Woensdag 20/11/2019

Afghaanse politica voert ondergrondse strijd tegen machtige krijgsheren in haar land

Toch weten haar belagers haar altijd te vinden. Is het niet met rechtstreekse aanvallen - Joya ontsnapte vijf keer aan een aanslag - dan wel met dreigtelefoontjes. En sinds haar autobiografie uit is, steeg het aantal bellers. “Een stem, meestal een man, zegt dan dat ik moet stoppen met mijn acties. Hij bedreigt me met de dood of zegt dat ik verkracht zal worden”, zegt de Afghaanse vrouw, die in 2007 werd geschorst als parlementslid. “Maar ik weiger te zwijgen.”

Slechts enkele minuten in het gezelschap van Malalai Joya maken duidelijk op wie ze het gemunt heeft: de krijgsheren, president Hamid Karzai, de Navo-troepen, de Taliban. Allemaal zijn ze verantwoordelijk voor de huidige situatie van de Afghaanse bevolking en vooral de vrouwen. Die zijn nu slechter af dan tijdens de Taliban. Terwijl de hele wereld discussieert over het al dan niet terugtrekken van de troepen, is Malalai Joya overtuigd dat Afghanistan slechts gered kan worden met een grote schoonmaakoperatie. “De troepen moeten buiten, Karzai moet van zijn troon af, er mogen geen gesprekken met de Taliban komen en er moet zeker iets gedaan worden tegen de krijgsheren en hun financierders. Pas dan kan werk gemaakt worden van een echte Afghaanse democratie.”Malalai Joya is een kleine vrouw met lang, donker haar en doordringende bruinzwarte ogen. Haar standpunten verdedigt ze met een onstuitbare woordenvloed. Het is niet moeilijk haar voor te stellen in het Afghaanse parlement, terwijl ze het woord onverschrokken richt tot haar tegenstanders. Joya is in Brussel voor de voorstelling van de Nederlandse vertaling van haar autobiografie Een vrouw tussen krijgsheren en vraagt met aandrang of “de goede mannen en vrouwen van België twee keer willen nadenken voordat ze troepen naar Afghanistan sturen”. Iedereen spreekt tegenwoordig over verzoening met het verleden, zucht Joya. “In andere landen moeten krijgsheren voor een internationaal hof verschijnen voor hun misdaden. Niet zo in Afghanistan; bij ons zitten ze in het parlement. Wij, de gewone Afghaanse bevolking, moeten het opnemen tegen machtige vijanden. Onze externe rivalen zijn de Navo-troepen die het land bezetten en burgerslachtoffers maken en regionale machten als India, Iran, China en Pakistan die de krijgsheren steunen. Intern moeten we strijden tegen deze krijgsheren en ook nog eens tegen de Taliban. Als de Navo-troepen zich nu eens zouden terugtrekken en de regionale machten zouden stoppen met de financiering van en de wapenleveringen aan krijgsheren, dan zouden we al twee vijanden minder hebben. Er kan geen stabiliteit zijn in Afghanistan als iedereen zich met onze zaken bemoeit en zijn eigen strategische belangen verdedigt. Iedereen vreest dat het tot een burgeroorlog zal komen, zodra de Navo-troepen vertrokken zijn. Maar is de oorlog die er nu is, beter?” Er zijn moedjahedien en er zijn krijgsheren. Malalai Joya benadrukt het grote verschil tussen de twee. De moedjahedien vochten in Afghanistan om het land van de Russische bezetting te verlossen; de krijgsheren vochten ook wel tegen de Russen, maar deden dat, gefinancierd door regionale mogendheden, uit eigenbelang en stortten het land begin jaren negentig in een bloedige burgeroorlog. Malalai Joya’s vader was een moedjahedien. “Een echte”, glimlacht ze. Toen haar familie nog in de provincie Farah woonde, ging hij bij het verzet. Maar al snel werd zijn groepje opstandelingen aangevallen door Sovjettroepen. Joya’s vader verloor een been en moest in Iran worden verzorgd. Haar moeder trok daarop, onwetend dat haar man nog leefde, met haar tien kinderen naar vluchtelingenkampen in Iran en later in Pakistan. Daar leerde de kleine Malalai lezen en schrijven in schooltjes die in de kampen waren opgezet. Al op haar veertiende begon ze les te geven aan de talloze analfabete vrouwen in haar kamp. Een van haar leerlingen was haar moeder.In 1998 keerde het gezin, intussen herenigd met de vader, terug naar Afghanistan. Naar Herat deze keer. Malalai Joya bleef les geven aan meisjes, al kon dat tijdens de Taliban haar het leven kosten. Toch organiseerde Malalai Joya gretig klasjes in kelders van huizen die vrienden haar ter beschikking stelden. De schoolboeken stak ze onderweg onder haar boerka. “Het kledingstuk had dan toch wel nut”, grijnst ze. Verschillende keren werd ze bijna gepakt door Talibansympathisanten. Telkens werd ze gered door andere Afghanen.Toen eind 2001 Amerikaanse troepen de Taliban verjoegen, was ook Malalai Joya optimistisch. “Iedereen was opgelucht, zeker de vrouwen, omdat er een einde kwam aan dat verstikkende regime. Misschien dat de VS het nu echt wel goed menen met Afghanistan, dachten we. Jarenlang had Washington via de CIA extremisten als de Taliban en Osama bin Laden gefinancierd, maar wij hoopten dat alles dra anders zou verlopen.” De ontnuchtering volgde snel. Malalai Joya, intussen uitgegroeid tot een vrouwenrechtenactiviste en zelfs directrice van een kliniek, werd in haar provincie verkozen tot afgevaardigde voor de eerste grote Loya Jirga, een bijeenkomst van leiders in Kaboel die de toekomst van het nieuwe Afghanistan zou uittekenen. Toen ze de grote tent binnenging en de aanwezigen bekeek, stelde ze tot haar verbijstering vast dat een groot deel van het oude Afghanistan daar doodleuk op een stoeltje zat. “Voor het eerst zag ik hen in levenden lijve, de krijgsheren over wie ik zoveel gelezen had. Ik had hun misbruiken bestudeerd en meegeleefd met hun slachtoffers. En nu zaten ze voor mij, sommigen netjes in pak. Ik walgde van hun schaamteloze pogingen om te doen alsof ze democraten waren. Ze hadden zich nooit geëxcuseerd voor hun misdaden. Toen de Taliban aan de macht kwamen, hadden ze zich laf ingegraven in hun holen. In 2001 kwamen ze opnieuw tevoorschijn en werden ze opnieuw wolven.”

Krijgsheren: Joya spuwt hun namen uit, samen met hun onfrisse praktijken in het verleden. Daar in de tent zat de islamist Abdul Rasul Sayyaf, wiens Islamitische Unie, die in de jaren tachtig tegen de Russische bezetter vocht, sinds 2005 een legale politieke partij is. Sayyaf wordt verantwoordelijk geacht voor het verkrachten en afslachten van sjiitische moslims in Kaboel tijdens de burgeroorlog in de eerste helft van de jaren negentig. Sayyaf was de mentor van Khalid Sheikh Mohammed, het brein van de aanslagen van 2001. Iets verder zat ook Burhanuddin Rabbani, ooit president van de moedjahedienregering, wiens bewind volgens Human Rights Watch (HRW) samenwerkte met Sayyaf om honderden Hazara-sjiieten in de wijk Afshar in Kaboel af te slachten.Op de Loya Jirga waren er nog aanwezig: Mohammed Qasim Fahim en Karim Khalili, de twee huidige vice-presidenten onder Hamid Karzai, aan wier handen volgens HRW bloed kleeft. En ook lieden als Rashid Dostum en Ismail Khan voerden het debat voor het toekomstige Afghanistan mee. Khan, die gouverneur is van Herat en sterke banden heeft met Iran, heeft in het verleden voor vrouwen even strenge regels ingesteld als tijdens het Talibantijdperk. Nog steeds verkeert Khan in de hoogste kringen en weet hij zich verzekerd van de steun van Karzai. Joya: “Velen denken dat de mishandeling en onderdrukking van vrouwen begon tijdens de Taliban, maar onder de krijgsheren die voor hen aan de macht waren, waren er al decreten die zeiden dat vrouwen zich volledig moesten bedekken, geen lawaai mochten maken tijdens het lopen en nooit zonder toestemming van hun man het huis mochten verlaten.”Als jonge vrouw werd Malalai Joya volledig genegeerd tijdens de Loya Jirga, die werd gedomineerd door oudere heren. Pas na dagenlang proberen, lukte het haar de microfoon vast te krijgen. Die dag werd ze meteen een nationale bekendheid. Terwijl de vroegere krijgsheren zichzelf schouderklopjes hadden gegeven tijdens hun toespraken, schold Joya hen de huid vol. “Waarom mogen deze criminelen hier aanwezig zijn”, wees ze hen een voor een aan. “Zij zijn verantwoordelijk voor onze huidige situatie. Zij hebben ons land tot een middelpunt van nationale en internationale oorlogen gemaakt! Ze zouden voor een rechtbank moeten worden gebracht.”Een aantal aanwezigen applaudisseerde luid, maar anderen vloekten. Haar microfoon werd na anderhalve minuut afgezet en Joya werd naar buiten gejouwd. Mannen riepen dat ze een communiste was en vrouwen scholden haar uit voor hoer. “Sindsdien is mijn leven in gevaar”, vertelt Joya. De avond van haar toespraak al dook ze onder. Een jaar later werd een eerste aanslag gepleegd op haar. Die mislukte omdat de bom te vroeg ontplofte.

Haar legertje vijanden bleef de volgende jaren groeien, maar ze kreeg ook veel steun. Zoveel steun dat zelfs machtige krijgsheren als Sayyaf niet konden verhinderen dat ze in 2005 werd verkozen tot parlementslid voor Farah. En in dat parlement hield ze ook toespraken, terwijl fundamentalisten haar het zwijgen probeerden op te leggen en andere krijgsheren riepen dat ze haar zouden verkrachten. Haar weigering om compromissen te sluiten of zelfs verzoening te overwegen, kostten haar uiteindelijk haar politiek mandaat. Ze veroordeelde de nieuwe wet die amnestie gaf aan misdaden die krijgsheren in het verleden hadden gepleegd. Ze stelde zich hard op tegen een rol voor religie in de politiek. En in een interview zei ze over het Afghaanse parlement: “Een stal of een dierentuin is beter. Daar is tenminste een ezel om lasten te dragen of een koe die melk geeft. Ons parlement is erger dan een stal of een zoo.” In 2007 stemden de parlementsleden voor haar uitsluiting en president Karzai steunde die. “Dat was illegaal en ondemocratisch”, zegt ze. Nu voert ze haar strijd ondergronds, al is er nog een kans dat ze zal opkomen voor de parlementsverkiezingen van september 2010. Maar dat zou ze dan moeten doen met gevaar voor eigen leven. “Er zijn veel mensen die mij erom vragen”, zegt ze. Ze haalt haar schouders op. “Ik weet het nog niet. De kans dat die verkiezingen, net als de presidentsverkiezingen van vorig jaar, een schijnvertoning worden, is erg groot. Zoals Afghanistan nu is, is er geen democratie mogelijk. In een land waar fundamentalistische krijgsheren nog zoveel macht hebben, kan niets goeds voortkomen voor vrouwen.” Natuurlijk zijn er in Kaboel en andere grote steden vrouwen en meisjes die naar school gaan of een job hebben. Joya: “Maar in het overgrote deel van het land, en vooral op het platteland, is dat niet het geval. Daar is het vermoorden van een vrouw even gemakkelijk en net zomin strafbaar als het doden van een vogel. Het aantal verkrachtingen is verbijsterend en vaak gaan de daders vrij. Het slachtoffer zelf wordt veroordeeld omdat ze overspel pleegde. Dat is mogelijk in de huidige Afghaanse wetgeving. In de provincie Sar-e Pol werd een twaalfjarig meisje verkracht door de zoon van een parlementslid. De jongen is, na betaling van een flinke som geld, vrijgelaten. Dus laat niemand alsjeblieft afkomen met het excuus dat de verdrijving van de Taliban er in de eerste plaats was voor de vrouwen.”

Een vrouw tussen krijgsherenDe Geus, 349 p., 19,90 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234