Zaterdag 03/12/2022

Adam Foulds

oms is de realiteit verbazingwekkender dan fictie ooit zou kunnen zijn en hoeft een romancier niet meer te doen dan de feiten na te trekken en deze neer te schrijven. Dat is wellicht het gevoel dat Adam Foulds kreeg toen hij voor het eerst over Matthew Allen hoorde, de dokter die tijdens de jaren dertig van de negentiende eeuw in Epping Forest Beech Hill uitbaatte, een psychiatrische instelling waar op een gegeven ogenblik twee van de toen bekendste dichters verbleven. Het betrof Alfred Tennyson, de man die met zijn In Memoriam de aandacht van de rouwende queen Victoria zou trekken. Hij werd poet laureate en zou gelden als de archetypische Victoriaanse dichter. Zelf was hij depressief en zijn broer Septimus werd geplaagd door melancholie, kwalen waar ze in Beech Hill van verlost hoopten te worden.

De tweede schrijver was zo mogelijk nog fascinerender, de ‘boerendichter’ John Clare, afkomstig uit het Noord-Engelse Peterborough en zwaar schizofreen. Hij was een gevierd literator in het mondaine Londen dat onder invloed van de romantiek opeens aandacht kreeg voor de authenticiteit van het platteland, maar eens die hype voorbij liet men hem vallen als een steen. Clare gooide zich op de alcohol, werd steeds gewelddadiger en beeldde zich uiteindelijk in dat hij naast zijn vrouw Patty en hun zes kinderen ook nog een gezin had met zijn kindervriendinnetje Marie, dat hij het laatst zag toen ze negen was. Hij werd opgenomen in Beech Hill, raakte ervan overtuigd dat hij in een vorig leven Shakespeare was geweest en liet zich graag Lord Byron noemen. Zo schreef hij van diens Don Juan en Childe Harold alternatieve, zwaar seksueel geladen versies neer. Eens vrij uit Beech Hill wandelde hij te voet naar huis, om niet veel later in een andere instelling te belanden, waar hij zijn bekendste gedicht schreef, I am, in al zijn kwetsbare naïviteit een pakkende beschrijving van de wijze waarop een psychische aandoening de persoonlijkheid ondergraaft.

Sleutel naar de buitenwereld

Maar zo ver zijn we dus nog niet in Adam Foulds’ roman De dwaaltuin, die anderhalf jaar geleden terecht op de shortlist van de Booker Prize prijkte en het diende af te leggen tegen Hilary Mantels Woolf Hall, volgens de verenigde kritiek zo’n indrukwekkend boek dat het helemaal geen schande was om ervan te verliezen. Nee, Foulds beschrijft als geen ander het leven in en om de psychiatrische instelling. Hij weet perfect hoe het er bijna twee eeuwen geleden toeging in de psychiatrie - en in het dagelijkse leven, want dat komt uiteindelijk vaker aan bod - zonder dit uitvoerig te moeten etaleren. De dwaaltuin leest daardoor niet als een historische roman, maar wel als een fantastisch goed boek dat begin negentiende eeuw als een eigentijdse roman werd geschreven en dat vandaag herontdekt is, volstrekt waarheidsgetrouw dus, en getuigend van een ontwapenende vanzelfsprekendheid.

Twee grote verhaallijnen staan centraal in het boek. Enerzijds is er Hannah, de zeventienjarige dochter van Matthew Allen die na heel veel hijgen en hunkeren en wachten en zuchten in Tennyson de ware ziet, ook al waarschuwt haar vriendin Annabella haar voor zijn stinkende adem en zijn vuile oren. Geen onbelangrijke details, zo blijkt, want deze liefde gaat vervolgens een heel andere kant op. Significanter voor het lot van Beech Hill is de tweede verhaallijn, waarin Matthew Allen zich opwerpt als een geboren industrieel en onder meer met de erfenis van Tennyson een fabriek opzet, waar met behulp van de door hemzelf uitgevonden pyroglief industriële kopieën van artistiek houtsnijwerk worden gemaakt. Of dat zou het toestel toch moeten doen, zeker als de dichter zijn geld wil terugzien.

Foulds weet deze verhalen historisch aan te kleden door er een paar trefzekere details aan toe te voegen. Tussen Matthew en zijn broer Oswald is de spanning bijvoorbeeld te snijden, vooral door de manier waarop zij God zien. Oswald is een typische protestant die hard werken en boeten in het vaandel draagt, terwijl Matthew een Spinozistisch pantheïsme aanhangt dat begrip opbrengt voor alle uitingen van religie. Dat blijkt vooral uit de preken die hij op zondag afsteekt voor zijn betere patiënten en die wij vandaag wellicht oecumenisch zouden noemen. En dat zegt ook veel over de vooruitstrevende aanpak die hij in Beech Hill in praktijk brengt. Zo weinig mogelijk opsluiting en zo veel mogelijk contact met de buitenwereld, waarbij sommige patiënten zelfs een sleutel krijgen van de poort. Een van hen is John Clare, die zo bij een stel zigeuners belandt en daar te horen krijgt hoe er steeds minder plaats rest voor hen. Stelselmatig worden alle gemeenschapsgronden geprivatiseerd en omheind, waardoor eenieder die niet in het gareel loopt verscheept kan worden naar Australië, “het continent dat als een grote strafkolonie is ingericht”.

Verlangen naar bevrijdende liefde

Om te beseffen dat er parallellen zijn tussen het omheinen van de gronden en het opsluiten van iedereen die zich niet normaal gedraagt, hoef je echt geen Foucault-expert te zijn. En meteen begrijp je dat Hannahs verlangen naar de grote bevrijdende liefde, die ongetwijfeld gesmoord zal worden in een Victoriaans huwelijk met zijn dubbele morele standaarden, daar ook verband mee houdt. De dwaaltuin is daardoor zowel emotioneel als intellectueel een bijzonder rijk boek, dat op zoek gaat naar de historische fundamenten van de kleinburgerlijkheid. Beech Hill, dat mogen we wel verklappen, is dus van bij de aanvang gedoemd.

Poëzie en waanzin

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234