Woensdag 08/12/2021

Advocate in de boksring

‘Dit neem ik’, wijst ze op de menukaart. ‘Gentse stoverij met frietjes, stevige kost. Straks ga ik meteen van het kantoor naar de training en heb ik geen tijd meer om te eten.’ Mieke Moorthamer, gewichtsklasse ‘min 57’, staat volgende vrijdag in de ring op het Gentse Boksgala, voor drieduizend man. Publiekslieveling is ze, ‘Killhammer’, vorig jaar zelfs Belgisch kampioene in haar categorie. Maar Mieke is ook ‘meester’ Moorthamer bij het kantoor van de bekende strafpleiter Piet Van Eeckhaut. Vlammend pleidooi en vlammende rechtse, toga en bokshandschoen, ze houdt het gescheiden. ‘Mijn werk en mijn hobby houden me perfect in evenwicht.’

Mieke Moorthamer(24), pleitster met een goeie rechtse

Tenger is ze, klein ook, maar dat niemand zich vergist: deze dame kan uithalen, verbaal en met de vuisten. Meester Moorthamer heeft ‘de punch’. Het bevreemdt, haar verhaal. Het is ook hilarisch, vooral door de manier waarop ze erover vertelt: onverbloemd, ongeremd. De klassieke openingsvraag: waarom ze als ontspanning niet voor atletiek, zwemmen of tennis koos, desnoods karate als ze per se wou vechten? Boksen gaat, naast over slagen uitdelen, toch ook over ‘op je bakkes krijgen’ en dus over... pijn?

Mieke Moorthamer: “Die associatie maak je niet, toch niet in het begin. Je bouwt langzaam op. Natuurlijk kreeg ik van buitenstaanders vaak de opmerking: wacht maar tot je je eerste bloedneus hebt of je eerste blauwe oog, dan zal je wel anders piepen of ermee stoppen. Maar dat klopt niet. Tijdens het boksen ben je in zo’n trance dat je niet voelt dat je pijn hebt.

“Ik was twintig toen ik eraan begon, wat behoorlijk laat is. Ik had wel een goede conditie. Ik zwom en liep competitie, maar dat boeide me minder, toch niet genoeg om het vol te houden op een hoog niveau. Aan de universiteit viel dat ook stil. Ik studeerde rechten en dat vroeg al mijn aandacht. Maar toen ik twintig was, de eerste jaren studie achter de rug, met een beperkter lessenrooster en meer vrije tijd, wou ik toch iets ernaast. Op een zomervakantie in Spanje leerde een vriend van mij die nog gebokst had me de basistechnieken aan. Hij zei ineens: ‘Verdorie, Mieke, jij hebt écht wel een punch’.”

En punch staat voor: een goed gerichte slag?

“Een stevige slag. Dat betekent dat je iemand stevig kunt raken. Mijn trainer zegt altijd: techniek kun je leren, een punch moet je hebben. En ik had die blijkbaar. Goed, toen ik thuiskwam van die vakantie vond ik via internet de Gentse boksersclub Golden Gloves. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik daar binnenkwam, in mijn losse zomerkleren. Een boom van een kerel, Rachid, kwam op me af en zei: ‘Kom jij boksen meiske? Wel, zet u daar maar op die stoel en kijk wat.’ Twee uur zat ik daar. Rachid kwam terug en zei: ‘Jij komt volgende woensdag niet terug, zeker?’ ‘Toch wel, hoe laat begint dat hier?’, antwoordde ik.”

Hij wilde je ontmoedigen?

“Tja, bekijk me, zo’n klein, fijn meisje. Ik woog toen nog 48 kilogram en ik zat daar tussen die kleerkasten van mannen. De woensdag daarop heeft Rachid me wel vier keer gezegd: als het niet gaat, rusten hé. Maar hij kende me nog niet toen. Niet gaan, dat bestaat niet voor mij. Ik heb toen zo hard op mijn tanden gebeten tijdens de conditietraining. De volgende dag kon ik de trap bijna niet meer op.”

Hoe voelt het, die eerste bokshandschoenen om, het sparren, een eerste keer lichaamscontact?

“In het begin moest ik om souplesse op te bouwen de techniek leren van schaduwboksen. Dat is zonder handschoenen een beetje in de lucht slaan. Ik stond er heel onwennig bij. Die techniek was echter van kapitaal belang. Je slag moet vertrekken vanuit je dekking, je mag niet laten zakken, je hoek moet correct aankomen. Rachid stelde vast dat ik snelheid had, en een harde punch, en zei dat ik met harde training er wel iets van kon maken. Ik was toen de enige vrouw in de club. Nu zijn we met vier vrouwen op een totaal van zestig man. Toen ik zes maanden bezig was, wilde ik wedstrijden doen, maar ik moest eerst een niveau bereiken. De trainer wil niet dat zijn boksers afgaan vanaf de eerste keer. Stel dat je meteen tot moes wordt geslagen of dat je moet opgeven. Zo verlies je, figuurlijk dan, je gezicht. Het komt er dus op aan te wachten en op het gepaste tijdstip aan te treden. Intussen groeit het verlangen natuurlijk.”

En herinner je je de eerste keer dat je een zware klap ontving?

“Niet precies. Pas na een van mijn wedstrijden merkte ik: oei, mijn oog begint blauw te zien, ik heb serieus slaag gekregen. Maar in de ring voel je niets. Tijdens het sparren is dat anders. Dan is de focus minder. Als je een slag krijgt, komt die aan en doet het pijn. Anderzijds, een goede bokser moet leren slagen incasseren. Zoals een goede judoka moet leren vallen.”

Je pijngrens gaat ook steeds hoger liggen?

“Ik heb altijd al een hoge pijngrens gehad. Ik heb er ook nooit bij stilgestaan dat mijn uiterlijk zou veranderen door het boksen.”

Dat je een knoert van een neus zou krijgen na herhaalde breuken?

“Nee, die vrees kwam niet in mij op.”

Terwijl je toch onder de mensen moet komen als advocate, bij voorzitters van rechtbanken en bij je cliënten. Heb je al gepleit met een blauw oog?

“Jawel. Leve de make-up, hé. Ik kan alles goed wegmoffelen met foundation en af en toe zet ik een bril op.”

En dan in een vechtscheiding pleiten.

“(lacht luid) Een pak mensen weet intussen dat ik bokser ben. Veel uitleg moet ik dus niet geven. Het gebeurt wel dat cliënten raar opkijken. Als ik in de gevangenis op bezoek ga bij een of andere zware gast en hij ziet dat blauwe oog, dan zie je hem wel denken...”

... die man van haar heeft er goed

op los getimmerd vorige nacht?

“(wuift weg) Je ziet ze kijken, maar ik geef hen niet de kans daarover iets te zeggen. Ik begin meteen over de zaak en na vijf minuten verandert hun blik weer.”

Het boksen is zeker in dat gevangenismilieu genoegzaam bekend?

“Ja. En sommigen zijn ook op de hoogte van mijn ‘tweede leven’.”

En zijn daardoor banger van u.

“Welnee. Je moet weten: de meesten onderschatten het vrouwenboksen ongelooflijk. Gisteren stond ik na de training, nog in mijn short, aan een tankstation. Ik hoorde een paar mannen zeggen: ‘Kijk, kijk, een bokserke, zie’. Ik denk dan in mezelf: ‘Kom maar eens in de ring staan bij mij, manneke’.”

Zegt de manier van boksen ook iets over hoe je als advocaat bent? Ga je in je werk ook recht op je doel af, counter je, geef je af en toe een mokerslag op het moment dat de tegenpartij niet goed in dekking staat?

“Werk en boksen staan écht los van elkaar. Ik ben wel rechtdoorzee als advocate, maar dat heeft meer te maken met mijn persoonlijkheid. Ik ben nogal een hevige. Ik probeer die hevigheid te temperen en ik slaag daar ook in, vind ik. Het willen uithalen wordt nooit getriggerd in werksituaties. Wel heel soms op andere momenten, daarbuiten. Als je in het nauw gedreven wordt, op een feestje bijvoorbeeld. Als jongens me lastigvallen, moet ik soms op mijn tanden bijten om niet te zeggen: ‘Wel, kerel, zullen we eens naar buiten gaan?’”

Heb je dat al gedaan, een slag toegebracht buiten de ring?

“(fel) Natuurlijk niet, dan staat je licentie op het spel. Je mag alleen boksen in de ring.”

Ik vernam dat je ook een heel goede pleitster bent. Bij een grote wedstrijd vorig jaar werd je tweede.

“Ik kan dat toch niet zeggen over mezelf. Het is wel zo dat ik het als kind al goed kon uitleggen, beter dan dat ik het kon opschrijven. Dat heeft met die drive te maken. Ik kan ook snel inpikken op zaken en situaties snel inschatten. Maar als ik me op die pleitwedstrijd vergelijk met mijn tegenstanders, dan stel ik vast dat zij iets meer strikt juridisch en sec pleiten. Ik zal steeds proberen het menselijke aspect in de verf te zetten.”

Dan zit je wel perfect op het kantoor van Piet Van Eeckhaut: je zou wegkwijnen tussen procedurepleiters.

“Dat kantoor zit me inderdaad als gegoten. Prachtige collega’s, een goede sfeer, we zijn écht kameraden. En de stijl van meester Van Eeckhaut spreekt me uiteraard geweldig aan. Ik vind het zo belangrijk dat tijdens een verdediging de omgeving van de cliënt wordt meegenomen: de achtergrond van een mens, zijn conditie, verleden en woekeringen. Als advocaat ben je de hele tijd met mensen bezig, met belangrijke momenten in hun leven.”

Je komt door dat boksen in een totaal ander milieu terecht dan bij pakweg een tennisclub. Jouw advocatenmilieu is dan weer iets meer elitair, gesloten. Lukt het om te switchen de hele tijd?

“Ik heb altijd goed kunnen functioneren in verschillende groepen. Ik sta open voor andere meningen, steeds vanuit een groot respect voor alle mensen. Het enige moeilijke vind ik de manier waarop sommige boksers met vrouwen omgaan. Dat er toespelingen worden gemaakt à la...”

... geen ‘wijven’ bij ons?

“Nee, het is anders. Ik krijg soms opmerkingen van clubleden die een en ander koppelen aan hun geloof, de islam. Ik heb ooit een sneer gekregen toen ik met gewichten bezig was, iets in de zin van: ‘Wat doe jij hier, moet jij niet thuis zitten bij man en kinderen?’. Dat is lastiger. Ik vind dat ik even veel recht heb als zij om daar te zijn. Ik heb ooit meegemaakt dat een man me niet de hand wou schudden omdat ik een vrouw was. Die is daar later wel op aangesproken door iemand van het bestuur.”

En het omgekeerde? Doet het advocatenmilieu niet minnetjes over de boxeuse?

“Welnee. Meester Nina Van Eeckhaut, dochter van, en een ongelooflijke advocate ook, heeft me aangetrokken om naar hun kantoor te komen. Zij had een paar privébokslessen gevolgd bij mijn trainer. Hij had tegen Nina gezegd: we hebben hier een rechtenstudente, misschien moeten jullie elkaar eens ontmoeten. En zo gebeurde, bij de barbecue op het einde van het seizoen. Het klikte meteen, de hele avond hebben we zitten praten. Ze zag mijn gedrevenheid en meldde me later dat er een stageplaats vrijkwam op hun kantoor. Korte tijd later had ik een gesprek met haar en haar vader. Ik voelde me meteen enorm op mijn gemak bij meester Van Eeckhaut.”

En uiteraard vroeg hij jou meteen naar je ‘activiteiten’.

“Dat was onvermijdelijk. Hij vond het speciaal, die combinatie. Hij was en is nog steeds enorm geïnteresseerd. Hij spreekt me regelmatig aan over mijn boksprestaties. In mei komt hij kijken naar een wedstrijd bij ons in de club. Nina komt vrijdag kijken, samen met het volledige kantoor.”

Klopt het dat mede dankzij jou de advocatuur zijn intrede doet in het boksmilieu? Tussen dat publiek van zware jongens, allochtonen en buitenwippers staan nu ook de Walter Van Steenbrugges van deze wereld.

“Meester Van Steenbrugge komt inderdaad langs, maar dat heeft ook te maken met het feit dat een van zijn medewerksters aan kickboksen doet. Zij heeft hem warm gemaakt voor het boksen. Maar het klopt: je ziet tussen die 3.000 mensen wel eens iemand lopen die niet aan dat zogenaamde clichébeeld van het bokserspubliek beantwoordt. Al moet ik zeggen dat het boksen de laatste jaren een steeds bredere groep mensen aanspreekt.”

En hoe reageerden je ouders op je boksaspiraties?

“Ze weten dat ik een ongelooflijke plantrekker ben en dat je iets wat ik in mijn hoofd heb er nog moeilijk weer uit kunt praten. Mijn mama heeft het nochtans geprobeerd. Ze zei: ‘Ik ken iemand die na negen maanden stopte met boksen, omdat ze lichamelijk enorm uitzette.’ Toen dat argument niet lukte, begon ze zich op die neus toe te spitsen: ‘Stel je voor dat je zo’n kanjer krijgt’. Maar niets hielp. De eerste keer dat ze kwam kijken heeft ze doodsangsten uitgestaan. Nu is ze mijn hevigste supporter. Ze staat van de eerste ronde tot de laatste recht, te zwaaien. Mijn vader vindt het intussen ook super. Mijn ouders komen altijd kijken. Mama roept dan dat ik moet slaan, papa roept dat ik mijn dekking hoger moet houden. Ze zijn dus complementair.”

Je bent blijkbaar ook goed, anders zou je geen Belgisch kampioene zijn geworden in jouw gewichtsklasse.

“Ik probeer mijn best te doen, zowel in de job als in de sport. Het mooie aan boksen is ook dat je deel uitmaakt van die club, van de groep die je draagt. En het is bijzonder interessant voor mijn beroep. Ik moet mensen van verschillende culturen en achtergronden leren begrijpen, en ermee overeenkomen. Op die manier hou ik mijn gezichtsveld breder en dat is een meerwaarde voor mijn werk.”

Wat vind je het moeilijkste?

“De combinatie ervan. De praktische kant van de zaak dus. Soms hol ik mezelf achterna. Maar ik ben nog jong, ik word volgende maand 25.”

En hoe lang bokst een mens gemiddeld?

“(lacht) Ik wil nog lang niet aan stoppen denken. Ze zeggen dat je piek tussen je 27ste en je 30ste ligt.”

En het feit dat je wint, titels behaalt, zelfs kampioen wordt, geeft dat een boost?

“Ik heb het echt niet gedaan voor die titels. Anderzijds moet ik daar ook niet onnozel over doen. Ik wil winnen. Als ik in de kleedkamer zit voor de wedstrijd, is mijn zinnetje: ‘Mieke, sla ze tot moes en zet ze op hun kont’. Eerlijk waar, zo gaat dat. Indien je zou denken: ‘Oei, ik zal haar niet te hard slaan, anders heeft ze misschien pijn’, moet je er niet aan beginnen.”

Wat zijn je mooiste momenten geweest de voorbije jaren?

“Ik moet dan meteen aan die cliënte denken die acht jaar lang een heroïneverslaving had en dealde. De drugsbehandelingskamer had een traject uitgestippeld voor haar. Heel gedreven is ze ervoor gegaan. Anderhalf jaar lang moest ze regelmatig verschijnen en uitleggen welke vorderingen ze maakte. Ze is in begeleiding gegaan, vond werk, startte een heel nieuw leven op. Ze had nochtans geen vrienden meer en de familie keek niet meer naar haar om. Nu heeft ze weer een nieuw netwerk rondom haar. Ze is ook voor de eerste keer in tien jaar op reis gegaan, met haar moeder. En vorige maand kreeg ze uiteindelijk ook opschorting van straf. Toen ik haar een dankwoord hoorde zeggen voor de rechtbank, ben ik heel emotioneel geworden, ik was diep ontroerd. Een week lang kon ik daarop teren, zo euforisch was ik. Wat een doorzetting. Ik had zo’n respect voor het feit dat ze herrees, dat ze gered was, of beter: dat ze zichzelf gered had en was opgestaan. Het gaat hier over een minimum aan slaagkansen die maximaal worden benut.”

En dan zijn er jouw ‘slaag’kansen in de ring, wat totaal anders is. Als advocaat trek je mensen er weer bovenop, als bokser moet je ze op de grond krijgen, ze proberen vloeren.

“En toch staat dit los van elkaar. In het leven red je jezelf, ga je praten en niet slaan om je gelijk te halen. In het boksen is het: jij of ik. Dat is niet dubbel voor mij. Ik verander als mens niet als ik tussen mijn boksvrienden zit of bij mijn collega-confraters. Ik merk uiteraard wel dat er andere condities zijn. Zodra je die toga draagt, verandert je taal, zijn je handelingen gestileerder, ben je hoffelijk, betuig je respect aan voorzitters en auditeurs. Zodra je de ring ingaat, is het anders. Dan klop je de handschoenen die je draagt een paar tegen elkaar, pep je jezelf op en kom je in een andere toestand, met andere omgangsvormen en een ander taalgebruik. Dat respect blijft. En in wezen blijf ik ook dezelfde persoon. Iedereen heeft uitersten in zich en blijkbaar benut ik die uitersten.”

En dat ‘vecht’ niet met elkaar?

“Ik heb er nooit problemen mee gehad dat ik iemand pijn doe in de ring. Wie niets doet, krijgt de meppen. Zo gaat het daar. Wie het overwicht heeft, door een goede techniek en veel kracht, die wint.”

Had je het als kind al in jou, was je een vechtertje?

“Zeker niet. Ik kreeg in het zesde middelbaar zelfs de prijs van meest verdienstelijke leerling omdat ik verzoenend optrad, zei men, omdat ik het verbindingselement was in de klas.”

Je naam Moorthamer past ook wel als bokser. Je bijnaam in de ring is ‘Killhammer’.

“Vroeger vond ik mijn familienaam verschrikkelijk. Nu is het cool, toch?”

En heeft Killhammer een dodelijke rechtse of linkse?

“Bij mij is het de rechtse.”

Nooit bang dat die ‘kill’ eens letterlijk kan gebeuren, dat je iemand doodt in de ring?

“Een paar jaar geleden stond er eens een artikel in de krant over een bokser die gestorven was in de ring. Het is bijzonder zeldzaam. Mijn devies is: je mag je nooit door angst laten verlammen. Je staat in het leven, grijp het dus met beide handen. Er kan altijd iets gebeuren. Je kan zelfs uitglijden in je bad met fatale gevolgen.”

Als advocaat ben je niet bang om de zaak te verliezen die jouw cliënt definitief in de ellende duwt?

“Natuurlijk hou ik mijn hart vast in delicate zaken. Het moeilijkste vind ik kort gedingen en jeugdrechtbanken, met name als het om kinderen gaat. Ik ga daar soms te emotioneel mee om. Nina heeft me echter gezegd dat de kracht niet moet zitten in het volume van mijn stem, maar in mijn woorden. Ik probeer dat te leren, maar de omstandigheden van een zaak blijven mij emotioneel beroeren. Bijvoorbeeld een moeder van wie haar kind wordt afgenomen, omdat ze niet weet wat haar rechten zijn, bij verstek veroordeeld wordt, en vanuit die benarde positie recht moet kruipen. Daar ga ik dan ongelooflijk voor.”

De kracht moet in je woorden liggen, maar de kracht ligt ook in je vuisten.

“Dat is zo, inderdaad. Belangrijk is dat zowel woord als kracht hun plek hebben gekregen, en dat het zich niet mengt. Je gebruikt je vuisten niet buiten de ring en het is niet met woorden dat je als bokser resultaten bereikt. Over die vuisten ben ik wel tevreden. Laatst was ik aan het sparren met een andere trainer van de club en die zei me: ‘Verdorie, Mieke, je slaat bijna als een man.’ Misschien heb ik die kracht van mijn moeder. Ze is 55 en heeft al vijf keer de Dodentocht gestapt. Vorig weekend liep ze de twintig kilometer in Nederland. Mijn broer is keurturner geweest. Hoewel hij al jaren gestopt is, straalt hij dat nog altijd uit: hij ziet eruit als een jerommeke.”

En de ‘kleerkast’ waarvan je moeder vreesde dat je die zou ontwikkelen?

“Daar heeft ze gelijk in gekregen. Vorig weekend ging ik een bikini kopen. Ik paste hem en zag... oei. Vooral op de rug, aan de schouder en op borsthoogte zit daar een volume spieren. Ik ben negen kilo bijgekomen door het boksen en dat is puur door de spiermassa. Wat je daarmee doet? Een andere bikini kopen, natuurlijk, waar je dat minder in ziet.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234