Zaterdag 06/06/2020

InterviewChantal en Merel De Smet

‘Abortus staat fel ter discussie bij twintigers’: Chantal De Smet en dochter Merel over de erfenis van de Dolle Mina’s

Chantal De Smet en haar dochter Merel.Beeld Eric de Mildt

Exact vijftig jaar geleden, in maart 1970, richtte Chantal De Smet de Gentse afdeling van de Dolle Mina’s op. Met haar dochter Merel De Smet maakt ze de balans op van een halve eeuw feministische strijd.

Chantal De Smet (74) was jarenlang directeur van de Gentse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK). Vandaag geniet ze van haar pensioen. Samen met dochter Merel (40) blikt ze terug op een halve eeuw strijd voor vrouwenrechten. Want precies vijftig jaar geleden stond ze samen met wijlen Roos Proesmans en Willem Elsschots kleindochter Ida Dequeecker aan de wieg van de Belgische Dolle Mina’s.

Chantal De Smet studeerde kunstgeschiedenis aan de UGent toen op 4 maart 1970 de allereerste Dolle Mina-actie in Antwerpen plaatsvond. Vier dagen later, op Internationale Vrouwendag, stampte ze de Gentse afdeling van Dolle Mina uit de grond. “Die vierde maart was ons doelwit een verzekeringsmaatschappij. Mannen mochten er achter hun bureaus sigaretten zitten roken en hun vrouwelijke collega’s niet. Wij, Dolle Mina’s, vroegen toen provocerend ook ‘recht op longkanker’.”

Merel: “Aan dezelfde ziektes mogen lijden is ook een vorm van emancipatie.”

Chantal: “In wezen ging onze actie natuurlijk over niets meer of minder dan gelijke arbeidsvoorwaarden voor mannen en vrouwen.”

Houdt u nu een herdenkingsfeestje?

Chantal: “Nee, maart 1970 is eerder een herinnering. Ik geloofde lang dat alles altijd beter zou gaan, maar ik moest vaststellen dat er ook momenten zijn waarop er stappen achteruit worden gezet. Sommige jonge mensen vinden vandaag opnieuw dat de plaats van de vrouw aan de haard is. In steeds meer landen, zoals in de Verenigde Staten, worden de abortuswetten aangescherpt. Ik kraai dus geen victorie.”

Wat voor een club was Dolle Mina?

Chantal: “De meeste leden waren jonge, intellectuele vrouwen. In de Gentse afdeling zaten ook twee ambtenaren, een zelfstandige winkelier, twee bedienden en een laborante. Dolle Mina kwam overwaaien uit Nederland.”

Chantal De Smet: "Rond 1970 hield zowat niemand rekening met de verwachtingen en eisen van vrouwen. Daaruit is Dolle Mina ontstaan."Beeld Eric de Mildt

Dat waren de vrouwen die publiekelijk hun bh’s verbrandden? Of is dat een cliché?

Chantal: “Nee hoor, dat deden ze ook. Hun eerste actie in Nederland speelde zich op 23 januari 1970 af in een privé-businessschool gevestigd in een kasteel. Een exclusieve mannenschool waar meisjes niet welkom waren. Dat kasteel werd een dag bezet. ’s Avonds gingen de actievoerders in Amsterdam een ruiker bloemen leggen aan het standbeeld van Wilhelmina Drucker, een Nederlandse feministe die zich begin twintigste eeuw inzette voor vrouwenkiesrecht. ‘Dolle Mina’ was een verwijzing naar haar bijnaam, ‘IJzeren Mina’.

“Ik was een militante studente. Toen 53 jaar geleden de progressieve Studenten Vakbeweging opgericht werd, was ik daar ook bij. Het is dus niet zo verwonderlijk dat ik betrokken raakte bij Dolle Mina. Onze eerste Gentse actie was op 18 april aan een crèche die twaalf jaar eerder gesloten was. Wij verklaarden ze symbolisch weer voor geopend en protesteerden zo tegen het stuitende gebrek aan plekken voor kinderopvang.”

Wat heeft Dolle Mina verwezenlijkt?

Chantal: “Niets. (lacht) Rond 1970 hield zowat niemand rekening met de verwachtingen en eisen van vrouwen. Daaruit is Dolle Mina ontstaan. Er bestonden op dat moment al vrouwenorganisaties van politieke partijen en vakbonden, zoals de Socialistisch Vooruitziende Vrouwen. Die gaven onder andere cursussen schminken en bloemschikken. Ze verzorgden activiteiten die enkel draaiden rond de rol van de vrouw in het huishouden. Maar ze organiseerden geen lezingen over bijvoorbeeld huwelijksgoederenrecht. De man bleef voor hen hoofd van het gezin. Dolle Mina was als een zweepslag en bracht op een ludieke manier vrouwenrechten onder de aandacht. Zo triggerden we traditionele vrouwenbewegingen.”

U maakte ze door uw acties activistischer?

Chantal: “Precies, en dan heb ik het over de vrouwenorganisaties van álle gezindheden. Sinds Dolle Mina is er ook veel verwezenlijkt. Zo werd het huwelijksrecht aangepast en zorgde CD&V-politica Miet Smet voor quotawetgeving voor kieslijsten. Abortus stond heel lang ter discussie omdat de christelijke beweging daar minder voorstander van was. Uiteindelijk plooiden ze toch.”

Drukt u het niet iets te eufemistisch uit? De christelijke beweging was toch een felle tegenstander van abortus?

Chantal: “Die geschiedenis moet nog geschreven worden. Niet iedereen binnen de christelijke beweging was tegen abortus, alleen konden ze het zich vanuit politiek oogpunt niet permitteren daarvoor uit te komen.”

Merel: “Na jaren als bediende gewerkt te hebben, zit ik nu terug op de schoolbanken, in mijn tweede jaar verpleegkunde. Tot mijn grote verbazing moet ik vaststellen dat abortus en euthanasie onder twintigers zwaar ter discussie staan. Voor velen is dat zelfs onbespreekbaar. Nogal wat klasgenoten, ik doel dan op jonge moslima’s, zijn geloviger dan de generatie van mijn grootouders ooit was. Ik vind dat zeer beangstigend. Al onze verworvenheden stellen zij ter discussie. Die meisjes zijn hier nochtans geboren en getogen. Ik heb intussen geleerd om op school voorzichtig te zijn met het uiten van wat ik vanzelfsprekend vind, zoals dat recht op abortus. Het is niet omdat er een wet is die abortus of euthanasie regelt dat het ook in de hoofden van de mensen geregeld is. Ik vermoed dat ook veel overtuigde katholieken het daar nog zeer moeilijk mee hebben.”

Chantal: “Toch is bijvoorbeeld het homohuwelijk intussen veel meer aanvaard dan toen het in 2003 mogelijk werd. Dat geldt ook voor abortus en euthanasie. Wat niet wil zeggen dat we niet oplettend moeten blijven.”

Waar komt het engagement van Chantal De Smet vandaan?

Chantal: “Van mijn ouders. Vader André was zeer actief in de vredesbeweging. Jan Dhondt, mijn oude geschiedenisprofessor aan de universiteit, zei altijd: ‘Naast introverte en extraverte mensen heb je ook nog militanten.’ Hij zag militantisme als een soort van mentale ingesteldheid: militanten engageerden zich voor whatever.”

Merel: “Ik kende je als militante, geëngageerde moeder. Ook mijn grootouders, jouw ouders, waren tot op hoge leeftijd militant. Zij gingen altijd betogen; wij zagen hen als rolmodellen.”

Moeder Chantal en dochter Merel kwamen nooit in conflict met elkaar?

Merel: “O jawel, herhaaldelijk. Ik ben me ervan bewust dat ik niet het makkelijkste kind was. Chantal heeft me vlak na mijn geboorte geadopteerd; mijn biologische moeder was vijftien. Chantal is een zeer principiële militante. Door ouder te worden is mama wat milder geworden, maar doorheen haar leven nam ze belangrijke principiële beslissingen. Ze wou voor zichzelf instaan en in een relatie niet afhankelijk zijn. Dat had ook gevolgen voor mij.”

Het was hier geen traditioneel huisje-tuintje-boompjegezin?

Merel: “Helemaal niet. (lacht) Er waren veel plus-kinderen en ik had een stiefbroer en -zus met wie ik op papier niets te maken had. Voor mij als klein meisje was dat heel raar. In dit huis waren ze gewoon broer en zus, maar op de lagere school werden ze zo niet erkend. Ik herinner me nog een conflict op diezelfde school: ze vonden dat mijn moeder niet genoeg bijdroeg aan de schoolwerking omdat ze niet voldoende taarten gebakken had. Terwijl mama geld en knutselmateriaal gaf en achter de schermen voor de school lobbyde.”

Chantal: “Op die school viel het uiteindelijk nog wel mee. Op de hoek was een volkscafé waar ze ons ‘de hippies’ noemden.”

Merel De Smet: "Chantal heeft me vlak na mijn geboorte geadopteerd; mijn biologische moeder was vijftien."Beeld Eric de Mildt

Dochter Merel genoot een feministische opvoeding?

Merel: “Zonder twijfel. Mama zei: ‘Doe wat je graag doet, het maakt niet uit wat het is.’ In gesprekken met andere mensen merk ik nu dat ik blijkbaar wel érg liberaal geworden ben. Niet in de politieke betekenis van het woord, maar in de zin van: vrijgevochten.”

Chantal: “Liberaal, humanistisch. Mannen en vrouwen zijn allebei mensen, ze zijn gelijk maar niet hetzelfde. Toch geloof ik niet in de stereotypering van wat een man of vrouw zou moeten zijn. Niet zo lang geleden zat er een bijlage bij de krant over gezondheidszorg in Vlaanderen. Op de foto poseerden enkel mannen, terwijl zorg net een sector is waarin vooral vrouwen actief zijn.”

Merel: “De zorgsector is gefeminiseerd, maar het zorgbeleid blijft nog vooral in handen van mannen.”

Mijn vrouw is zorgcoördinator op een basisschool. Haar collega’s zijn voornamelijk vrouwen; er werken nog drie mannelijke leerkrachten. Ze vindt die ver doorgedreven feminisering op haar school niet gezond.

Chantal: “Ze heeft gelijk. Ver doorgedreven feminisering van een beroep betekent dikwijls dat het ondergewaardeerd wordt. In de zorg zie je exact hetzelfde fenomeen. In ziekenhuizen zijn verpleegkundigen, dokters en specialisten meer en meer vrouwen. Maar de leiding blijft in handen van mannen. 

“Toen ik directeur van de academie was, schommelde het aandeel vrouwelijke studenten lang rond 55 procent. Bij het personeel was dat ook zo. Maar het bestuur bestond enkel uit mannen. Geen enkele vrouw. Ik vraag me dan af: waarom laat je al die vrouwen studeren als ze achteraf nooit mee de lakens mogen uitdelen? Mijn vroegere school is in 1748 opgericht en tot hiertoe stond er één vrouw aan het roer: ikzelf. Dat zegt toch genoeg?”

Is Merel De Smet net als haar moeder een strijdend feministe?

Merel: “Nee, ik ben geen activiste. Al was ik in de de vroege jaren zeventig misschien ook wel een Dolle Mina geworden. Ik groeide op in een tijd toen veel rechten vanzelfsprekend waren, zoals het recht op anticonceptie, abortus, een vrije relatie, een vrije studiekeuze… Ik moest daarvoor niet op de barricaden. Ik vind niet dat we specifiek voor de rechten van de vrouw moeten strijden; we moeten voor de rechten van élke mens opkomen. Ik maak me wel veel zorgen over die conservatieve reflex onder twintigers én dertigers.”

Chantal: “Vandaag vinden sommigen dat de balans te veel overhelt richting permissiviteit. Volgens de voorzitter van de N-VA was mei ’68 zelfs het begin van alle miserie. Dat is natuurlijk vreselijk simplistisch. Eind jaren zestig heerste er optimisme, want de maatschappij leek er eindelijk op vooruit te gaan. In de fifties was het nog alsof de mensen altijd in grijs gekleed liepen. Uiteindelijk kwamen jonge mensen zoals ik daartegen in opstand.”

Beeld Eric de Mildt
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234