Maandag 28/11/2022

Academische Kwaliteit... met grote K

Universiteiten staan voor een grote omwenteling. Zij moeten hun decennialang gekoesterde onderwijssysteem loslaten en instappen in een nieuwe bachelor-masterstructuur. Een zware intellectuele en emotionele opdracht die bovendien snel (tegen juni 2003), zonder extra middelen én met behoud van een degelijke onderwijsverstrekking tijdens de overgangsfase dient te worden volbracht. Met die hele operatie komen de Vlaamse universiteiten op een geglobaliseerde wereldmarkt terecht.

De exponentiële groei van informatietechnologieën (die leiden tot geheel nieuwe onderwijsvormen en 'distributed learning') en het toekomstige creditsysteem maken immers dat het 'shoppen' tussen onderwijsleveranciers kan beginnen. Ondanks de vele voordelen van het Bologna-proces (denk aan uitwisseling van studenten, docenten en kennis) betekent dat een confrontatie met een agressiever onderwijslandschap die de lokale rivaliteiten overstijgt. Om op die geglobaliseerde onderwijsmarkt te kunnen standhouden, dient het Europees (en dus ook het Vlaams) hoger onderwijs competitiever en attractiever te worden gemaakt. Daardoor dreigt de gezonde competitie tussen instellingen, gestoeld op het aanbieden van hoogwaardig onderwijs en innovatief onderzoek, op te schuiven naar een marktgestuurde concurrentie.

Aangezien de overheid blijkbaar niet van plan is gelijke tred te houden met de financiële noden, worden de instellingen verplicht zelf op zoek te gaan naar alternatieve bronnen: verhoging van inschrijvingsgelden, valorisatie van eigen kennis en onderzoek, te koop aanbieden van specifieke diensten, aantrekken van sponsors en uitbouw van allianties met industrie en/of andere instellingen. Universiteiten treden daardoor buiten hun natuurlijke biotoop. Bijkomend worden ze geconfronteerd met nieuwe spelers: technologiegiganten zoals IBM, Microsoft en wereldwijde consultbedrijven bieden voortgezet onderwijs aan in hun 'corporate universities'.

De jarenlange monopoliepositie van de klassieke overheidsgesteunde instellingen wordt daarbij door de opkomst van die 'for-profit'-instellingen doorbroken. Zoals elk ander verhandelbaar goed staat academisch onderwijs nu onder druk van economische wetmatigheden. In die logica beginnen universiteiten een beroep te doen op marketingtechnieken. Ze willen koste wat het kost hun imago verbeteren. Immers, hoe beter men in de markt ligt, hoe meer middelen, studenten, betere vorsers en docenten er aangetrokken kunnen worden. Reputatie of prestige is dan het streefdoel. Op bijna lachwekkende wijze beginnen universiteiten zich dan voor te stellen als het nieuwe Harvard gelegen aan het lokale riviertje. Ergens weten academici ook wel dat die prestigieuze buitenlandse universiteiten op bachelorniveau een soort bevoorrechte kostscholen zijn voor kinderen van de sociale of financiële elite. Door het vasthouden aan een strikte opleidingscapaciteit op masterniveau trekken ze daarna wel de beste studenten aan. Het inschrijvingsgeld is dan ook navenant.

Hoe een reputatie wordt opgebouwd is afhankelijk van nogal wat factoren. De tevredenheid van alumni omtrent de maatschappelijke meerwaarde van het diploma is voor de hand liggend. Deel uitmaken van een netwerk van alumni in de professionele wereld is ook van tel. De historische wortels van oude instellingen stralen ook een aura van, al dan niet terechte, degelijkheid af. Natuurlijk staat het buiten kijf dat het excellentie niveau van een instelling bijdraagt tot het prestige ervan. Toponderzoek wordt door alle peers erkend, grensverleggend onderwijs en begeesterende professoren trekken studenten aan. Maar weegt die werkelijke academische kwaliteit op tegen de kracht van een al of niet gegrond prestige? Want wat is dat, kwaliteit? En in hoeverre is ze meetbaar, laat staan vergelijkbaar. In Vlaanderen kennen we sinds 1991 externe visitatiecommissies die de opleidingen naar waarde onderzoeken. Maar opdat de uitgereikte diploma's ook Europees vergelijkbaar zouden zijn, worden ze binnenkort onderworpen aan een accrediteringsorgaan. Hadden de visitatiecommissies vooral een verbeterfunctie, het accrediteringsorgaan zal een sanctionerend effect hebben. Een negatief advies kan leiden tot de afschaffing van een opleiding. Er moet dus niet getwijfeld worden aan het feit dat onderwijsinstellingen hun uiterste best zullen doen om aan het vooropgestelde accrediteringskader te kunnen voldoen.

Maar door het dwingende karakter van de accrediteringsoefening, is een correcte invulling van de beoordelingscriteria en van wat men precies wil meten, absoluut noodzakelijk. De doelstelling van een opleiding, het onderwijsproces, de gebruikte infrastructuur, het beleid en management, de bereikte resultaten en de relevantie van het achterliggende onderzoek maken deel uit van die analyse.

Maar hoe toetsen we dit alles en aan wat ? Bestaan er kwantitatieve kwaliteitscriteria en gelden ze als enig zaligmakend ? Gereputeerde economische tijdschriften houden zich jaarlijks bezig met scores toe te kennen aan opleidingen op basis van tewerkstelling, carrièrekansen en inkomen van alumni. Ook de aansluiting van de opleiding op de arbeidsmarkt wordt bevraagd bij werkgevers. Maar het marketingimago van de instelling/opleiding, het sociaal-maatschappelijke netwerk van alumni en de economische conjunctuur beïnvloeden die arbeidsmarktgegevens in die mate, dat de waarde van zo een meting sterk ter discussie wordt gesteld. Kwantitatieve kwaliteitscriteria versterken bovendien de dwang naar uniformiteit in opleidingen waardoor vernieuwing en creativiteit in de kiem gesmoord worden.

In onderzoek lijkt meting eenvoudiger. Onderzoeksresultaten worden immers voorgelegd aan vorsers die wereldwijd in hetzelfde veld werkzaam zijn. Publicaties en wetenschappelijke prijzen laten een bibliometrische inschatting toe. Maar deze techniek is niet absoluut. Slechts in biomedische en natuurwetenschappen is ze goed toepasbaar. De grootte van onderzoeksploegen, het aantal auteurs op een publicatie of de handigheid in het publiceren over hetzelfde thema relativeren de bibliometrische cijfers. Ook trendy onderzoek zal gemakkelijker aanvaard worden dan eigenzinnig tegendraads onderzoek.

Inschatten van de kwaliteiten van een academische opleiding steunt mijns inziens meer op de wijze waarop brede basiskennis en attitudes van 'levenslang leren' overgedragen worden en de mate waarin intellectuele flexibiliteit gestimuleerd wordt. Kwaliteitsmeting kan daarom slechts ingevuld worden door onafhankelijke peers die naast meetbare parameters van kwaliteit vooral de kwaliteitscultuur achter een opleiding opzoeken. En die cultuur heeft alles te maken met de eigenheid van een instelling.

De opdracht van het toekomstige accrediteringsorgaan bestaat er dus in om een opleiding te toetsen aan een accrediteringskader, zonder de culturele diversiteit of eigenheid van de opleiding aan te tasten. Dit 'keurmerk' garandeert de studenten, maar ook de samenleving, dat een geaccrediteerde opleiding werkelijk berust op competenties en kwalificaties die internationaal aan de graad verbonden zijn. In het uitstalraam zal dan keuze zijn tussen kwalitatief vergelijkbare opleidingen.

Vanuit concurrentieoogpunt zouden universiteiten daarom beter trachten hun eigenheid te benadrukken, in plaats van zich voor te doen als kopieën van een prestigieuze instelling. De eigenheid van een academische opleiding zou voor student, vorser en docent dé doorslaggevende kwalitatieve factor moeten zijn bij zijn/haar keuze voor een universiteit. Universiteiten zijn immers méér dan leveranciers van accuraat onderwijs of goed uitgevoerd onderzoek.

Als pleitbezorgers van het ongebonden onderzoek neemt de VUB haar plicht ernstig om jonge mensen kritisch en wetenschappelijk te leren denken. Wetenschappelijk denken is echter ontoereikend als het niet geïnspireerd en geleid wordt door wijsheid, die de ethiek van een evoluerende maatschappij voedt. De steeds weerkerende vooroordelen tegen minderheden, de dreiging van dogmatische regimes en religieus integrisme, het opduikend sectarisme, racisme en zelfs individualisme, maar ook de ethische vragen die ontstaan door grensverleggende wetenschappelijke ontwikkelingen, maken die educatieve opdracht blijvend actueel. De bodem vruchtbaar maken voor dit gedachtegoed en slagen in de overdracht van die academische waarden aan nieuwe generaties, maakt de werkelijke kwaliteit van de universiteit uit.

Op het eerste gezicht valt er misschien weinig prestige mee te winnen, maar des te meer erkentelijkheid van de vele afgestudeerden die hun verantwoordelijkheden in de maatschappij hebben genomen.

Professor doctor Benjamin Van Camp is rector van de VUB.Academische openingszitting, vanmiddag om 15 uur, Aula VUB, campus Etterbeek.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234