Zaterdag 04/02/2023

AchtergrondOnlineonderwijs

Afstandsonderwijs, de ‘noodoplossing’ die nooit meer weg zal gaan


Lesgeven tijdens Covid-19 in het Bernarduscollege in Oudenaarde. De school stapte recent over naar een beleid waarbij leerlingen hun eigen toestel meenemen naar de klas.
 Beeld Tim Dirven
Lesgeven tijdens Covid-19 in het Bernarduscollege in Oudenaarde. De school stapte recent over naar een beleid waarbij leerlingen hun eigen toestel meenemen naar de klas.Beeld Tim Dirven

Samen met code oranje verdween ook het afstandsonderwijs uit klassen en aula’s. Verdwijnt het in een schuif die nooit meer opengaat of blijft er toch wat hangen? ‘Afstandsonderwijs was een noodoplossing.’

Pieter Gordts

Hoe is het verlopen?

Een weekend voorbereidingstijd, meer krijgen scholen niet wanneer toenmalige premier Sophie Wimès (MR) op vrijdag 13 maart aankondigt dat scholen zullen moeten sluiten als onderdeel van de algemene lockdown waar ons land in gaat.

Het is geen evidentie. “Ik heb het toen aan de lijve meegemaakt”, zegt Wouter Buelens. Hij is onderzoeker bij het Expertisecentrum voor Effectief Leren (ExCel) aan de Thomas More-hogeschool, maar was destijds pedagogisch ICT-coördinator op een HBO5-school in Genk. “In het begin kwam dat vooral neer op: zorgen dat we iedereen bereiken. Dit was zeker voor scholen met een specifiek leerlingenpubliek zeker niet evident.”

Dat geldt voor veel scholen. Het Vlaamse onderwijs vertrok met een achterstand, zo tonen verschillende onderzoeken. De ICT-monitor uit 2018 toont dat de infrastructuur in scholen vaak verouderd is. Ook zeggen leerkrachten er dat ze ICT vooral gebruiken om lessen voor te bereiden, niet in de les dus. Het ICT-gebruik tijdens de les ligt lager en beperkt zich gemiddeld eerder tot één tot meerdere keren per maand of slechts een paar keer per jaar.

Volgens de internationale bevraging Readiness for online learning gebruikte 60 procent van de Vlaamse leraren in hoger en secundair onderwijs geen online toepassingen voor corona. “Toch moest 74 procent van alle lesgevers de switch maken naar volledig onderwijs”, zegt professor onderwijsinnovatie Jo Tondeur (VUB) die de bevraging in goede banen leidde. “Daarvoor kregen ze twee tot drie dagen voorbereidingstijd. Kortom, dit was een van de grootste onderwijsexperimenten.”

Zeker in die eerste fase is het behelpen. Afstandsonderwijs vertaalt zich vaak in een op de leerkracht gerichte webcam. Gevolg: leerlingen zitten vaak urenlang suf voor zich uit te staren achter een laptop. Gaandeweg begint een deel van de leerkrachten in lager en secundair te experimenteren: ze downloaden apps, boksen quizzen in elkaar en houden zelfs eigen websites draaiende.

Deed elke leerkracht dat? Neen. “Dat is typisch voor technologie: je hebt mensen die meteen mee zijn met elke hype, maar evengoed mensen die er schrik voor hebben”, zegt Tondeur. Die grote verschillen zijn blijven bestaan tussen scholen, tot en met de laatste golf, soms zelfs binnen dezelfde school.

In het hoger onderwijs was het beeld veel eenduidiger dan op lagere en secundaire scholen: digitaal stond in coronatijden per definitie gelijk aan afstandsonderwijs. “Dat klopt”, zegt Piet Desmet, vicerector Educatieve Technologie aan de KU Leuven. “Maar dat is ook logisch: fysiek onderwijs was gewoon niet mogelijk. We zijn verschillende keren moeten overschakelen op volledig onlineonderwijs omdat er anders gewoon niets mogelijk was. We zijn van een beetje digitaal onderwijs vóór corona meteen naar een maximale invulling ervan moeten gaan.”

Eerste grote les: afstandsonderwijs is een blijver

Een noodoplossing dus. Dat niemand nog enkel afstandsonderwijs wil, is duidelijk. Zeker in het leerplichtonderwijs is niemand daar voorstander van. Hoe zit dat in het hoger onderwijs?

“Evident keren we niet terug naar een situatie zoals onder corona”, zegt Desmet. “Dat was urgentiegeneeskunde, dat was een noodoplossing.” Maar helemaal verdwijnen zal het niet. Al was het maar om werkstudenten of leerlingen die met een gebroken been thuis zitten, toch nog te kunnen bereiken. “Ik denk inderdaad dat we niet altijd meer face to face zullen zitten met studenten”, zegt Tondeur. “Ik was net op een congres in Amsterdam. Toch heb ik ook van hieruit kunnen lesgeven en konden studenten inpikken vanwaar ze ook zaten.”

Hoever kunnen (hoge)scholen en universiteiten daarin gaan? Het is nog voer voor discussie. Getuige daarvan de fikse discussie die begin deze maand losbarstte toen de UGent aankondigde dat zulke opnames niet langer verplicht zijn, louter aanbevolen. Deze week werd de discussie opnieuw op scherp gesteld: hoewel code geel hen toelaat terug te keren naar de aula, blijven studenten daar meer weg dan proffen hadden verwacht. Enkele proffen wezen de jongste dagen daarvoor de lesopnames als grootste schuldige aan.

In een nieuw advies van de Vlaamse Vereniging van Studenten vragen de studenten expliciet om die opnames te blijven maken. “We vragen dat alle universiteiten en hogescholen om zoveel als mogelijk digitale hulpmiddelen, zoals lesopnames, beschikbaar te stellen, onbeperkt in de tijd”, zegt bestuurder Jef Druyts. “Waarom? Bij de beslissing om lesopnames niet langer te verplichten zijn enkele groepen waar geen rekening mee gehouden wordt: zij die toch nog in quarantaine moeten, minder mobiele studenten, of zij die een studentenjob moeten doen om zichzelf te onderhouden.”

“Geen van de drie instellingen waar ik aan lesgeef, verplicht me lesopnames te maken”, zegt Liesbet De Kock, doctor in de wijsbegeerte en klinisch psychologe (UGent/VUB/KASK). “Ik doe het wel, voornamelijk om werkstudenten te helpen die niet aanwezig kunnen zijn in de les. Maar er komt nogal veel bij kijken.”

Naast de puur praktische beslommeringen van lessen opnemen, zijn het vooral “de stroom aan mails van studenten over de lesopnames en wanneer ze online komen”, die De Kock storen. “Ik zie het nut van het digitale zeker en vast in”, zegt ze. “Maar de balans is nu zoek. Je merkt duidelijk dat er nog maar weinig regels rond lesopnames zijn, zowel geschreven als ongeschreven. Moeten studenten die ervoor kiezen om enkel gebruik te maken van lesopnames ook op interactie kunnen rekenen, bijvoorbeeld via mails? Ik weet het zelf niet. Dus ik heb besloten besloten er een stuk van de les aan te wijden, om eens van gedachten te wisselen.”

Tweede grote les: technologie kan meer

Digitaal onderwijs is echter meer dan enkel en alleen afstandsonderwijs: het kan ook in de klas gebruikt worden. Wordt het goed toegepast, is het meer dan een gimmick: het laat lesgevers toe om dingen te doen die voordien niet mogelijk waren.

“Neem een groep taalstudenten die een schrijftaak krijgen”, zegt Desmet. “Wat gebeurt daar vandaag meestal? Zij maken een paper, krijgen de verbetering met een cijfer op en steken dat dan in hun boekentas. Tegenwoordig hebben we collaboratieve leerruimtes waar studenten kunnen samenkomen met hun docent en hun laptops verbinden met een groot scherm. Op die manier kunnen studenten hun tekst naar het scherm brengen, die samen met de medestudenten en de docent beter herschrijven en daarbij ook gebruik maken van (ver)taalapplicaties.”

Ook in het leerplichtonderwijs is dat het geval. “Ja, uiteraard geeft technologie mij meer mogelijkheden”, zegt Greet Debersaques, leerkracht Frans op het Bernarduscollege in Oudenaarde. De school stapte recent over naar een bring your own device-beleid, waarbij leerlingen hun eigen toestel meenemen naar de klas. “Het laat mij toe om meer interactie in de les te creëren”, zegt Debersaques. “Als een leerling een presentatie houdt voor de rest van de klas, dan kan de rest van de klas normaal alleen maar volgen en zelf notities nemen. Als leerlingen de presentatie echter kunnen meevolgen via hun eigen toestel, kan ik daar via een applicatie als Nearpod om de paar slides een vraag tussensteken om te controleren of ze mee zijn én dan moeten ze die allemaal invullen. Voordien kon ik maar één leerling laten antwoorden als ik een vraag stelde. Nu kan ik voor alle leerlingen inschatten of ze mee zijn.”

Is elke lesgever daarbij mee? “Over het hoger onderwijs kunnen we wel met zekerheid zeggen dat het digitale verankerd blijft”, zegt Tondeur. “In het lager en secundair onderwijs is dat beeld diffuser.” De afgelopen twee jaar hebben ongetwijfeld voor meer leerkrachten de ogen geopend over wat mogelijk is, maar ook hier geldt: de situatie verschilt van school tot school en zelfs van leerkracht tot leerkracht.

Al dient hoort wel een grote kanttekening: de meerwaarde van onlinetoepassingen hangt af van de manier waarop ze gebruikt worden. Verschillende studies hebben al aangetoond dat online een meerwaarde kan zijn, niet dat het sowieso een meerwaarde is. Kortom: het is niet omdat technologie ons meer toelaat dan vroeger dat leerkrachten moeten vrezen voor hun job. Wel kan technologie hen helpen. “Denk aan een applicatie die leerlingen ondersteunt om meer zelfregulerend te werken”, zegt Buelens. “Bijvoorbeeld door zelf oefeningen op te lossen en bij te houden wat je al kan en wat je nog moet leren. Wie de leerstof snapt, kan op eigen tempo verder leren. Terwijl er meer ruimte vrijkomt voor de leerkracht voor leerlingen die ondersteuning nodig hebben.”

Wat brengt de toekomst?

Kortom, corona zorgde voor een versnelling in de digitalisering van het Vlaamse onderwijs. Reikte technologie in de meeste klaslokalen tot voor corona niet verder dan een smartboard of projector, dan heeft Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) intussen de ambitie om elke leerling vanaf het vijfde leerjaar van een eigen toestel te voorzien. Zorgt dat ervoor dat het anders zo conservatieve Vlaamse onderwijs technologie nu wel volledig zal omarmen? Het is moeilijk te zeggen. Believers zoals Buelens, Tondeur of Desmet zijn “voorzichtig positief”, aldus die laatste.

Maar om van de digisprong - de naam die minister Weyts aan zijn digitaliseringsplannen gaf - een echte stap voorwaarts te maken, moeten nog enkele belangrijke voorwaarden ingevuld worden. Zorgen dat de beloofde toestellen daadwerkelijk geleverd raken bijvoorbeeld: momenteel kan het kabinet-Weyts nog niet zeggen hoeveel leerlingen een eigen laptop hebben. Scholen hebben daarvoor nog twee schooljaren de tijd.

Bovendien ligt een heel pak praktische vragen nog open, gaande van wat we met technologie willen bereiken tot hoe leerkrachten gegevens kunnen uitwisselen tussen verschillende applicaties.

“Klopt, al zijn er daarnaast fundamentele, zelfs ethische vragen die we moeten bekijken”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere (Arteveldehogeschool). “Vinden we het oké dat scholen die kiezen voor één platform volledig afhankelijk worden van dat bedrijf bijvoorbeeld? Of hoe gaan we om met de sociale ongelijkheid? Onder andere Brits onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat lesopnames de sociale ongelijkheid tussen studenten kunnen vergroten. Wie naar de les kwam en nadien lesopnames bekeek, bleek betere punten te halen. Studenten die enkel op zulke opnames moesten vertrouwen omdat ze een studentenjob nodig hebben om rond te komen en zo de les missen, scoorden minder.”

De Bruyckere noemt zich “zeker geen techno-pessimist”. “Maar het is belangrijk dat we dit soort vraagstukken nu aanpakken, nu we een beetje uit de coronarush zijn.” De antwoorden op die vragen ontbreken nog vaak. Niet het minst op de vraag wat we willen bereiken door technologie in de klas te brengen. “Als ik kijk naar de bijscholingen die scholen aanbieden, gaat het vaak nog om de technische kant van de zaak: hoe laat ik iets werken”, zegt Buelens. “Terwijl het ook zou moeten gaan over de pedagogische vraag.”

Buelens is ervan overtuigd dat steeds meer scholen die weg inslaan. Ook is er sinds kort een Kenniscentrum Digisprong dat scholen daarbij helpt. Eigenlijk moeten scholen dezelfde omslag maken die hijzelf ooit maakte, als ICT-coördinator van zijn oude school. “Ik was vroeger zelf iemand die vooral geïnteresseerd was in de knopjes en kabeltjes”, zegt Buelens. “Maar gaandeweg ben ik me de vraag gaan stellen: hoe kan ik er nu voor zorgen dat ik dat inzet op een manier dat leerlingen daar ook echt iets aan hebben?”

Op zoek naar antwoorden dook hij in de wetenschappelijke literatuur en uiteindelijk een bijkomende studie onderwijswetenschappen. Het ene leidt tot het andere: intussen staat Buelens niet langer voor de klas, maar combineert hij zijn ervaring als lesgever en ICT-coördinator in zijn nieuwe rol bij ExCEL, waar hij zich focust op digitaal onderwijs. “Die weg moeten heel wat ICT-coördinatoren en scholen nog afleggen”, zegt hij. “Het gaat niet uitsluitend om de vraag of de kabeltjes juist zitten.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234