Woensdag 14/04/2021

Afvaljongeren, klaar om te recycleren

undefined

oor de buitenwacht bestaan Sint-Jans-Molenbeek en Sint-Joost-ten-Node alleen tijdens de uitbarstingen, de rellen, het politieoptreden. Maar wat is er dan echt aan de hand?

Op de hoek van de Kortrijkstraat en de Vierwindenstraat in Oud-Molenbeek zijn er in een bocht enkele vierkante meters straatstenen beschikbaar voor voetballertjes. Ze tonen er kunstjes en spelen er wedstrijdjes. Een ingenieuze, niet opdringerige omheining houdt de meeste ballen tegen. In andere gemeenten zouden deze vierkante meters niet volstaan. Er is inspiratie nodig om op dit scheve terrein wedstrijden te spelen, maar in de beperking toont zich het technische vernuft. Niet dat de voetballertjes veel kans maken om ooit bij Anderlecht te schitteren. Er is ook wat dat betreft niet veel doorstroming. Maar ze amuseren zich en ze veroorzaken, mede door de omheining, weinig overlast in de overbevolkte omgeving.

Op een dag heeft iemand een ijskast in de zone gedumpt, die twee derde van het veld blokkeert en het spelen onmogelijk maakt. De diensten reageren fluks. Een dag of twee later is de hindernis weer verwijderd. Wie redenen tot kwaadheid zoekt, moet in Molenbeek niet diep graven.

Ik vind die kwaadheid in gesprekken met jonge vrouwen die ik, misschien te oneerbiedig, thuisbreng onder ‘hoofddoek chic’. Die vrouwen gaan kleurrijker gekleed en ze zijn hoger opgeleid dan de meeste bewoners. Ze dwepen vaak met Tariq Ramadan, de controversiële Zwitserse pleitbezorger van een Europese islam. Ze maken carrière of hebben in elk geval redelijke perspectieven. Ze trotseren sommige regels van hun gemeenschap, trouwen buiten hun groep of geloven in homorechten en zien niet in waarom dit tegenstrijdig zou zijn met hun geloof.

Het zijn interessante vrouwen, die hun verhaal doen, soms in accentloos Nederlands. En dan komt na enige tijd de frustratie, zelfs kwaadheid, naar boven. Kwaadheid omdat iemand op de bus uit het niets tergende opmerkingen begon te maken. Of in het geval van Warda, omdat ze in de buurt van de basiliek van Koekelberg een buurtbewoner “sale Arabe” hoorde sissen, terwijl ze informatie over een huurappartement probeerde te lezen. Of elders: “Keer terug naar je land”, hoewel ze natuurlijk in België geboren is. “Ik ben dan zo uit mijn lood geslagen dat ik zelfs niet kan reageren.”

Warda, die in de sociale sector werkt, ervaarde subtielere vormen van belabberd gedrag die even hard steken. Zo kreeg ze een tijdlang les van een logopediste die er maar niet in slaagde haar naam correct uit te spreken. “Terwijl zij daar, gezien haar specialisme, bij uitstek toe in staat zou moeten zijn.” De lerares stelde dan wel, overdreven articulerend, de vraag: “Spreek jij Frans?”

In die context van grote discriminatie en kleine ergernis wordt een discussie gevoerd over nultolerantie en machtiger politieoptreden, zaken die natuurlijk niks te maken hebben met wat deze vrouwen en hun broers overkomt.

“Weet je”, zegt Chadia, “als ik een politieagent op straat zie, voel ik me niet noodzakelijk veiliger. Integendeel soms.” Chadia is een 20-jarige studente die intussen, en tot haar opluchting, met haar ouders van Anderlecht naar Schepdaal is verhuisd. Ze zegt dat de politie van Anderlecht enkele jaren geleden zonder provocatie haar broer in elkaar heeft getimmerd. “Ik denk niet dat de situatie zal verbeteren door vijfhonderd agenten meer uit te sturen.” Chadia formuleert het scherp. Als ze het over de probleemjongeren heeft, maar misschien niet alleen over die, komt ze tot de volgende formule: “Afvaljongeren, in afvalscholen en afvalwijken. Alles te recycleren.” Dat is de frustratie die ze in haar omgeving voelt.

Danny Hennaert woont in de Ribaucourtstraat in de Maritiemwijk, die in augustus en september vorig jaar door rellen werd opgeschrikt. Hij verblijft er in een van de vijftig nieuwe appartementen die rond een tuin zijn geschikt en die met een poort van de buurt zijn afgescheiden. Hennaert is met open ogen naar Molenbeek verhuisd, maar ook met plezier. “Als ik aan Ribaucourt uit de metro stap, voel ik me een beetje op vakantie.”

Hij is actief in de reissector, begeleidde zelf reizen naar Marokko en heeft een tijd overwogen om naar Marokko te verhuizen. Hennaert vindt niet dat hij in een gesloten gemeenschap leeft. Ooit waren de bewoners van de appartementen voornamelijk Vlamingen, maar nu zijn ze gemengd en actief in de buurt. De kinderen gaan naar school in de omgeving en hun kameraadjes komen in de tuin spelen.

Maar goed, de perceptie bij sommige jongeren is dat hun vijand achter tralies woont en de buurt wil omvormen. Dat is ook enigszins de bedoeling: het aantrekken van gegoede bewoners moet inderdaad de plaatselijke dynamiek veranderen.

Ribaucourt is ook een zone van drugshandel. Jongeren konden er terecht in vzw’s en snackbars, die, denken ze, na klachten uit de gegoede appartementen door de politie werden gesloten. Na enkele sluitingen braken eind augustus vorig jaar rellen los. Die waren, kon Hennaert vanuit zijn raam vaststellen, voorbereid. In die zin dat stenen de toegang tot de straat versperden, dat de straatverlichting doorgeknipt was en de bewakingscamera’s uitgeschakeld waren.

Wat er precies in het hoofd van de herrieschoppers speelde, is niet duidelijk. Er zijn theorieën, stuk voor stuk onbevestigd, waarvan de hardnekkigste is dat de drugshandel door deze rellen de buurt weer in handen probeerde te krijgen. De bewoners zagen hoe enkele jongeren de poort forceerden, twee auto’s in brand staken en enkele andere wagens beschadigden.

De appartementen waren niet het enige doelwit. Sommige winkels werden ook geviseerd (andere niet, wat op een patroon kan wijzen) en op straat werden banden in brand gestoken. Per sms trommelden de initiële herrieschoppers medestanders op. Brandweer en politie werden met stenen bekogeld en enkele uren afgehouden. Al die tijd waren de flatbewoners aan hun lot overgelaten.

De meeste waarnemers zeggen dat niks erop wees dat er rellen op til waren. De spanning was niet voelbaar gestegen. Dirk De Block, die al vijftien jaar met jongeren in en rond Molenbeek werkt, tegenwoordig binnen de organisatie D’BROEJ, en die in de buurt van het conflictterrein woont, zegt dat hij zoals het gros van de Molenbekenaars de volgende ochtend met berichten over de rellen wakker is geworden. “Het ging om honderd jongeren die het beu zijn. Dat is een alarmsignaal waar je zeker oog voor moet hebben, maar het gaat uiteindelijk over nog geen 5 procent van de jongeren.”

Enkele weken na de eerste rellen, in september, liep het opnieuw uit de hand. Deze keer was het zonder twijfel een spontane actie. Een jongere werd gearresteerd en zijn moeder, die de politie misschien heel hardnekkig om uitleg vroeg, werd met pepperspray op afstand gehouden. De Block: “Jongeren denken dan: die zoon, tot daaraan toe, hij is misschien geen lieverdje. Maar van de moeder blijf je af.”

Er zijn ook onderliggende factoren die maken dat zo’n explosieve reactie er elk moment kan komen. “Jongeren hebben vaak de indruk dat er in de buurt niks voor hen gebeurt. Er wordt geïnvesteerd in projecten zoals Thurn & Taxis, maar zij staan daar helemaal buiten.

“Sommige drugscafés werden gesloten. Dat ze daar drugs verhandelden, kon natuurlijk niet door de beugel. Maar je hoort wel eens: ‘We mogen niet op de hoek van de straat rondhangen, we mogen niet binnen in de cafés in het centrum van Brussel en nu sluit je ook nog onze cafés in de wijk. Waar wil je dat we naartoe gaan?’ Ze leven in een zone waar de helft van de jongeren werkloos is. Wie werkt, heeft doorgaans een slechtbetaalde job die onvoldoende oplevert om zelfstandig te wonen. Wie werkloos is, krijgt een uitkering die niet volstaat om van huis weg te gaan. Dus blijven ze bij moeder de vrouw. Zij die werkloos zijn, gaan laat uit, terwijl degenen met een job net heel vroeg de deur uit moeten. Jongeren voelen zich voor de keuze geplaatst: willen we een baan of een sociaal leven? Vaak kiezen ze voor een sociaal leven. Ze hebben niet veel vaste kosten, waardoor hun uitkering eigenlijk een soort zakgeld is. Sommigen vullen dat nog wat aan met zwartwerk, een kleine minderheid ook met illegale of semi-illegale inkomsten.

“Maar zodra die jongeren trouwen en voor een gezinnetje moeten zorgen, verdwijnen ook veel van die problemen. Het is alsof er een knop in hun hoofd wordt omgedraaid. Het probleem is dus eerder dat ze de middelen niet krijgen om een leven op te bouwen. Ze krijgen geen verantwoordelijkheden toegewezen en kunnen er dus ook geen op zich nemen.”

Een andere ervaringsdeskundige, Karim Amezian, heeft als jongeman zelf op de rand van de criminaliteit gebalanceerd. Sindsdien heeft hij de vzw Repère helpen op te richten, een organisatie die intussen zonder subsidies zit en de huur niet langer kan betalen. “Ik heb geluk gehad”, zegt hij over zijn parcours, “Ik ben nooit betrapt.” Zijn analyse is dat de jongeren, en niet alleen degenen die in het sukkelstraatje of in de criminaliteit verzeilen, een gigantisch identiteitsprobleem hebben. “Ze zijn niet gevormd. We vroegen eens aan een groep van dertig jongeren die allemaal hier geboren zijn wie zich Belg voelde. Er was, geloof ik, één jongere die zichzelf als Belg beschouwde. De meesten weten eigenlijk niet wat ze zijn: moslim, Marokkaan, Molenbekenaar, Belgo-Marokkaan...”

Amezians aanpak bestond erin dat hij jongeren van diverse pluimage - jongeren op of over de rand, maar ook uit het hoger onderwijs - op vrijdagavond bij elkaar zette en over specifieke thema’s liet praten. Hij filmde de seance, wat de discussie een belang gaf die ze anders niet zou hebben gekregen. Dat gaf de jongeren naar wie zelden geluisterd wordt, de indruk dat hun woorden er deze keer echt toe deden. “Bepaalde elementaire zaken weten ze gewoon niet: waarom ze naar school moeten, wat ze willen, wie ze zijn. Daar moet je rond werken, elementen aanreiken waarmee ze hun weg kunnen vinden. Jongeren uit deze buurt kruisen meer obstakels op hun pad dan gemiddeld. Discriminatie, leer- en sociale achterstand. Als je gevormd bent, kun je die obstakels duiden. Zonder vorming blokkeer je echter en begin je om je heen te slaan, word je een tijdbom. Dat is wat hier gebeurt.”

De opvoeding zit voor vele Belgo-Marokkanen op bijna alle niveaus fout. “Als je op school een slecht rapport krijgt, dan geeft je vader je een klap voor je kop, zegt hij dat je voor niks deugt en stuurt hij je naar bed. Terwijl hij zou kunnen zeggen: ‘Ik heb het ook niet goed gedaan, maar je hebt talent, probeer wat harder te werken.’ Dat zou minder vernietigend overkomen. De moskee spreekt ook een taal die niet van deze tijd is. We moeten onszelf allemaal in vraag stellen. Want het gaat duidelijk niet goed met de jongeren en ze haken steeds vroeger af. Met al hun branie en agressie kampen de probleemjongeren ook met een pak angsten. Ze zijn bang om zich buiten hun biotoop te begeven, want ze kennen dat andere Brussel niet goed.”

Is het gebrek aan vorming hetzelfde als leegte? “Niet helemaal. Ze weten niet veel, maar ze hebben een goed ontwikkeld instinct dat hen meteen duidelijk maakt wat bullshit is. En ze worden vaak met bullshit geconfronteerd.” Ze zijn behoeftig, vatbaar voor wie hen oprecht aandacht geeft. Dat kan zowel de sociaal werker, de imam als de drugsdealer zijn.

“Ik ben zelf gelovig en jongeren zeggen vaak dat ze in de eerste plaats moslim zijn. Maar ik heb geleerd om religieuze argumenten uit het debat te weren. In de sessies van Repère leren we als burgers te functioneren. Ik zeg dan: goed en wel dat je in de eerste plaats moslim bent, maar in de Engelse les breng je toch ook geen wiskundeprobleem ter sprake. Zo is het bij ons ook: hier gaat het over burgerzin.”

De dagen na ons gesprek neemt Amezian ons mee naar enkele jongerenbijeenkomsten, toevallig of niet buiten Molenbeek: moslimscouts die theater spelen en onder meer de draak steken met de hoofddoekobsessie, een groep die geld inzamelt voor (moslims in) Haïti. Als om te zeggen: er is een andere realiteit dan die van de 100 of 150 belhamels. Die is er wel degelijk en we hadden graag met de jongeren gesproken. Maar dat lukt niet, omdat ze, als we hen aanspreken, niet geneigd zijn om te praten, soms agressief en ongearticuleerd weigeren of omdat ze systematisch niet komen opdagen als er wel afspraken zijn gemaakt.

Met andere jongeren, van wie er een bij de rellen aanwezig was, valt na bemiddeling van een Brusselse school wel te praten. Ze zijn met vier, tussen zeventien en twintig jaar oud. Ze worstelen met de ongerijmdheden van het bestaan, met meisjes die wel een hoofddoek dragen maar zichzelf toch “niet respecteren”, met hun oudere broer die hen op het rechte pad wil houden, terwijl hij zelf een ander soort leven leidt, met meisjes die beweren dat ze het materiële onbelangrijk vinden maar die je toch meer aandacht geven als je aan het stuur van een auto passeert, met een wet tegen discriminatie die niet verhindert dat je geregeld ergens niet binnen mag, met ouders die geen zakgeld geven omdat ze hun job kwijt zijn, zodat er druk ontstaat om te stelen. Hun appreciatie van Molenbeek verschilt. De ene vindt het maar niets, te regelloos, de andere vindt het juist een levendige, aangename buurt. Ze zeggen dat de jeugd in twee groepen uiteenvalt: jongeren die op school hun best proberen te doen en hangjongeren. Die laatsten drijven soms de spot met de eersten, en het is niet altijd makkelijk om uit hun greep te blijven. Bij de hangjongeren zijn er vaker gevallen van kleine criminaliteit en vandalisme. Ze geven de indruk dat ze een makkelijk leven leiden, “maar eigenlijk zijn ze jaloers”.

Of ze de indruk hebben dat ze van hun leven kunnen maken wat ze willen? Vier hoofden schudden van nee. Een van hen zegt dat hij graag het algemeen onderwijs had voltooid, maar dat werd door de directie van zijn toenmalige school afgeraden. Uiteindelijk kwam hij in het beroepsonderwijs terecht. “Dat is wat ze willen. Dat is onze plaats.”

De ene die bij de rellen aanwezig was, heeft destijds alleen maar toegekeken, niet zelf met stenen gegooid. “Want dat lost niks op. En de politie weet je toch te vinden.” De vier zijn eensgezind in hun afkeer, zelfs haat, voor de politie. Er zijn wel goede agenten, zeggen ze, maar er zijn er ook die geen respect tonen. Die zomaar willekeurig jongemannen oppakken en jennen, vernederen zelfs, en die geen onderscheid maken tussen wie iets mispeutert en wie niet.

De overheid staat grotendeels machteloos tegenover de jonge relschoppers of criminelen. Politiewoordvoerder Johan Berckmans zegt dat opgepakte minderjarigen merkbaar “slechter” uit hun instelling terugkeren. Het parket zoekt veroordelingen voor gewichtige feiten en die komen er tergend traag, terwijl de jongeren snel en al bij kleine overtredingen een tik op de vingers zouden moeten krijgen. Het uitblijven van efficiënte strafmaatregelen “schept een gevoel van straffeloosheid”, waarbij jongeren die de autoriteiten uitdagen een heldenstatus verwerven. Berckmans deelt de algemene roep om wijkagenten die dicht bij de bevolking staan, maar in Molenbeek blijven veertig vacatures open omdat wijkagenten nu eenmaal minder verdienen dan agenten van de interventiedienst. Er zijn in het algemeen te weinig kandidaten om bij de Brusselse politie te werken (en bitter weinig Belgo-Marokkanen), zodat men met opleidingsprojecten eerder jonge en onervaren krachten aantrekt dan oude rotten in het vak.

Berckmans relativeert de aantijging van racisme. “Er zitten Vlaams Belangers in het korps. Maar als ze tijdens het werk blijk geven van racisme, dan treden we op. De situatie is echt stukken beter dan pakweg twintig jaar geleden.”

Een paradoxaal neveneffect van de rellen was volgens hem dat ze in enkele weken de drugshandel in de Maritiemwijk tot nul hebben herleid. Rellen komen de drugsbaronnen dus niet ten goede.

Een half jaar na datum biedt de Ribaucourtstraat nog altijd een wat grimmig uitzicht. Danny Hennaert blijft er met zijn familie wonen, al heeft zijn vrouw daar even anders over gedacht. Enkele buren zijn vertrokken of staan op het punt dat te doen. Onder hen een homokoppel dat de voortdurende opmerkingen en pesterijen niet langer aankan (hun auto werd de dag voor de eerste rellen in brand gestoken). Je hebt niet de indruk dat alles in orde is. Met alle begrip voor de situatie waarin de jongeren verkeren, je kunt niet verdoezelen dat sommigen een terreurklimaat scheppen. Op goed honderd meter van de appartementen zijn in een oosters restaurant stenen door de ruit gegooid. Buurtbewoners worden soms gewaarschuwd - “je zou beter verhuizen”. Waarbij niet duidelijk is wie dat wil: de jongeren, de vastgoedhandelaars, de drugsbazen, de fundamentalisten? “Er zijn ook bewoners die echt hun best doen om te tonen dat ze blij zijn met onze aanwezigheid”, aldus Hennaert. “Ik denk niet dat de jongeren nog op veel sympathie kunnen rekenen. Voor de rellen was ik optimistisch. De zaken leken goed te evolueren.” Er was een wijkcontract gesloten, waarbij veel geld in de verfraaiing van de huizen werd gepompt. “Dat optimisme bleek deels een illusie. We zitten op een scharniermoment nu. We moeten hard werken om ervoor te zorgen dat we aan de juiste kant uitkomen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234