Dinsdag 11/05/2021

AL ZIET ER MAAR EEN HET LICHT

Ze doken vanaf de jaren zeventig op in het dorpsbeeld. Probeerden zich daar veelal modern hoekig en lelijk een vaste plek te verwerven tussen kerk en gemeentehuis. De culturele centra, afgekort: cc. Allemaal brachten ze cultuur met grote C tot diep in Vlaanderen. Of het de moeite waard is geweest? Zoek het antwoord niet in jaarverslagen. 'Laat het mij zo zeggen', zegt Dora uit Willebroek. 'Sinds ik de deur van het cultureel centrum binnen ben gestapt hebben mijn man en ik na twintig jaar huwelijk weer meer te vertellen tegen elkaar.'

FILIP ROGIERS / FOTO'S FILIP CLAUS

I. 'HET JAAR 1972-1973 BRACHT EEN NIET-TE-VERWACHTEN SUCCES'

'Meeeeeiisjes! Ze komen zelden klaar meneer. Toch die waar ik van hou meneer. Ooo meisjes!"

1968 mocht dan al negen jaar geleden zijn, het was toch nog schrikken toen Raymond deze directe vorm van kleinkunst via de televisie de Vlaamse huiskamer in ramde. Zijn grove smoel- en zangwerk, inmiddels klassiek ja mainstream geworden, week nogal af van het afgeborstelde dat de gemiddelde Vlaming toen nog altijd van de gemiddelde artiest verwachtte. Toch op een zondag, toch op televisie in een middagvullend familieprogramma zoals Binnen en buiten, na de elfurenmis en de rosbief.

Niets stond stil in die jaren zeventig, behalve de economie. De opmars van de televisie was niet meer te stoppen, net zomin als die van de auto's, expreswegen ontsloten dorp en platteland. Het woord democratisering raakte zelf gedemocratiseerd. Het werd bovendien met k geschreven, zoals kultuur, want het uur was aan de progressieven. Het kritische gen van 1968 begon te muteren in een volgende jonge generatie, en ook de vorige generatie verruimde allengs haar blik op de wereld, dankzij het averechtse opvoedingswerk van het eigen kroost.

Progressief en modern, dat pretendeerde ook het bouwsel te zijn dat in dorpen en steden verrees naast kerk en gemeentehuis.

"Wat voor een gedrocht gaan ze daar nu weer neerpoten, dachten wij nog", zo samplen wij vrij de herinneringen van toen al bijna grijze dorpelingen die zo'n cc zagen verrijzen. "Zo met blote rode bakstenen en ruiten zonder gordijnen, zo hoekig, precies een fabriek. En op zulke goede bouwgrond dan nog! Er heeft nog een café gestaan. Pier van Elza hield dat open. Dat zal eind de jaren zestig geweest zijn. Maar ja, hoeveel cafés waren er toen wel niet op het dorp? Zeker twintig, als ge die van het Klapgat meetelt. De mensen zaten toen nog niet zoveel voor de tv. Dat kwam pas later. En toen moesten de mensen weer wég van voor de tv, maar in plaats dat ze Pier van Elza zijn café lieten heropbouwen kregen we dit hier. Eerst denkt ge dan: 'Oeioei, wat is dat lelijk!' Maar het is zoals met mensen: als ge er lang genoeg op kijkt, en ge kijkt verder dan de façade, dan wordt het toch nog schoon. Zo eens op het jaar neemt mijn dochter ons mee naar een concert. We hebben daar al veel plezier van gehad. Ge ziet dat op den duur ook niet meer eigenlijk, dat dat zo lelijk is."

Wat het ABN in de jaren vijftig en radio en televisie in de jaren zestig hadden gedaan voor de communicatie; wat asfalt deed voor de mobiliteit van goederen en mensen, voor de verstedelijking van het dorp; dat zouden deze culturele centra voor de cultuur gaan doen. Ze zouden cultuur met C tot in de verste uithoeken van Vlaanderen brengen.

En ook Raymond.

En toen ze tot in Bommerskonte aan Raymond gewend waren, kregen ze ook nog Herman Brusselmans.

"Culturele centra zijn een idee van de jaren zestig", lees ik in de beleidsnota van cc De Spil, Roeselare. "Democratisering, pluralisme en volksverheffing waren sleutelwoorden."

In de beginjaren van de culturele centra woog factor drie, 'volksverheffing', nog zwaar. Bovendien vulden beleids- en cultuurplannenmakers dat vermoedelijk op heel erg pre-stoute-jarenzestigwijze in. In het jaar dat Raymond 'Zij houdt van vrijen' zong, 1973, stond hij alvast nog níét op het programma van het pas geopende Stedelijk Kultureel Centrum van Hasselt. En noemden de volksverheffers dat daar in Hasselt wellicht ook nog niet zingen.

"Het jaar 1972-1973 bracht een niet-te-verwachten succes!", zo lezen we in een brochure getiteld Hasselt, uitgave van het Provinciaal Verbond voor Toerisme in Limburg, december 1973. Wel op het programma stonden in dat eerste jaar van het cc te Hasselt: "De Nationale Pro Civitate wedstrijden, het Koninklijk Landjuweeltoernooi, een Volksdansgroep uit Siberië, het Nationaal Ballet van Joegoslavië, het Nationaal Orkest van België en het Ballet van Vlaanderen, een koor uit Stellenbosch, vele plaatselijke en niet-lokale toneelgroepen. Er hadden vergaderingen en congressen plaats van verschillende partijen, van de numismatische kring, van de Getuigen van Jehova, van de Rotary, van de syndikaten, enz... enz... Iedere zaterdagnamiddag: poppenkast voor zelfs 900 kinderen, tekenprijskampen en -tentoonstelling".

De brochure meent dat het doel bereikt is, dan al: "Het Stedelijke Kultureel Centrum is waarlijk een ontmoetingscentrum en een instrument voor de democratisering van de cultuur."

Maar nee dus, Raymond hoorde daar toen nog niet in thuis. Een cultureel centrum, zeker in een beetje stad, werd toen nog vooral opgevat als "een prachtig cultuurpaleis", zoals de brochure uit Hasselt de eigen tempel bestempelt. Een vreemd lichaam.

Op de echte uitbraak, van het podium naar de wijk, was het nog wachten tot diep in de jaren negentig. In Menen kwam het cultureel centrum toen in de problemen, omdat het iets te goed slaagde in het opbouwen van street credibility. Het stuurde Maghrebijnse straatjongeren met een handcamera naar Marseille en terug. Het stadsbestuur was niet gediend van het resultaat, want de jongens maakten in hun gefilmde commentaren een snedige vergelijking tussen de wereldse Frans-Afrikaanse stad en het kleinburgerlijke Frans-Belgische grensstadje.

Op een steenworp van Menen ligt Wevelgem. Dat is rijker dan Menen. In Wevelgem ligt de werkloosheidsgraad onder het Vlaams gemiddelde, in Menen erboven. In Wevelgem hoeft het cc niet zo nodig aan samenlevingsopbouw te gaan doen. Daar bestond de 'volksverheffing' er ook in de jaren tachtig in eerste instantie nog altijd in om het platteland te ontsluiten voor culturele evenementen waarvoor je in de decennia voordien een excursie naar de provinciestad moest ondernemen.

"Het cultureel centrum is hier eigenlijk begonnen als een bouwdossier in 1984", vertelt Geert Knockaert, vandaag cultuurbeleidscoördinator van de gemeente Wevelgem. Hij lag mee ten grondslag aan cc Guldenberg. "Dat ging om vierkante meters. Om een subsidie te krijgen, moest je een dossier opmaken en zeggen waarvoor je die vierkante meters zoal zou willen benutten. Wij schreven dus op: voor schouwburgzaal Guldenberg, de bibliotheek en het ontmoetingscentrum. Over de inhoud was er toen nog niet te veel gezegd. Dat is eigenlijk begonnen met het idee om Boudewijn de Groot te vragen. Het was toen net wat kalmer rond hem geworden, dus ik dacht: 'Ik waag het erop'. We waren in Wevelgem bang om grote namen te vragen. Ik wou het toch proberen. Ik informeerde en kwam tot de vaststelling dat we 400 frank toegangsgeld zouden moeten vragen. Grote discussies in de cultuurraad! 'Wie gaat dat betalen?' Maar we hebben toch doorgezet. Indien er geen kat was gekomen had ik wellicht uit eigen zak de put moeten delven. Maar in veertien dagen tijd was de zaal uitverkocht. Dat was een openbaring hier in Wevelgem. En toen waren we dus vertrokken."

II. VAN BEDREIGING TOT REDDING VOOR HET LOKALE CULTUURLEVEN

Een maandagnamiddag in Gullegem, deelgemeente van Wevelgem. In het ontmoetingscentrum (oc) De Cerf oefent het seniorenkoor van de plaatselijke Katholieke Bond van Gepensioneerden (KBG) voor zijn volgende optreden in het rusthuis van Heule. Maar nu is het pauze, want er is er eentje jarig en daar wordt op geklonken. Ieder een trappist. Frans voert al vele jaren het koor aan, zijn vrouw de dansgroep van de KBG. Vandaag repeteren zij er, morgen de Koninklijke Harmonie Sint-Cecilia ter voorbereiding van hun optreden getiteld 'Europa leeft!', "een muzikale en culinaire rondreis doorheen Europa", en overmorgen begint men met de installatie van kunstwerken van liefst 42 plaatselijke kunstenaars.

Een fijn huis is het hier, een komen en gaan van oud en jong, schilders, zangers en blazers. Maar voor Frans is het toch een beetje een dubbel verhaal. De Cerf hangt af van Guldenberg. En het is dus dankzij het cc dat Frans hier nog elke week met zijn vrienden de keel kan komen smeren. "Het verschil is dat we er nu voor moeten betalen. Dit gebouw was van ons, allez, van de christelijke arbeidersbeweging ACW, de koepel waartoe wij behoren. Maar die heeft het verkocht aan de gemeente en in 1999 is dat het ontmoetingscentrum De Cerf geworden. Nu delen we het met anderen, wat niet erg is. Maar we moeten er wel voor betalen. Vroeger mochten we hier geen drank verkopen, nu wel, we drinken een pintje om het gebruik van de zaal te bekostigen. En vandaag ook omdat Marie er 68 wordt."

Wat was er eigenlijk voor de komst van de culturele centra, te velde in Vlaanderen? Was dat het Grote Gat? Het Culturele Niets? Zeker niet in Hasselt. In de al geciteerde brochure wordt precies de overvloed van het bestaande aanbod ingeroepen om de komst van het cultuurpaleis te rechtvaardigen. "In Hasselt grepen regelmatig culturele manifestaties plaats, naast de socio-culturele en culturele activiteiten in het centrum en de wijken. Hasselt heeft vier toneelgezelschappen. Het bekende Hasselts A Capella-koor trad geregeld op. Voordrachten door talrijke bonden, verenigingen en fondsen hadden plaats. Plaatselijke schilders stelden tentoon. Kleinkunstenaars kwamen vaak naar voren. Er was echter gebrek aan geschikte zalen."

En vandaar dus dat paleis: "Sober, evenwichtig en dynamisch van vorm, geen monumentaal maar een open gebouw. Het omvat één zaal van 840 plaatsen, één zaal van 350 plaatsen, één zaal voor bals, shows en modeshows, één tentoonstellingszaal, zeven zalen voor socio-culturele activiteiten, vijf zalen voor vergaderingen en feestmaaltijden, twee foyers, een café-restaurant. Op eenzelfde ogenblik kunnen 2.500 mensen aanwezig zijn zonder elkaar te storen."

Zonder elkaar te storen dus. Na de lofzang op het Stedelijk Kultureel Centrum volgt een hoofdstuk dat de kerk in het midden wil houden, tussen het oude en nieuwe culturele leven: "Wel kan al dat nieuwe de levenswijze van de Hasselaar enigszins veranderd hebben, zijn gehechtheid aan goede gewoonten en schone tradities is hij echter getrouw gebleven." Volgt een inventaris van traditionele evenementen: de wekelijkse dinsdag- en vrijdagmarkten, de jaarmarkten van carnavalsdinsdag en kermisdinsdag, de carnavalstoet, de mei-avondviering, de septemberfoor, de Sint-Niklaasstoet, de herdenking van de Boerenkrijg en natuurlijk de zevenjaarlijkse Virga Jesse-Feesten.

Begin dat maar eens te verdringen, mocht je het al willen. Maar hoe zit of zat dat op het platteland, in kleinere gemeenten? Kwamen cc daar soms als een olifant in een porseleinkast terecht?

"In het begin was het inderdaad soms op eieren lopen", zegt Geert Knockaert. "We hebben hier lang geaarzeld om met een eigen programmering te beginnen om de bestaande lokale culturele krachten niet voor het hoofd te stoten. Wij waren er niet om zelf iets nieuws te brengen. Dat was het idee-fixe toen: 'Zo'n cultureel centrum, dat zal het verenigingsleven wegdrukken.' Maar nu, na al die jaren, is het veeleer omgekeerd: omdat wij er zijn, krijgen sommige verenigingen weer zuurstof.

"Er waren veel verzuilde verenigingen, die allemaal hun eigen lokalen hadden, maar cc Guldenberg kwam er in het bijzonder voor de vele verenigingen die niet in een zuil actief waren en ook geen eigen infrastructuur hadden. Ook de amateurkunsten, de toneelkringen en de muziekverenigingen waren vragende partij voor een goede zaal. Guldenberg was er ook voor organisaties als de Gezinsbond of de AA-club, bloemschikverenigingen, computerclubs enzovoort.

"De evolutie is nu al zo ver gevorderd dat de zuilverenigingen hun eigen infrastructuur hebben afgebouwd en onze faciliteiten gebruiken. Zo is het pluralisme, dat in het begin een idee was, vanzelf een gebruik geworden.

"Wevelgem heeft vandaag nog altijd vier toneelkringen en drie muziekmaatschappijen. Onze rol heeft er niet alleen in bestaan dat we wat er bestond aan lokale cultuur plaats hebben geboden, we hebben er indirect ook het kwaliteitspeil van opgekrikt. De amateurkunsten moesten zich ook professioneler gaan opstellen. In een parochiezaal steekt het niet zo nauw, maar hier zijn klank, licht, podium en publiekscomfort state of the art. Dat scherpt de kwaliteit aan. Wie met goed materiaal kan spelen gaat ook inhoudelijk de lat hoger leggen."

Ook in Willebroek gaat het er zo toe. Ook daar is het soms op eieren lopen om het bestaande niet af te breken zonder ook iets op te bouwen. "We hebben nu een workshop improvisatietheater", zegt Griet Ivens, directeur van cc De Ster. "Met een lage drempel voor wie in het amateurtoneel actief is. Die verenigingen hebben nog wel volk in de zaal omdat ze een vaste fanclub hebben, maar ook dat neemt af. Dat is vaak toneel van de oude stempel, van het genre huiskamerdecor. Ik wil dat niet zonder meer afbreken. Wel hoop ik al doende mensen te kunnen tonen hoe ze de lat wat hoger kunnen leggen."

Zondag. Feestzaal en volkshuis De Roos in Willebroek. De acteurs van toneelgezelschap Pierlala, een van de drie amateurgezelschappen in Willebroek, sijpelen binnen. Over anderhalf uur moeten ze op de planken staan. Voor de derde vertoning deze week al van Zie ginds komt... de baby, blijspel in drie bedrijven. Pierlala maakt deel uit van de Arbeiders Toeristen Bond (ATB). Dat is rood, zoals de gemeente vanouds en in hoofdzaak zelf politiek gekleurd is. Daarom spelen ze ook in De Roos. De Roos is De Roos, en De Ster is De Ster. Sinds 1997 is het cultureel centrum van Griet Ivens gehuisvest in een oude opgeknapte brouwerij aan het kanaal dat Willebroek doorklieft. Maar voor podiumkunsten wijkt De Ster ook uit naar de feestzaal van het gemeentehuis, waar ook die van De Roos soms optreden. Op dezelfde planken, toch heel gescheiden werelden.

"Nee, er is geen contact tussen ons en het cultureel centrum", zegt Swa Van Gompel, regisseur van Pierlala en voorzitter van ATB De Natuurvrienden Afdeling Willebroek, want ATB heeft vele disciplines en interesses. "We zien elkaar wel op de cultuurraad van de gemeente, maar dat is het dan. Ik kom wel eens in het cultureel centrum als bezoeker. Wij doen het onze, en zij het hunne. Zij doen meer vernieuwende dingen. Pierlala is zuiver amusement. Iedereen die bij ons wil spelen mag dat. Iedereen mag op de scène. We zitten ook op verscheidene locaties. Wij spelen hier in De Roos, behalve als we showavonden doen met zang en dans, dan is het hier te klein en wijken we uit naar de feestzaal of kasteel Bel Air, twee locaties die het cultureel centrum ook gebruikt. Maar we zitten niet in elkaars vaarwater. Niet qua programmering en niet qua timing: bij ons is het altijd in het weekend, bij hen is er ook veel tijdens de week."

Op een andere locatie dus, in De Ster, en een ander moment vertelt Griet Ivens over haar eerste indrukken toen ze elf jaar geleden als buitenstaander in deze lokale gemeenschap afstapte. "Het was geen vanzelfsprekende zoektocht. Het was trekken en sleuren om mensen hier naartoe te krijgen. Willebroek heeft zijn industrieel verleden, hier aan het kanaal, het was een arbeidersgemeente, en het had een sterk verenigingsleven. In 1994 was dat nog sterk verzuild. Toen ik hier begon, dacht ik: 'Dat wordt mijn publiek'. Maar dat werd het niet. Het is wel een zeer geëngageerd publiek, maar dat engagement situeert zich op een vrij kleine kluit. En dus verliep de zoektocht naar een vast publiek helemaal niet vanzelf. Wie hier in de gemeente al aan cultuur deed, buiten het verenigingsleven, die had sowieso de weg al gevonden naar Mechelen, Brussel of Antwerpen.

"Ik heb toch wel wat weerstanden moeten overwinnen. In de wandelgangen van de gemeente heb ik de naam te alternatief en te elitair te zijn. Ik probeer nochtans wel degelijk rekening te houden met de gevoeligheden van de streek. Zo heb ik bewust Antje De Boeck, die van de streek is, geprogrammeerd. Dat maakt iets los, iets dat echt volks is en tegelijkertijd integer en kwaliteitsvol. Als je op die manier een zenuw kunt raken, ja, dat is mooi."

III. VAN 'IK VERTIK HET OM K3 TE PROGRAMMEREN' TOT FLYERS VOOR WIE HET AL WEET

Die zenuw te raken. Het leidt je inderdaad overal in Vlaanderen altijd tot dezelfde vermoeiende en belegen discussies. Genre: elitair versus populair, oppervlakkig versus gelaagd, kwantiteit versus kwaliteit.

In de jaren tachtig stokte de intellectuele drukdoenerij een beetje. Het leek zowaar beslecht, te oordelen naar de schaamteloos ontoegankelijke exhibitie van kunst op de televisie: we kregen IJsbreker, Container en Kunstzaken. Censydiam bestond nog niet.

Maar in de jaren negentig laaide het non-debat toch weer op. Deuren moesten open, wie met gemeenschapsgeld grote C produceerde of presenteerde, moest zich verantwoorden. Of dachten de heren en dames van het culture veld misschien dat het alleen de politiek was die zich om de kloof met de burger te bekommeren had? Kwamen dus terug, al die dilemma's die er eigenlijk geen hoefden te zijn. Want het is toch zonneklaar dat je met K3 wel heel veel mensen kunt verzamelen, maar daarom nog geen gemeenschap vormt?

"Goh, die verantwoordingsplicht", zucht Griet Ivens. "Als ik K3 op de affiche zet, moet ik mensen de toegang weigeren, want dan heb ik plaatsen te kort. Als je bomvolle zalen wilt, moet je plat commercieel programmeren. Maar dat vind ik de taak niet van een cc. Het wil niet zeggen dat ik niet zoek naar voorstellingen die toegankelijk zijn. Een monoloog van Bob De Moor bijvoorbeeld, dat is volks, toegankelijk, toch niet platvloers. Als ik trouwens te commercieel programmeer, is mijn budget na één of twee optredens op. Ik héb de vraag gekregen: 'Waarom doe je niet eens Rob de Nijs?' Om uit de kosten te geraken, zou ik 25 euro toegang moeten vragen. Dat is dan wel volks, maar is het ook democratisch?

"Deze gemeente feest graag en volks. Er is de traditie van de jaarmarkt, al 125 jaar, en er is de carnavalstoet. De laatste tijd probeer ik in dat gemeenschapsgebeuren te infiltreren. Tijdens de jaarmarkt zijn mijn zalen bezet. Alle organisaties doen dan mee. En we trekken zelf mee de boer op. We kruipen niet ergens weg in een zaaltje, we brengen straattheater. Mee de cafés in, mee het stationsplein op. Voor theatervoorstellingen blijft het moeilijk om de mensen er naartoe te krijgen, dat wel. Ik heb mij daar al suf over gepiekerd."

Dertig jaar na de eerste centra met hun drieledige missie - "democratisering, pluralisme en volksverheffing" - gaat ook in Wevelgem de zoektocht verder.

"We brengen niet de grote Cultuur", zegt Knockaert. "We brengen niet het experimenteelste van het experimenteelste. Wel de betere ontspanning, toegankelijk maar ook niet de dijenkletsers."

De Wevelgemnaren mochten in 2003 mee prakkiseren over de opmaak van het gemeentelijk cultuurbeleidsplan. Rondetafelgesprekken, webfora, discussieplatform en tevredenheids- en publieksonderzoeken vormden samen de bouwstenen. "Natuurlijk", zegt Knockaert. "Je bereikt daar vooral de mensen mee die al naar je cultureel centrum komen."

En die mensen buigen zich mee met de verantwoordelijken voor het cultuuraanbod over varianten van immer dezelfde vragen: hoe bereiken we meer mensen?, moeten we de kunst naar de mensen brengen of omgekeerd?

IV. 'OOK AL KOMEN DE MENSEN NIET, ZE ZIJN TEVREDEN WANT ER GEBEURT IETS'

Rare dingen kan cultuur met een mens doen. "Ook al komen de mensen niet naar je zaal, het wil niet zeggen dat je aanwezigheid in de gemeente niets betekent", zegt Griet Ivens. "Ik heb het al vaker meegemaakt. Ze komen niet, maar ze zijn toch tevreden want: 'Hé, er gebeurt iets in mijn dorp'."

In heel volkse taal, maar wel in een stedelijk kunstig ogende brochure, prijst cc De Ster zichzelf het dorpsgebeuren in. "De jaarmarkt is een jarenlange traditie met paarden, koeien, kermis, bier, veel volk en ambiance op straat. Willebroek feest en wij doen mee!"

Het klinkt een beetje smekend als: 'A.u.b., mogen we meedoen?'

"Als professioneel cultuuractor word je toch altijd een beetje als pottenkijker gezien", zegt Griet Ivens. "Ik ben niet van hier. Dat is een voordeel. Je bekijkt het met andere ogen. Toen ik hier van start ging, dacht ik dat het al een verdienste zou zijn als ik het een paar jaar uitzong. Veel leek er mij met deze gemeente op het eerste gezicht niet aan te vangen. Tot ik beter ging rondkijken. Ik ben hier nu elf jaar en nog elke dag zie ik schitterend onontgonnen terrein. Maar je moet weerstanden overwinnen.

"Dit dorp was rond de vorige eeuwwisseling een dorp met grandeur. Het had veel industrie, het was het centrum van de streek, Puurs en Bornem was het ommeland, dat waren de velden. Maar gaandeweg is dat ommeland het hart van de streek geworden en is Willebroek op zijn lauweren gaan rusten. Nu doet de gemeente ernstige pogingen om het roer om te gooien. Het oog van een buitenstaander zoals het cultureel centrum kan daarbij nuttig zijn. Willebroek heeft troeven, maar ze zijn niet zo zichtbaar als in Brugge. Je moet de parels gaan zoeken. En als je hier geboren en getogen bent, zie je ze niet meer. Een buitenstaander kan verrukt zijn over een oud, leegstaand fabriekspand, en zo hebben we er hier heel wat. Je kunt in zo'n pand geschiedenis en toekomst zien, maar bij wie hier woont, roept het in eerste instantie vaak niet meer op dan bijvoorbeeld de sociale ellende die gepaard ging met de neergang van de industrie. Voor Pier, Pol of Jan kan dat mooie pand vooral herinneringen oproepen aan hun kapot gewerkte rug. In hun ogen is zo'n site een kanker, iets waarvan ze zich hoofdschuddend afvragen waarom het nog altijd niet afgebroken is. En vervangen door propere en gerieflijke appartementen. Zoals ze er hier nu voor onze neus gezet hebben, tussen De Ster en het kanaal."

Ze wijst door het raam naar buiten.

"Dat kanaal, 455 jaar ligt het daar, dwars door Willebroek. Dat kanaal is indrukwekkend, kun je veel mee doen, maar je let er amper nog op als je er je hele leven woont natuurlijk. Er passeren soms enorme zeeschepen, die boven de nok van dat spuuglelijke blok appartementen uittorenen. Dan staan we hier ook allemaal als kinderen te gapen voor het raam.

"Er is zoveel potentieel dat je moet leren zien. In Willebroek-Noord staan kathedralen van de arbeid. Er is hier een architect in dienst van de gemeente, en die ziet het wel. Hij is zeer bekwaam, maar ook een beetje verbitterd. Als een Don Quichot moet hij vechten tegen het gebrek aan visie, van al die politici die vooral stenen en te verzilveren vierkante meters grond zien, kansen voor projectontwikkelaars. Die architect heeft een enorm interessante vondst gedaan. Een opslagplaats van een oude tegelfabriek. Gesloten na de Tweede Wereldoorlog en nagenoeg onaangeroerd zoals op de laatste werkdag blijven staan. Art nouveau, met veel hout. We lobbyen nu mee met de architect van de gemeente om dat unicum te laten beschermen.

"Voor de gemeente zijn zulke sites een doorn in het oog. Want de mensen klagen erover. Proberen dat kwade oog om te buigen, dat is deel van ons werk. Als het lukt, weet je dat je iets betekent in deze gemeenschap. We hebben onlangs een expositie over Natuur en Industrie op poten gezet, met kunstenaars en ingenieurs. Ook dat was een manier om in deze gemeente te infiltreren. Willebroek heeft veel oude en vervuilde industriële sites maar ook heel wat groen. We zijn met al die kunstenaars bedrijven gaan bezoeken: papier, metaal, textiel, constructie... Dat was magnifiek, voor alle betrokkenen, voor de kunstenaars, de ingenieurs en de bedrijven.

"Voetje voor voetje, terrein verkennen, grenzen verleggen, dat is de kunst. Weet je wat ze bij de technische dienst van de gemeente dachten over dit gebouw hier, deze oude brouwerij? 'Leg er een bom onder.' Toen zou het een brouwerijmuseum worden, uiteindelijk is het gelukkig ons huis geworden. Als de gemeente vandaag hoge gasten ontvangt, is dit hier een van de eerste plekken waar ze halt houden."

Het zijn dus niet alleen Pier, Jan en Pol die zich kunnen laten 'verheffen' door de culturo's van de gemeente. Ook de gezagsdragers steken er iets van op, als ze willen, als ze er zich voor openstellen. Zoals het in Wevelgem niet alleen 'het gebuurte' is dat tot wat gemeenschapszin bewogen 'moet' worden. In Menen lukte dat zoals gezegd niet al te best. Maar hier in Willebroek wel.

"Het was een van de mooiste, rijkste momenten van de afgelopen tien jaar", zegt Griet Ivens. "Te noorden van Willebroek staat al vele jaren een zwembad leeg te verkommeren. Zwembad De Schalk. De gemeente wil het afbreken, want het staat in de weg. Het lucratieve wenkt, de projectontwikkelaars dienen zich aan. Maar vorige zomer gebeurde er iets. Toen hebben we dat gebruikt als locatie voor een totaalgebeuren onder de noemer Eclips. Expositie, sport, culinair. Er werd volleybal gespeeld op de bodem van het zwembad, er waren streekgerechten, aspergesoep uit Puurs, streekbier en schep - stoofpot van paardenvlees - uit Willebroek. Dat was zo'n succes dat de bevolking bijna een petitie wilde starten voor behoud van het zwembad. De burgemeester was op de opening en hij werd daar constant over aangeklampt. Hij kwam toen naar mij: 'Wat is dat hier allemaal?' Dat gebeuren was misschien niet zijn dada, maar hij kwam en zag het volk en de ambiance. 'Allez, er is precies toch een markt voor', zei hij. Ik hou daar wel van, van die confrontatie tussen het artistieke en het nuchter zakelijke."

Het zwembad staat er nog altijd. Nog altijd even verkommerd. Van het project is niets materieels meer overgebleven behalve het woord Eclips op de gevel. Maar het heeft wel degelijk plaatsgevonden. En het vindt nog altijd plaats in de hoofden van wie er bij was. Dat heb je met goede cultuur: als het uit het straatbeeld verdwijnt, gaat het nog een tijdje mee in de geesten. Hoe hoger de kwaliteit, hoe langer. Bij Pier, Jan en Pol. En bij de burgemeester. Dat is het imaginaire, het absoluut onmeetbare, de verbeelde gemeenschap waaraan culturele centra overal te velde dag na dag werken. Als het goed is.

V. 'KUNST, JE GAAT ER NIET VAN DOOD ALS JE HET NIET HEBT'

Al ziet er maar één het licht, al roept er maar één eureka, het is met creatie zoals met destructie: wie één mens doodt, doodt ze allemaal, wie er één redt, redt ze ook allemaal. Haal dat maar eens uit de jaarverslagen, meneer de cultuurambtenaar!

"Waarom doe je het? Ja, dat is een goede vraag", zegt Griet Ivens. "Het heeft zijn momenten van verrukking en van vertwijfeling. De ene keer denk je 'wow!', de andere keer 'wat voer ik hier eigenlijk uit?'. Veel mensen zeggen: 'Kunst, je gaat er niet van dood als je het niet hebt'. Het is ook vanuit die visie dat je deze job moet doen. Die paar mensen die je kunt bereiken, soms met kleine ingrepen, daar gaat het om."

Dit is het verhaal van Dora. Dora woont in Willebroek, ze is 51 jaar, studeerde secretariaat moderne talen. Dora is gehuwd met een industrieel vormgever. Samen richtten ze een grafische firma op, voor drukwerk en een huis-aan-huisblad. Dat laatste hebben ze van de hand gedaan en daardoor kreeg Dora meer vrije tijd. Ze ging haar licht opsteken in cc De Ster. En ze schreef zich in voor een cursus kunstgeschiedenis. Sindsdien mist ze geen enkele tentoonstelling meer, in Willebroek en ver daarbuiten.

"De belangstelling voor kunst is er altijd wel al geweest", zegt Dora. "Ik was een jaar of zeventien en mijn toekomstige echtgenoot was bezig met vormgeving, dus hij had er wel oog voor. Hij was de kenner, ik luisterde geboeid. Maar hoe gaat het leven? Je begint te werken, er komen allerlei beslommeringen, en aan kunst kom je niet meer toe. Op reis met mijn man gingen we wel nog naar tentoonstellingen, maar als je er niet genoeg van af weet, ontgaat er je ook veel. Nu is het omgekeerd. Nu ben ik er fanatieker mee bezig dan mijn man. Het fanatisme van de bekeerling, zeker? Nu zie ik soms wat al die tijd aan mijn aandacht is ontsnapt. Mijn man maakt er wel eens grapjes over. 'Kan ik er aan doen', zegt hij, 'dat uw ogen nu pas opengaan!'

"Onze relatie is altijd goed geweest, maar het kan er alleen maar op verbeteren als je nog meer te delen hebt. Laat het mij zo zeggen. Sinds ik de deur van het cultureel centrum binnen ben gestapt hebben mijn man en ik na twintig jaar huwelijk weer meer te vertellen tegen elkaar."

Zet maar een streepje in de boekhouding van de gemeenschapsvorming, daar in cc De Ster in Willebroek, eentje voor Dora.

En in Wevelgem eentje voor de pepe en de meme van ene Zjemtote uit Mworsjile (Moorsele), want hij of zij schreef naar Geert Knockaert: "Waar ik in geloof, is dat hoe meer mensen je er kunt bij betrekken, hoe meer volk je krijgt want de mensen die meehelpen in uw cultuurcentrum komen al zeker, maar ze stoefen ook dat ze meegewerkt hebben tegen hun familie en hun vrienden, en dan verkopen ze nog eens een kaartje aan de meme en pepe en zo is het vertrokken hé."

Epiloog. Voor die ene vrouw die in 1998 in Ronse in de halfvolle zaal heeft gezeten waar Herman Brusselmans voorlas uit Bloemen op mijn graf. Ergens in Ronse moet ze haar leven leiden, die ene vrouw die elk woord onthouden heeft, lang nadat het licht in de zaal gedoofd was. Die ene vrouw die enkele minuten lang het gevoel heeft gehad dat Brusselmans voor haar alleen 'Slepende vrouwen' voorlas. En voelt het zo aan, dan is het ook zo. Dat heet verbeelding. Ze is machtiger dan welke minister van Cultuur ook.

"Soms huilen vrouwen weleens. Als ze huilen kunnen ze zo enorm mooi zijn. Huilen omdat hun prachtige twijfels hun te veel worden. Wat kan een man doen als een vrouw huilt? Met haar meehuilen. Maar makkelijk is dat niet. Het wordt een man zelden aangeleerd. Mijn moeder huilde vaak. Ik heb mijn vader, nochtans geen slechte man, nooit met haar zien meehuilen. Mijn moeder had prachtige twijfels. Ze heeft ze niet overleefd. Mijn moeder was de mooiste slepende vrouw die ik ooit heb gekend. Ik denk vaak aan haar. En dan huil ik weleens. Alleen. En dan denk ik: ik ben een man en ik wil lief en goed zijn voor alle slepende vrouwen ter wereld."

Misschien heet ze Amelia. Misschien woont ze wel in de wijk Stookt. Ik ken die wijk een beetje. Er is één café. Ik kwam er op een namiddag in de week voorbij. Het café was open en leeg. De bazin was alleen en ze zat stilletjes mee te neuriën met een Frans chanson. "Tous les oiseaux sont partis, à Paris." En verder was er niets in de wijk Stookt, voor wie niet goed kijkt. Verder was er geen bedrijvigheid te bespeuren, op één superette na. Arbeidershuisjes met een voortuintje en achter de gevels menige slepende vrouw, zo durf ik te verwedden zonder ze gezien te hebben.

Dat ze daar in het cultureel centrum van Ronse maar een streepje zetten. Voor Amelia. Ter attentie van de minister van Cultuur.

"Kunst op straat moet best wel kunnen", schreef Anoniem naar Geert Knockaert. "Maar naar mijn mening zou het geld dat voor die kunst te plaatsen gebruikt wordt vééél beter op een andere manier besteed worden!"

"Dat het de moeite waard is, peins ik", beeld ik mij in dat iemand anders zou kúnnen zeggen. "Al dat overheidsgeld, al die lelijke rode bakstenen, al dat glas. Dat het dat zeker waard is, al heeft het dan dertig jaar geduurd vooraleer het tot bij Amelia kwam."

Het is niet voor niets geweest. Al ziet er maar één het licht.

Deze tekst verschijnt op vrijdag 17 juni in uitgebreidere versie in Verzameld Werkt, 30 jaar culturele centra, een uitgave van Cultuur Lokaal, 23 euro, Arenbergstraat 1 D, 1000 Brussel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234