Maandag 26/10/2020

Alarm: in de Tour telt elke tik

MONTPELLIER

Bij het grote publiek leven natuurlijk de vooral bergritten en de tijdsverschillen die daar gemaakt worden. Klassementsrijders zelf concentreren zich graag op tijdritten, die eigenlijk voorgeprogrammeerd zijn om het verschil te maken. Maar de vroege ontspanning in een vlakke rit is minstens zo efficiënt, al was het maar omdat het verrassingseffect ten volle speelt: de seconden die hier gegraaid of verloren worden, werden vooraf nooit ingecalculeerd.

Er zijn in de rijke historie een aantal Rondes die in de vlakke aanloop in een semi-definitieve plooi werden gelegd. Vaak gebeurde dat tijdens de vandaag nog maar weinig geprogrammeerde ‘kassei’-rit in het noorden van Frankrijk. Sterke klassementsrijders, vaak in een combine met klassieke renners, gebruikten die graag om klimmers en andere lichtgewichten een flinke tik te geven. In 2004 gebeurde dat in de derde rit, van Waterloo naar het Noord-Franse Wasquehal. De rituitslag laat nochtans een gewone sprintersetappe vermoeden: Jean-Patrick Nazon verrastte Erik Zabel, Robbie McEwen en Tom Boonen. In werkelijkheid ging aan die gewone sprint een uitzonderlijke rit vooraf, waarin Lance Armstrong naast Denis Mensjov vooral de Baskische klimmer Iban Mayo ‘regelde’. Mayo had hem in de Tour van 2003 nog zoveel pijn had gedaan met zijn Euskaltelploeg. Met zijn formidabel sterke blok van Discovery reed Armstrong op een paar kasseistroken het hele peloton aan te flarden. Bijna alle ploegmaats waren in de slag betrokken: behalve Armstrong zelf natuurlijk Parijs-Roubaixspecialist George Hincapie, verder rouleurs Floyd Landis en Viatcheslav Ekimov, verder José Azevedo, Manuel Beltran en zelfs de felle klimmer José-Luis Rubiera. Een gedesillusioneerde Mayo reed als laatste van een achtervolgende groep over de streep op 3.53. Zijn Tour was voorbij voor hij begonnen was.

Zoetemelk flikt Hinault

Maar het zijn niet altijd klimmers die op de kasseien ter plaatse werden gelaten. In 1979 reed de almachtige Bernard Hinault lek in de achtste etappe van Amiens naar Roubaix. Dat was het sein voor zijn grote uitdager Joop Zoetemelk om samen met een aantal vooral Vlaamse kasseirenners een dolle race te ontketenen: Ludo Delcroix (vader van Laïszangeres Nathalie) won met kleine voorsprong voor een elitegroepje met Dietrich Thurau, Michel Pollentier, André Dierickx en Joop Zoetemelk. Hinault verloor 3.45 en zag zijn royale voorsprong op Zoetemelk ineens omgebogen in een achterstand van 2.08.Het belette Hinault niet die Tour toch met grote almacht te winnen. En zeker niet om één jaar later op hetzelfde terrein een klinkende revanche te nemen. Zoetemelk was inmiddels toegetreden tot de Raleighploeg van Peter Post, de beste klassieke formatie van die tijd, en zowel zijn ploeg als zijn ploegleider wilden Hinault uitdagen. De Fransman nam de handschoen op. In de vijfde rit, van Brussel naar Lille, viel de regen met bakken uit de hemel. De kasseien werden een zomerse hel. Hinault kreeg Hennie Kuiper mee en - weer hij - Ludo Delcroix. Hij reed de Raleighs naar huis. Jan Raas verloor meer dan vijf minuten, Gerrie Knetemann meer dan acht, Zoetemelk eindigde ‘slechts’ op 2.11. De strijd in het regenweer veroorzaakte echter mee tendinitis aan Hinaults knie, waardoor die later onverwacht opgaf en Zoetemelk toch de Tour won.

Ardennen spelen mee

Maar het hoeven niet altijd kasseien te zijn om fel en hard uit te halen. Ook de Ardennen zijn een prima terrein. In de zevende rit van de Tour van 1995, Charleroi-Luik, demarreerde Miguel Indurain, toen op zoek naar zijn vijfde opeenvolgende zege, uit alle macht. Alleen Johan Bruyneel kon meesprongen. Bruyneel, in dienst van Alex Zülle en Laurent Jalabert, nam geen meter over, Indurain keek niet op of om. Bruyneel won de rit en nam het geel, Indurain had vijftig seconden genomen op de concurrentie. En dat één dag voor de tijdrit, waarvoor iedereen zich wilde ‘sparen’ (wie gelijkenissen wil zien met de recente Camargueputsch en de flauwe reactie daarop van sommigen, die doet maar).Trouwens, voor zijn eerste Tourzege in 1999 gebruikte Lance Armstrong al eens een terrein van wind en zee. In de tweede rit, van Challans naar Saint-Nazaire (Tom Steels won), reed het peloton over de Passage du Gois, een vreselijke strook die bij vloed dagelijks onder het zeeniveau stond. Op die onverantwoord glibberige weg vielen te veel renners. Maar wie recht bleef, racete naar de streep. De groep-Armstrong had er 6.03 voorsprong op de achtervolgende groep-Zülle. In Parijs won Armstrong voor Zülle, met 7.37 voorsprong. Die ene vlucht was dat jaar weliswaar niet beslissend (Armstrong bleef Zülle in alle tijdritten een beetje voor, en ook in de meeste bergritten), maar wel uiterst bepalend. Het ontnam elke poging tot tegenaanval van Zülle van meet af aan een realistische kans op succes.

Roger Pingeon

Wind, regen, hellingen, water: alle toevallige elementen zijn goed om een vroege kloof te slaan, en zeker een combinatie ervan. Roger Pingeon was bij veel Belgen al compleet vergeten, tot hij onlangs in Brussel opdook op de voorstelling van een huldeboek over Eddy Merckx. Dat is onverdiend voor Pingeon, want in de Tour van 1967 zorgde hij in de vijfde rit, Roubaix-Jambes, voor een van de mooiste ontsnappingen ooit, en dat door Le Pays Noir in Henegouwen: vol Waalse hellingen, in een tijd dat de meeste wegen nog geplaveid waren met kasseien. Hij sprong naar een kopgroep met onder meer Rik Van Looy, en toen de leiders dik drie minuten hadden op het peloton, ging Pingeon nog eens solo op de Muur van Thuin. Hij kwam aan met een dikke minuut voorsprong op de eerste achtervolgers, met onder meer de jonge Johnny Schleck (de pa van Andy en Fränk), met bijna 2.30 op Rik Van Looy, en 6.20 op zijn echte concurrenten voor de eindzege: Raymond Poulidor en Felice Gimondi.

Drieste Ocaña in Reims

Misschien dat de meest drieste ontsnapping die van Luis Ocaña en gezellen in 1973 was. Die Tour was zéér bergachtig (de organisatie wilde het Merckx moeilijk maken), en Ocana was bijwijlen een onweerstaanbare klimmer. Maar Merckx gaf dat jaar forfait, en dus dacht iedereen dat Ocaña in Alpen en Pyreneeën een onoverbrugbare kloof zou slaan. Hij deed dat in de derde etappe, een zeer lange rit (226 kilometer) van Roubaix naar Reims, met in de eerste koershelft een paar kasseien, daarna niet meer.Na 66 kilometer, in een plaatsje met de omineuze naam Quérenaing, wordt er fel gedemarreerd. Gele trui Herman Vanspringel is niet mee, wel Ocaña met de helft van zijn Bic-ploeg. Bic was zijn tijd vooruit, als eerste voorloper van teams als Astana, Garmin, Cervélo of Columbia: uitgesproken internationaal van samenstelling. De Spaanse kopman Ocaña ging ervan door met zijn Franse maats Sylvain Vasseur en José Catieau, de Deen Leif Mortensen en de Luxemburger Johnny Schleck (weer hij). Achteraan viel het veld uiteen in ontelbaar veel groepjes, het ene al wanhopiger strijdend dan het andere, en ook vooraan moesten telkens renners lossen. Het werd een slagveld. Cyrille Guimard won de sprint van het groepje-Ocaña. Vanspringel, Van Impe, Thévenet, Zoetemelk, bewaakt door onder meer de Portugese Bicrenner Joaquim Agostinho, verloren 2.34. Ocaña’s grootste concurent, de Spaanse klimmer José-Manuel Fuente, bolde 7.17 later over de streep, samen met nochtans uitstekende renners als Walter Godefroot, Walter Planckaert en Michel Pollentier. De laatste die dag, Ludo Noels, had een achterstand van... 49.11. Dat was inderdaad buiten de tijdsgrens.

Vergeten, maar de mooiste: Koblet

Maar de mooiste vroege ontspanning blijft die van Hugo Koblet in de Tour van 1951. Dat is inderdaad een Tour de France die vergeten is, uit een tijd die nooit lijkt te hebben bestaan. En toch blijft het een prestatie die koestering en bewaring verdient, en die voortverteld en overgedragen dient te worden, met het respect dat toekomt aan een van de meest precieuze herinneringen uit de nochtans rijke Tourgeschiedeni. Hugo Koblet was een Zwitser. L’Equipe noemde hem ‘L’Apollo du Vélo’, chansonnier Jacques Grello verzon voor hem de bijnaam ‘le pédaleur de charme’. In 1951 was hij amper 26, en er was geen renner met een mooiere stijl dan hij. Fons De Wolf had dat ook, of Filippo Pozzato vandaag, maar geen van hen ging half zo hard als Hugo Koblet. Koblet kon zelfs een banale vlakke etappe memorabel maken. De elfde rit tussen Brive en Agen lag middenin het parcours . Maar zoals dat toen soms gebeurde, waren er nog altijd geen Alpen of Pyreneeën beklommen. Die moesten nog komen, de tijdsverschillen waren dus nog beperkt. Koblet sprong weg. Het sein sprong op rood - hij had het jaar voordien al als eerste niet-Italiaan zeer superieur de Giro gewonnen - en achter de eenzame vluchters verzamelde zich wat misschien wel de mooiste groep achtervolgers uit de Tourgeschiedenis is geweest: Fausto Coppi, Gino Bartali, Louison Bobet, Raphael Geminiani, Stan Ockers, Fiorenzo Magni en Jean Robic. Die grote namen gingen ervoor. Ze losten elkaar af, vloeiend en regelmatig, ze fietsten zo goed en zo hard als ze konden. En ze verloren terrein, 140 kilometer lang, op Hugo Koblet, die dus alleen reed. Koblet wint, en aan de finish in Agen gaat hij demonstratief op zijn horloge staan kijken, om zelf het verschil op te meten: 2.35. Het was een voorproefje, want Koblet had in Parijs uiteindelijk meer dan 22 minuten voorsprong op Géminiani.

Gepingel met seconden

Wat al die uiteenlopende histories bindt, is het psychische voordeel dat de aanvaller haalt, plus het comfort van de vroeg gewonnen tijd. Het is niet alleen een signaal naar de tegenstand, maar ook een goed teken voor zichzelf. Wie aanvalt, bewijst zijn frisheid. Zijn terreinkennis, zijn durf, zelfs zijn opportunisme, en natuurlijk zijn fysieke paraatheid. De geschiedenis hierboven telt vele mooie voorbeelden daarvan.Vergeleken met de meeste andere onsnappingen zijn de veertig seconden van Armstrong en co. dus klein spel. Maar vroeger waren véél tijden ruimer bemeten dan die in de laatste edities van de Tour. Vorig jaar werd de Ronde beslist door één ontsnapping in één rit, die van Carlos Sastre op L’Alpe d’Huez. En daarvoor was het al een gepingel met seconden dat het geen naam had. Cadel Evans verloor toen zijn gele trui op de Italiaanse Alpentop Prato Nevoso. Het was een opwinding van formaat: Alejandro Valverde reed Evans op een achterstand van 38 seconden, en Denis Mensjov en Fränk Schleck pikten er 27 in. De kranten stonden er vol van.

In die zin zijn de 40 seconden van Lance Armstrong zeer mooi meegenomen. Het is absoluut onvoldoende om zeker te zijn van de eindzege, het garandeert zelfs geen toptienplaats. Maar die zekerheid hebben de anderen evenmin. En zij missen de luxe of het comfort van dit vroege succes(je).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234