Donderdag 21/11/2019

Al spelend door het leven

'Ik vind dat alles wat ik in het theater of de film doe, pas goed kan zijn als het mijn leven verandert. Daar wil ik echt categorisch in zijn'

Betty Mellaerts praat met Dirk Van Dijck

Foto Stephan Vanfleteren

'De meeste dingen in mijn leven komen mij aangewaaid. Ik wuif ze weg of neem ze aan, maar daar heb ik geen strategie voor. Mijn hele wankele punt is: na 49 jaar weet ik nog altijd niet hoe ik precies in mekaar zit. Een acteur splitst zichzelf al op, maar nu bevind ik mij ook buiten het theater in een schizofrene situatie. Op één enkele filmopdracht na, heb ik de afgelopen zeven jaar niet meer gespeeld. Sinds die tijd leef ik op een afgelegen plek in Brazilië. Ik had daar een kleinschalig en persoonlijk ontwikkelingsproject opgezet. Aanvankelijk had ik het werk op twee of drie jaar geraamd, het zijn er zeven geworden en we hadden nog een jaar of twee nodig, maar ik ben eruit gewerkt, kreeg mijn verblijfsvergunning niet verlengd. Ik ben hier dus niet helemaal vrijwillig.

"Al die jaren heb ik op de rand van de wereld, de beschaving, de toegankelijkheid, de communicatie geleefd. Met één been zit ik er figuurlijk nog en met het andere sta ik in Brussel toneel te spelen, het meest flagrante tegenovergestelde. Je confronteert jezelf met een zaal van twintig, vijftig, honderd mensen en maakt je wijs dat wat je samen met anderen bedenkt, de communicatie met dat publiek waard is. Dat gegeven is heel vreemd, maar ik moet hier simpelweg leven. Ik zou een paar uur vol kunnen praten met de spannende eerste momenten in het oerwoud, de wilde dieren, de muggen, de malaria, maar dat is de anekdotiek van caféverhalen. Die wil ik niet. Ik vind dat alles wat ik in het theater of de film doe, pas goed kan zijn als het mijn leven verandert. Daar wil ik echt categorisch in zijn. Ook dit gesprek moet mij straks op een andere manier naar mezelf laten kijken. Ik moet er beter van worden, anders vind ik het flauwekul.

"Ik speel echt graag. Een verzameling mensen naar je doen luisteren, dat is toch wel iets. Of doen lachen, zeg, dat blijft iets om te willen. Als kind zat ik op internaat, ik was een jaar of negen. In het weekend mochten we naar een film kijken. Om de externen te laten deelnemen aan onze avonturen mocht een van de leerlingen de film in de klas vertellen. Als het mijn beurt was, dacht ik: dit doe ik zo graag. Niet lang daarna mocht ik in het schooltoneel. Een dronkelap die geweigerd wordt aan de hemelpoort. Die te mogen spelen in een katholieke school op tienjarige leeftijd, dat was een buitenkansje! De theatertekst van Jef Aerts gaat, om het ongenuanceerd te zeggen, over dromen en het al dan niet realiseren ervan en het koesteren van illusies. Daarmee kan ik, letterlijk al spelend, wel even aan de slag."

'Eind jaren zestig, toen ik van de middelbare school kwam, had ik zin in toneel, maar mijn ouders wilden dat ik naar de universiteit ging en ik had absoluut niet de guts om daar een punt van te maken. Ik had geen wetenschappelijk talent, dus ging ik rechten studeren. Ik had een aantal idealen, ik zou mij specialiseren in strafrecht, de kant van de zwakke kiezen. Na vijf jaar wist ik: dit kan ik niet, ik word zeer ongelukkig als ik probeer om in deze wereld overeind te blijven. Ik heb het heel lastig met mensen of structuren waarvan ik denk dat ze mij mijn bewegingsvrijheid willen ontnemen. Recht is één en al procedure en afspraken. Ik was bang dat het een ander mens van mij zou maken dan ik wou. Niet dat ik wist of weet wat ik dan wel zou willen, maar als iemand mij in een richting begint te duwen, denk ik: dit zeker niet.

"Na de studie rechten vond ik, zoals elke hippie eind jaren zestig, dat ik moest zien hoe het leven verliep zonder geld. En dus trok ik met een rugzak de wereld in om in het zuiden op het land te gaan werken. Ik werkte hier of daar een paar maanden, niet te lang, want je mocht je niet echt engageren, je moest blijven zoeken. Leven bij de dag en onderweg kwam je altijd wel gelijkgestemden tegen. Flauwekul, clichés, maar precies, het was er de tijd voor. En het was net als met mijn studies: meedrijven met de stroming. Intussen ben ik gelukkig wat kritischer geworden, maar fysiek werk, buiten, ik ben er nog altijd gek op. Het is de tegenstelling in mij. Rationeel zoals in mijn studiekeuze, maar tegelijk niets liever doen dan mezelf met een houweel op een stuk wilde grond te pletter werken. En ik ben niet van plan om te zeggen: het is maar eens tijd om de resterende jaren één richting te kiezen.

"Het was helemaal niet zo zeker dat ik zou terugkomen van die reis, het kwam toevallig zo uit. In 1974 was België een tussenstop, met Zuid-Amerika als einddoel, de plaats waar ik twintig jaar later door een toeval ook echt terechtgekomen ben. Twee jaar lang had ik het landleven geïdealiseerd. Weinig verdienen, tevreden zijn met een stuk brood en goedkope tafelwijn in plastic flessen. Maar hier ziet de wereld er helemaal anders uit, een aantal maanden werken brengt heel wat meer op. Zoveel meer dat de wereld te veel een groot feest begon te worden. Ik ging in de haven in Antwerpen werken, in de dokken. Lossen en laden. Ik ging helemaal in dat leven op. Een beetje belachelijk macho, met de typische puntzak over mijn hoofd, balen maïs en meel dragen van hier naar daar, mooi stapelen, verstand op nul. Daar word ik zo rustig van. Maar na een aantal jaren van soberheid waren de vleespotten heel dichtbij. Ik ging zwaar uit en dronk veel, het liep uit de hand. Een van mijn broers heeft dan eens in vijf minuten mijn leven samengevat en daarover heb ik toch even moeten nadenken. Daaruit is een toneelopleiding in Brussel gevolgd en die gaf me enkele jaren de tijd om te zien waar ik terecht kon komen.

"Ik heb in het theater fantastische mensen ontmoet: Jan Fabre, Sam Bogaerts, Jan Decorte, Luc Perceval en Jan Lauwers, maar toen die met de Needcompany begon, sloot ik een periode af. Het was mij te groot, ik dacht: laat ik eens kijken of we zelf een huisje kunnen bouwen. Met twee vrienden, Johan Dehollander en Ryszard Turbiasz, heb ik een jaar of elf geleden een toneelgroepje opgericht, de Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele. De naam hadden we gepikt van Daniil Charms en ook het idee dat het kleine moet leiden tot iets universelers. Daarmee is veel over ons gezegd. Een paar jaar later hielden we ermee op, al bestaat de Vereniging nog altijd. Daarna ging ik niet weer zomaar werk zoeken als freelancer. Ik kan me niet in een theateravontuur storten met mensen van wie ik de achtergrond niet ken. Bij film gebeurt dat wel eens, dan volstaan één of twee gespreksrondes om te voelen of het met de anderen klikt, maar bij theater zit je toch wel een paar maanden heel dicht op elkaar. Ik moet mensen al lang en goed kennen om een min of meer normaal sociaal gedrag te kunnen vertonen. Hoe dat komt, weet ik niet. Laten we zeggen dat het met behoefte aan nestwarmte te maken heeft. Bovendien hadden we thuis niet echt een open praatcultuur. Aan tafel werd niet alles tegen iedereen eruit gegooid, er werd gegeten, het gevolg van een te druk leven van middenstanders. Ik vind dat allemaal niet erg, hè, ik stel alleen vast dat het zo was. Op een bepaald moment kwam de uitlaatklep van het theater. Via de omweg van de tekst en het personage, de kostuums en de grime kon ik meer over mezelf kwijt dan onder vier ogen. Wat ik wel vaker hoor bij collega's. Een aantal jaren geleden schermde men in het theater graag met het woord kwetsbaarheid. Dat heb ik nooit begrepen. Kwetsbaar is die jongen of die vrouw achteraf, aan de toog of op straat, in gesprekken, maar toch niet op het toneel? De acteur bepaalt zelf de mix van fictie en realiteit en is ook de enige om de code daarvan te kennen. Ik kan de meest verschrikkelijke dingen op mijn geweten hebben, ze uitbrullen tegenover het publiek, maar niemand weet wat echt is of verzonnen. Ik heb het perfecte alibi, de complete vrijheid om mezelf onafhankelijk te verklaren tot in het waanzinnige toe en niemand zal me daarom bestraffen. Ook gekraakt worden nadien, vind ik oké. Ik heb mezelf wijsgemaakt: zeven jaar in het oerwoud, wat kan me nu nog overkomen? Wijsgemaakt, want zeker weet ik het niet.

"In 1990 had ik even geen engagementen meer in het theater en wou ik, samen met een ander ex-lid van de Needcompany, een jongensdroom waarmaken: te voet van de monding van de Amazone over de Andes tot aan de Stille Oceaan. Omdat we onze route vooraf niet echt hadden uitgestippeld, zeiden we op een dag, kijkend naar die immens grote kaart: hier, de Pico da Neblina, het hoogste punt van Brazilië, die gaan we beklimmen. Onnozelaars! We wisten niet half hoe we er moesten geraken. Uiteindelijk zijn we toevallig bij de Yanomami-indianen geraakt, aan de voet van de berg. Maar wat wij dachten dat een natuurreservaat was, bleek in werkelijkheid een mensenreservaat te zijn. Als er iets is dat ik verschrikkelijk onbeschoft vind en absoluut te mijden dan is het primitieve medemensen gaan bekijken, maar we wisten het echt niet. We hebben de berg niet beklommen want we hadden er geen toestemming voor gevraagd en we moesten er weg. We maakten ons op om 's anderendaags te vertrekken, maar er werd druk overlegd in het dorp. Via een Portugese tolk kon ik de gesprekken volgen en daaruit werd mij een verhaal van uitbuiting duidelijk, alweer een cliché! Een plaatselijk politicus had het dorp in ruil voor stemmen een vrachtboot beloofd. Daarmee konden de inwoners hun vruchten gemakkelijker naar de markt vervoeren, wat ze tot dan toe met de peddel hadden gedaan. Verkiezingen zijn afgelopen, mijnheer is verkozen en laat weten: boot ligt klaar. Afvaardiging van dorp naar stad, ze willen vertrekken, maar boot heeft geen motor. Die was niét beloofd. Dat soort man, begrijp je? Wel, daar kan ik niet mee lachen. Daar kan ik verschrikkelijk kwaad om worden en dan vind ik dat ik iets moet doen. Zonder echt op mijn woorden te letten hoor ik mezelf zeggen: ik beloof binnen dit en acht maanden voor jullie een binnenboordmotor te kopen. Ik kon aan hun gezicht zien: blanke man met bril, dat hebben we nog meegemaakt, daar komt niets van. Met hand en tand heb ik proberen uit te leggen dat ik het wel meende en beloofde terug te komen.

"Ik leerde een Vlaamse ontwikkelingswerker kennen, Simon Lefèvere uit Ieper, een fantastische man, die in het uitgestrekte reservaat woonde. Toen ik hem de toestand had uitgelegd, wou hij ons graag helpen en acht maanden later heb ik effectief een motor gekocht."

'Toen onze theatergroep twee jaar later stopte, hadden we wat spaarcenten. We beslisten om met een cameraploeg alsnog de berg bij de Yanomami te gaan beklimmen en een deel van ons budget in het dorp achter te laten, als vergoeding voor de hulp. Op prospectie voor die reis, was ik met mijn vriendin langs de rivier, het stroomgebied van de Rio Negro, naar Lefèvere gereisd. We voeren voorbij een aantal plekken waarvan we ons afvroegen: wat zouden we ervan denken om ons hier een tijdje uit de wereld terug te trekken? Ik weet wel wat er verderop allemaal in het regenwoud gebeurt, maar daar is het gebied onaangetast. De rivier is er in het regenseizoen kilometers breed, er staat zoveel onder water dat de bomen waardeloos zijn voor de houtkap.

"Die Vlaming had er een bijzonder leven opgebouwd met veel ideeën maar weinig armslag om ze uit te voeren. Wij beslisten om hem te helpen. We zouden er een basis maken met als achterland acht Yanomami-dorpen en de indianen helpen met het kweken van capivara's, zoiets als een uit de kluiten gewassen beverrat, zo groot als een varken, dat in het water leeft, heel lekker vlees heeft en makkelijk te domesticeren is. De producten die de mensen niet kwijt geraakten op de markt, konden ze aan ons verkopen als veevoer en wij zouden instaan voor de verkoop van het vlees. En verder zouden we zien wat er uit het bos kon komen om verkocht te worden, zoals gedroogde lianen waarmee je meubels kunt maken zoals met rotan. Dat economietje zou een duizendtal mensen onafhankelijk moeten maken van de missies en van liefdadigheid. In een aantal van die dorpen zitten nog missionarissen, niet helemaal in de oubollige sfeer van zieltjes werven, maar toch met de idee dat mensen broeken nodig hebben en dat zij hun die moeten géven. Ik zag wat mensen - met goede bedoelingen -, met andere mensen doen, en dat is heel bizar. Het leek alsof ik midden in de teletijdmachine van professor Barabas zat, een van mijn grote helden vroeger, maar dat dat nog bestaat! En dat mensen zo weinig nadenken!

"Op een stuk wereld waarvan je zelfs nog niet kon veronderstellen hoe het eruit zou zien, zijn we een huis beginnen bouwen met een gastenhuis en een opslagplaats. Dat is een van de meest bizarre momenten in mijn leven geweest. Het terrein stond vol wildernis. We gingen er met iemand naartoe die vroeg waar we ons huis gingen bouwen. Mijn vriendin en ik keken elkaar aan: ja, hier ergens. Met een kettingzaag hebben we met pijn in het hart een paar bomen geveld. Toen hadden we nog een overgevoelige, typisch West-Europese houding tegenover iedere boom en ieder dier. Alles zou met het nodige respect behandeld worden. Als uitgangspunt is dat niet slecht, maar erg realistisch is het niet. Tot het huis er stond, zijn we 's nachts bang geweest. Drie maanden lang sliepen we onder een open tentzeil. Bij het minste dat je in het donker hoort, weet je echt niet waar je moet kruipen en helden zijn we absoluut niet. Maar ook dat slijt, alles wordt gewoon. Je zou een grote pantheïstische visie kunnen ontwikkelen zo in het groen, maar de natuur zie ik als een ontzettend gevaarlijke kracht waar niet mee te lachen valt. Vanaf het moment dat je buiten het kleine terrein komt waar het gras kort wordt gehouden, kijk je uit waar je je voeten zet. Je weet dat het niet zo echt gek tegen moet zitten of er gebeurt iets fataals. Ik stap alleen in de natuur als het moet, en verder komt er bij ons thuis geen plant of bloem binnen, dat heb ik wel gehad. Ik denk dat je heel ver van de wereld moet zijn, figuurlijk dan, om daarvan in extase te geraken. Dat woud is ook niet bedoeld om belopen en bewoond te zijn. Ik heb ervoor gekozen, voor mij is het gemakkelijk, maar het is een waanidee te denken dat de natuurlijke habitat voor de indianen, die daarvoor niet uit vrije beweging hebben gekozen, ook maar het beste is voor hen. Mensen zien er geweldig af van de insecten. Er zijn tweeduizend malariagevallen per jaar, dat betekent dat iedereen twee keer ziek wordt. Ik ben geen specialist, maar ik zou denken: begin met de manier waarop ze wonen. Voor mijn huis heb ik in de stad een rol van vijftig meter muskietengaas gekocht. Natuurlijk breng je op die manier ideeën en technologie binnen in een cultuur. Maar ik ben blij dat ik niet meer als Ambiorix rond hoef te lopen en dat de Grieken en Romeinen, die eerst chaos hebben teweeggebracht, hun invloed hebben nagelaten. In het regenwoud geldt dat blijkbaar niet."

"De mensen die je leert kennen, jonge indianen, de camaraderie van dingen samen te doen. Dat is een onbeschrijfelijke weelde. Het is er zo immens groot en de rivier is zo waanzinnig mooi. Stroomversnellingen, uitstappen, uitladen, inladen, werken in zo een kader! Maar vanaf het moment dat het overweldigende went, begin je vooral cultuur te missen en uiteindelijk ben ik wel begonnen met boeken aan te zeulen. Het was duidelijk dat ik mijn eigen culturele bedje moest spreiden, anders was het leven er niet houdbaar. Hoe liefdevol de gesprekken ook zijn - en die heb ik beslist niet alle dagen nodig -, als ze alleen maar gaan over de stand van het water en het gebrek aan vis of wild, hou je het niet vol. Om de paar maanden gingen we naar Manaus, de hoofdstad van de staat Amazonas, een flink stuk groter dan Brussel, helemaal omgeven door oerwoud. Uit zijn voegen gebarsten ook en een cultureel rommeltje waar je helaas alleen maar Kung-Fu of Van Damme-films kon zien. Als je dan toch een goed boek in handen kreeg, kon je daar weer een half jaar mee verder.

"Nu zijn we in België, zonder noemenswaardige problemen, mijn vriendin en ik zijn heel wendbaar. Gsm's moet ik nog leren gebruiken, dat is in acht jaar tijd wel heel erg veranderd. Verder sta ik achter met computers, maar dat was al zo voor ik vertrok. Af en toe moet ik met de trein naar Brussel. Zo wil ik niet naar mijn werk gaan. De drukte kan ik wel aan, maar het gegeven is zo krankzinnig. Dat tussen zes en zeven zoveel mensen het station binnenlopen om in wagens vervoerd te worden. Ik geraak daarvan uit mijn evenwicht. Ik heb een bootje met een motor, vrijwel geen kleren aan mijn lijf. Heel simpel, ik besef het terwijl ik het vertel. Ik had me niet kunnen voorstellen dat het zo makkelijk zou gaan om de omschakeling van hier naar ginder te maken. Eigenlijk kan het verschil niet straffer en toch is het heel gewoon. Toneel is spelen, maar dat denk ik ook over het leven, hoe ernstig de bedoelingen ook kunnen zijn. Neem nu het project. Ik geloof niet in het verbeteren van de wereld. Ik heb geen oorlog meegemaakt, wat in een mensenleven toch een heel drastische ervaring moet zijn. Van bij het begin in Brazilië dacht ik: ik maak mijn eigen kleine wereldoorlogje. Ik hou het vier, vijf jaar uit, ik wil weten wat zo'n gevechtje tegen de wereld betekent. Wat het feitelijk niet is, natuurlijk, maar ik geef wat ik doe graag een etiketje voor op de speelplaats. Tegelijkertijd regisseur en acteur zijn, waardoor ik denk dat ik vrijer met de dingen kan omgaan.

"Ik geloof niet dat wij ons hebben opgedrongen. In het begin werden we heel raar bekeken omdat gringo's blijkbaar niet in een huis horen te wonen met een dak van palmbladeren. We wilden alles zo veel mogelijk puur natuur, niet omdat we groene jongens zijn, maar het spreekt vanzelf dat de vertrekbasis niet zo goed is als je een buurman hebt die niet hetzelfde heeft als wat jij hebt. Daarom hadden we ook geen elektriciteit, geen televisie. Die hebben we niet gemist, maar dat konden de mensen niet goed begrijpen. We bouwden ook een gastenverblijf voor hen. Dat hadden ze helemaal nog niet meegemaakt. Een indiaan kun je wel tolereren en eventueel achter in de tuin in een hangmat laten slapen, maar je bouwt er zeker geen slaapruimte voor en je vraagt hem niet op de koffie. Ik idealiseer hen ook niet. Ik vind het ook verschrikkelijk vervelend als ze me storen terwijl ik een boek aan het lezen ben, wat moeilijk is om uit te leggen. Daar hebben we een manier moeten voor vinden om dat toch duidelijk te maken.

"Mijn buren zijn ook nogal gewelddadig. Geschillen die nog niet eens zo vreselijk moeten zijn, worden allemaal duelmatig opgelost. Ze hebben vechtstokken waarvan de lengte vooraf wordt afgesproken, dat kan twee, drie meter zijn. De bedoeling is dat je mekaar daarmee om beurten op het hoofd slaat tot er iemand is uitgeschakeld. We hadden erover gelezen, dus ik wist wel dat het bestond. Af en toe ga ik in de dorpen helpen als er een boom is omgevallen die zo groot is dat ze een week met een bijl moeten kappen om hem uit de weg te halen. Dan ga ik langs met een kettingzaag. Op een dag kom ik daar aan en beginnen de mannen van het dorp zich vrij spectaculair te beschilderen, je zou voor minder uit hun buurt blijven. Ze hadden me niks gezegd, ik dacht: oei, dat zwart, hier staat iets te gebeuren. De chef, een van de meest vriendelijke, zachte, humoristische mensen die ik ken, begon onder invloed van een bepaalde drug aan zijn oorlogsritueel met een sérieux en een respect, goh, daar heb ik nogal zitten naar kijken. Maar ik wou het gevecht niet zien, ik ging weg. Zoveel desinteresse konden ze niet geloven. Hun reactie was, terecht: en jullie dan, met jullie snelvuurgeweren, is dat zoveel beter? Hier of daar kijken ze toch televisie, dus ze weten wel dat er mitrailleurs bestaan en dat we die gebruiken. Ik kon alleen maar uit mijn bek krijgen: neen, maar jongens, pas toch op!

"Mijn vriendin en ik wilden er blijven, maar op één voorwaarde: buiten het reservaat wonen. Net zo min als ik van andere mensen vind dat ze met mij moeten integreren, ben ik geïnteresseerd om in mijn blootje rond te lopen en een pseudo-indiaan te worden. Daarom gaat het zo vaak fout met mensen die denken dat ze antropologische bagage hebben. Ze gaan vanuit een soort liefde aan de slag, die ze god weet waar halen en houden het niet vol. Het primitieve trekt aan en dat verwarren ze met eerlijkheid. Ik heb nooit zulke fantastische leugenaars en geweldplegers ontmoet als bij de Yanomami. Bij ons is het tegenovergestelde gebeurd. Een aantal kinderen waren rond de tien jaar toen we er aankwamen, ze zijn nu zeven jaar ouder. Als ik aan hen denk, word ik helemaal warm. Ik ben van die mensen gaan houden en daar had ik niet zo op gerekend."

'Simon Lefèvere, die er op handen werd gedragen, is een jaar na onze aankomst vermoord tijdens een straatoverval in Manaus. Dat kwam dicht bij ons in de buurt, vooral mijn vriendin was geschokt. Heel even dachten we dat het project in het gedrang zou komen, maar wij hadden er al te veel van ons eigen geld in geïnvesteerd, we moesten doorgaan, het werk moest afgemaakt worden. Tot mijn eigen verbazing vind ik dat ik daarin ben geslaagd. Dat zeg ik omdat ik iemand ben die met het doel binnen bereik makkelijk zegt: nu houd ik het voor bekeken.

"Maar het is ook fout gegaan. Twee jaar geleden is er een heel royaal gesubsidieerde ontwikkelingsorganisatie beginnen te werken op de rivier waar ik woon. Er zijn ginder ongelooflijk veel ngo's, ze vechten om bevoegdheidsgebieden. Vermits ik al bezig was met een economische begeleiding en dat ook de bedoeling was van de organisatie, wilden we in overleg samenwerken. Maar heel wat mensen bombarderen zich tegenover de primitieve medemens tot geweten van het westen. Het Bokrijk-gehalte daarvan ligt verrassend hoog en de grens met paternalisme is heel moeilijk te definiëren. Het laatste bedrag dat de ngo van de Braziliaanse staat kreeg, is 32 miljoen frank, de pakketten onderwijs en economische begeleiding niet meegerekend. Elke indiaan, van klein kind tot de oudste grootmoeder die er rondloopt, heeft dus een subsidie van 32.000 frank per jaar. Daar kun je verschrikkelijk veel mee doen en ik heb veel aan te merken op wat daarmee gedaan wordt. Ik zie dat er veel motoren gekocht worden en computers voor de kantoren in het stadje. Wagens ook, om in de paar straten van de stad te rijden, want daarbuiten zijn er geen wegen. Zo'n organisatie moet dan ook nog eens hetzelfde hebben in Manaus en in het dorp waar de administratieve zetel ervan gevestigd is. Tegenover ons had de ngo van bij het begin veel wantrouwen omdat ze voelde dat ik niet graag zomaar bemoeiing van iemand anders in mijn leven wou. Daar had ik hen op gewezen. Zonder ons uit te nodigen om daarover te praten, vond men algauw dat wij de indianen te snel lieten evolueren. Als iemand het beu is om prentkaartgewijs in een kano te gaan zitten, dan is dat zijn goed recht, hadden wij altijd gevonden. Ik kocht geweren en motoren voor indianen als ze die bestelden. Zelfs een radio moest kunnen. De ngo vond van niet, het hielp de indiaanse cultuur bergafwaarts vonden zij en ze zouden allemaal uit hun verre dorpen naar beneden komen om daar comfortabeler te leven. Vrijwel alle families in onze buurt hadden intussen hun kleine motor, maar daaruit is niet gebleken dat het de vlucht naar de stad bevorderde. Ze communiceerden onderling makkelijker, dat wel. De inconsequentie is zo groot. De ngo importeert zonder reserves antibiotica in een cultuur die niet eens natuurgeneeskunde kent, alfabetiseert mensen die een fantastische orale traditie hebben, het meest ongelooflijke wat ik ooit op theatergebied heb gezien, al begreep ik er geen woord van.

"Ik moest weg en ze vonden een stok. Twee jaar op een rij was ik een aantal maanden weg geweest. Eén keer voor een film en één keer voor een theaterproductie met Jan Decorte. Ik heb zeven jaar lang niets verdiend, dus ik had af en toe een beetje zakgeld nodig. Dat kon niet, vond de ngo. Het meest onlogische wat je dan kunt doen, is iemand uit een project zetten, maar dat hebben ze uiteindelijk geprobeerd. Ik heb hun argumentatie niet aanvaard. Ze wilden ons weg omdat we te tolerant omgingen met de wensen van de indianen. Dat proberen ze nu te stoppen en daar ben ik zo kwaad om, daar ga ik mij nu blijven mee moeien. Daarom weet ik niet hoe lang ik volgend jaar nog in België zal zijn.

"Ik ben absoluut geen illusies kwijtgeraakt, ik maakte ze mij niet. Mijn huis aan de rivier en het project geef ik van mijn leven niet op. Dat is het enige waarvan ik vind dat ik het afgemaakt heb. Er wordt nu voor gezorgd door twee oude, ongeletterde mannen die ik al heel lang ken, maar die ik geen beleid kan toevertrouwen. Ik had gehoopt dat de ngo voor een betaalde vervanger zou zorgen, maar dat doen ze niet en bovendien nemen ze maar één onderdeel van de handel op de rivier over: de lianenproductie. De verkoop van landbouw- en artisanale producten moet ik van hieruit trachten te organiseren. Een moeilijke zaak, maar ik heb beloofd dat ik zou afmaken waar ik aan begonnen was. Dat heb ik dus ook maar te doen. En dat ervaar ik niet als een plicht."

'Vertezucht' is een voorstelling van Sofie Sente, Luc Nuyens, Dirk Van Dijck, Sharon Keating, Geert Ooms, Bibi, Karin Demedts, Stef Stessel en Jef Aerts, naar de gelijknamige roman van Jef Aerts. Productie: de Roovers Spelen vzw, coproductie: de Bottelarij / KVS, i.s.m. RITS en Monty.

Speelperiode: van 1 t/m 30 november, in de Bottelarij / KVS (Delaunoystraat 58, 1080 Brussel) telkens op dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag om 20 uur. Reservering: 02/412.70.70 - via www.kvs.be - Kunstencentrum Monty (03/238.91.81) - Voor alle info over de tournee: 03/235.04.90 (Thassos).

'Gsm's moet ik nog leren gebruiken, dat is in acht jaar tijd wel heel erg veranderd'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234