Donderdag 01/10/2020

Afscheid van een buurt

Wanneer ik na een verre reis 'mijn' straat betreed, probeer ik hem steevast te ontleden. Ik zie rotzooi, vuilniszakken die te vroeg buiten zijn gezet. Aangetrapte Starbucks-bekers. Maar de rommel deert me niet. Dat is het eerste teken dat je een plek als 'thuis' beschouwt; je bent blind voor de tekortkomingen.

Ik hoor rolkoffers, het eindeloze geratel dat hoort bij wonen in het centrum. Ik verschuil me achter een berkje, de afschuwelijke onderbuurvrouw, die in mijn telefoon staat als De Afschuwelijke Onderbuurvrouw, gaat haar huis binnen. Ze is een pathologische leugenaar die elk weekend slaande ruzie heeft met haar vriend.

Onlangs escaleerde een ontologische discussie over wie wie als eerste had geslagen zodanig dat iemand de politie belde (niet ik; ik hoopte op wederzijdse vernietiging). In de verte gaan de deuren van het zonderlinge huis open, een toevluchtsoord voor zonderlinge mensen; af en toe loopt er een volwassen man in een gigantische luier door de straat. Ik ga naar binnen en werp mijn koffer op bed, ga aan het raam zitten om eens even goed te Rear Windowen.

Mijn buurt, dat zijn mijn overburen. Amsterdammers zoals ze eigenlijk niet meer bestaan. (Alleen nog in Purmerend of Almere.) Een vader, S., die vrijwel alles 'flauwekul' vindt. Een moeder, J., beschermheilige van de buurt. Een ietwat simpele zoon, C., die 's zaterdags de huis-aan-huisbladen rondbrengt en die droomt van een leven als hovenier. Het is een problematische droom, aangezien hij de stad nooit wil verlaten. "Over mijn lijk", zegt hij. "Hier hoor ik thuis."

J. bewaakt de buurt. Zij belt het grofvuil als anderen verzaken. Zij berispt mensen als ze te veel lawaai maken. Zij controleert mijn boodschappen: "Augurken, ben je zwanger of zo?" "Water met prik, wat denk je dat je bent, een popster?"

Als het goed weer is, slepen ze strandstoelen de trap af en gaan ze voor hun deur zitten, met een uitgeklapt schermpje van aluminiumfolie onder hun kin geklemd. Een echte familie.

Maar de familie heeft het zwaar. Ik zie J. huilend in de deuropening staan. Ik heb haar nog nooit zien huilen, normaal is ze één en al vechtlust. De volgende dag zie ik S., een kaalgeschoren man met een ringetje door zijn linkeroor, traag door de straat sjokken. Zijn rimpels lijken dieper dan normaal, hij is bleek. Dit is geen flauwekul.

Ze vertonen zich steeds minder op straat. Eén keer hoor ik C. met een vriendje over J. spreken, hoe het nu met haar gaat, en wat er gaat gebeuren, welke medicijnen ze moet slikken. Dagenlang aarzel ik: moet ik langsgaan (nooit eerder gedaan, behalve om te klagen over de Afschuwelijke Onderbuurvrouw), een kaartje in de bus doen? Ik wil hun zelfverkozen isolement niet verstoren, ik moet anderen hun illusies gunnen. Uiteindelijk doe ik niets.

Vlak nadat het oude jaar is opgegaan in het nieuwe, ga ik weer op reis. Aan het einde van mijn straat draai ik me om, vrezend dat mijn buurt bij terugkomst verdwenen zal zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234