in ons vizier hebben, ook de witte bestelwagen."

Jullie wisten wie Dutroux was, het CBO had hem het jaar daarvoor lange tijd geschaduwd tijdens de geheime operatie Othello.

"Dat waren wij niet. Onze mensen in Charleroi waren geruchten ter ore gekomen dat hij kelders aan het bouwen was om er meisjes in op te sluiten. Ook die mensen waren op de vergadering aanwezig. Men heeft hem in de zomer van 1995 inderdaad geobserveerd, maar Dutroux had dat al na vijf minuten door. Collega's die de observatie deden hadden dat ook snel door, ze waren heel vlug verbrand. Hij reed met hen in een doodlopende straat en wuifde eens. Ja, dan weet je genoeg. Daardoor is de operatie toen afgeblazen. Het had op deze manier geen zin.

"Op dinsdagnamiddag 13 augustus 1996 hebben we iedereen opgepakt. Sabine en Laetitia zaten nog steeds in die kelder. Ook daar is toen een huiszoeking gedaan (fel). Door véél mensen, maar ook deze keer heeft niemand ze gevonden. Op een gegeven moment wisten we dat er sporen van Laetitia waren aangetroffen in de bestelwagen, en toen werd het donderdag 15 augustus, ik ga het nooit vergeten. Dutroux die zei: 'Ik ga u twee meisjes geven.' We hoopten in ons hart dat het Laetitia zou zijn. Als Dutroux het had over een tweede meisje, dachten wij dat hij doelde op een meisje uit het Oostblok of zo. Hij ging regelmatig naar ginder om er meisjes te halen. We hoopten enkel maar dat we Laetitia zouden vinden. Ik dacht aan de raad van mijn vader: maak de zaak niet te groot. Linken leggen naar andere dossiers kun je achteraf nog altijd.

"Ik ben in dat straatje in Marcinelle op vijftig meter afstand gaan staan. Ik dacht: laat ieder zijn job doen, ook de mensen van het labo en de sporenzoekers. Ze hebben hun werk gehad met spullen te verhuizen. Die kelder stond vol rommel: verfpotten, dozen... Toen ging dat hangrek open en kwamen er twee meisje naar buiten: Laetitia, zoals wij hoopten, en Sabine. Dat was een grote verrassing."

Wat doet u dan, aan het eind van zo'n dag?

"Ik had een moeilijk moment. Uiteindelijk is de cel gecreëerd voor dit soort zaken. Hier hadden we voor het eerst resultaat. In deze job is het een succes als je iemand vindt. En als je iemand vindt, is die meestal dood. Hier hadden we twee levende meisjes.

"Mijn grootste ontgoocheling in die zeventien jaar was onze verschijning voor de commissie-Verwilghen, Alain en ik. Gewoon, door de insinuaties. Dat wij informatie zouden hebben achterhouden. We hebben ook een huiszoeking gekregen. Zelfs mijn boekentas, met mijn boterhammen erin, werd doorzocht. Ze zochten 'zaken die wij zouden kunnen hebben achtergehouden', zeiden ze. Ik zeg dat niet om op te scheppen, maar het was wel onze cel die de aanzet gaf tot het ontmaskeren van Dutroux. Dat heb ik daar in de commissie ook klaar en duidelijk gezegd. Maar dat vond men niet interessant genoeg."

Hoezo?

"Opeens zei Marc Verwilghen, de voorzitter: 'Oei, is het al zo laat?' Einde van de zitting. En ja, er waren nog een hoop zaken die wij daar gezegd wilden hebben. Je werd publiekelijk veroordeeld, hoor. Dat werd live uitgezonden op tv, de hele dag door. Mijn vrouw heeft het opgenomen en ik heb thuis de cassettes nog liggen. Dan ga je 's ochtends in Ternat je krant halen... De mensen in het dorp hebben mij gesteund, dat wel. Ze zeiden: 'Albert, wij weten dat gij u niets te verwijten hebt.' Maar toch. Je voelde je permanent bekeken. Terwijl je gewoon je werk had gedaan.

"René Michaux, mijn collega die de leiding had over Othello, en die ik goed heb gekend, had die kelder eind 1995 doorzocht en kinderstemmen gehoord (boos). Ja, kinderstemmen: omdat er kinderen aan het spelen waren op straat. Michaux is daar volledig aan onderdoor gegaan. Hij is daar ziek van geworden en inmiddels ook overleden. Achteraf bekeken moet je kunnen toegeven dat er zoveel mensen in die kelder zijn geweest, ook toen we Dutroux al hadden opgepakt en zeker wisten dat hij de ontvoerder van Laetitia was. Ook toen vonden ze het berghok niet. Ik vind dat daar nooit genoeg de nadruk op is gelegd."

U was toevallig ook van dienst toen in Luik in de zomer van 2006 Nathalie Mahy en Stacy Lemmens verdwenen.

"Ik heb hun lichamen gevonden, samen met iemand van het DVI (disaster victim identification team, DDC) en iemand van de Civiele Bescherming. We stonden aan zo'n oude spoorwegbrug, te kijken naar de kabelgoten met leidingen erin en grote deksels erop. Ik pakte willekeurig een deksel vast: 'Ik ga hier toch eens onder zo'n deksel kijken.' Ik hef dat op en ik voel een lichaam. Dit had niks met speurzin of ervaring te maken. Ik moet wel zeggen dat we in de zaak van Stacy en Nathalie, bij nacht ontvoerd in een café, de hele tijd het gevoel hadden dat ze niet ver konden zijn. Het is een zaak die lang aan mijn ribben is blijven plakken. Kinderen moeten spelen, ze moeten zich amuseren en onbezorgd door het leven gaan. Kinderen moeten gewoon kind zijn. Bij kinderen is het ook zo moeilijk om het boek te lezen."

Een jaar na Stacy en Nathalie vond u ook het lichaam van Annick Van Uytsel.

"Ik vond ze gemakkelijk, ik weet niet hoe dat komt. Dat is niet omdat ik slim ben hoor, dat was gewoon toeval, denk ik."

Volgens uw collega's is het intuïtie, koppigheid ook.

"Er was een tip van een voorbijganger. Een magistraat, als ik het me goed herinner. Hij deed dagelijks zijn wandeling langs het Albertkanaal in Lummen en had een pak zien drijven. We hadden nog niet gezocht in het kanaal, want daar leek geen beginnen aan. Nu was ik al een paar keer met Willy, een speurder, heen en weer gereden langs dat kanaal. Van Lummen naar Diest, en weer terug. De dag zat er eigenlijk al op, en ik had dat rare gevoel, net als die maandagochtend in Bertrix. Is er echt niet iets wat we over het hoofd hebben gezien? Moeten we niet nog één keer heen en weer rijden langs dat kanaal? Dat heb ik altijd gehad: als je helemaal vastzit, keer dan terug naar het begin. Is er echt niet iets wat we nog niet hebben geprobeerd? Ik zeg tegen Willy: 'Kom jong, rij nog één keer terug, ge kunt nooit weten.' Toen zag ik het, het pak. We hebben twee duikers van de brandweer in het water gestuurd. Zij hebben dat pak even omhooggehesen. Het was een groot pak, en het was volgens mij klaar om voorgoed onder te gaan. Het werd gevaarlijk voor die duikers, het scheepvaartverkeer ging gewoon door en ze konden elk moment worden overvaren. Ik heb toen de afweging gemaakt: 'Pak uit het water, nu!' Normaal moet je wachten op de mannen van het labo, kwestie van geen sporen te verliezen. Maar het water was te vuil en de situatie werd met de minuut gevaarlijker.

"Op dat moment weet je nog altijd niet wat er in dat pak zit. Het kon ook afval zijn. Ik vroeg aan een van de duikers om eens goed te voelen. 'Ik denk dat het een been is', zei hij. Ja, en dan nog: het kon ook het lichaam zijn van een Albanese portier, het bleef dus afwachten. Er werd beslist om het pak ongeopend over te brengen naar het UZ in Leuven. We lieten een lijkwagen komen. Ik zie hem nog voor me, zo'n Amerikaanse slee en de in allerijl opgeroepen chauffeur in blauwe overall. Hij komt naar mij en zegt: 'Mijnheer, ik heb gehoord dat dat pak naar Leuven moet, maar ik heb niet genoeg benzine.' Hoogst vervelend, want de Hasseltse procureur Marc Rubens had bevolen dat we in colonne naar Leuven zouden rijden. Zie je het al voor je, een colonne met de procureur, de politie en een lijkwagen die opeens stopt aan een benzinestation? Ik heb mij kwaad gemaakt: 'Daar doe ik niet aan mee!' Misschien heb ik wat overdreven gereageerd, maar dat zijn van die momenten van gejaagdheid. Je weet nog altijd niet zeker of het wel Annick is, je wilt niet dat ze je dienst belachelijk gaan maken. Je vreest dat het gefilmd zal worden, die lijkwagen in het benzinestation. We hebben toen twee motards van de wegpolitie met jerrycans naar een benzinestation gestuurd. Daarom - ik kan dat nu wel onthullen - heeft het die nacht zo lang geduurd voor de colonne vertrok."

En dan komt het bericht: het is Annick Van Uytsel.

"Ja, maar eerst loop je je kas op te vreten. Iedereen had de instructie gekregen: gsm's uit. We moesten allereerst de familie inlichten. En toch was er een lek, die avond. We hebben nooit geweten wie. Ik vind dat echt extreem belangrijk, dat de achterblijvers het het eerst te horen krijgen. Hoe ze is gevonden, waar ze is gevonden. Dan is er nog een vergadering, en dan ga je naar huis, en dan kun je niet slapen. De film van de dag die zich afrolt, de nieuwe vragen die zijn gerezen. Weten dat je over een paar uur aan de slag moet.

"Het knaagt op zo'n moment wel eens. Zodra de vermiste gevonden is, zit onze taak erop. We blijven wel beschikbaar voor de speurders, maar horen het achter ons te laten en te focussen op de volgende zaak. Maar je wilt het eigenlijk wel graag weten, en je wilt graag helpen zoeken naar degene die dit heeft gedaan.

"Of ik dit leven ga missen? Natuurlijk. Je telefoon staat niet stil, je bent er altijd bij, je bent betrokken. Ik kende door mijn leeftijd ook zoveel mensen. Ik deed mijn werk niet omdat dat moest, maar omdat ik het zo graag deed. Ik weet dat ik het in het begin moeilijk ga hebben, maar ergens kijk ik er ook naar uit om een keer tot rust te kunnen komen. Zelf de tuin te kunnen doen, in plaats van het te beloven. Me wat meer engageren voor de heemkundige kring in Ternat. En vooral: eens niet de hele tijd gejaagd moeten zijn."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234