Dinsdag 11/05/2021

'Aanzien is altijd een gekroonde hoer'

Zelden zal een boektitel zo accuraat gekozen zijn als Verloren illusies (1837-'43), 'hoofdwerk' binnen Honoré de Balzacs zeventiendelige Comédie humaine. In dat kapitale, overweldigende boek laat Balzac de hyperambitieuze dichter Lucien de Rubempré met bijna sardonisch genoegen op de klippen van het intellectuele Parijs lopen. In de roddelzieke salons, de schimmige uitgeverswereld en de geldzuchtige journalistiek: overal wordt de naïeve eerzucht van de angelieke provinciaal uit Angoulême ten gronde gericht. Door Dirk Leyman

Er is brand uitgebroken in deze buurt, meer bepaald in het hoofd van een jongeman. De brandweer is al meer dan een maand aan het blussen; maar ze slaagt er niet in het vuur te doven. De jongeman brandt van verlangen voor een mooie vrouw. Haar naam is Faam", zo schrijft de 20-jarige Honoré de Balzac (1799-1850) in 1819 opgewonden aan zijn geliefde zuster Laure. Beroemd, gevierd én rijk worden dankzij de kracht van de pen, dat is de droom die Balzac al op jonge leeftijd benevelt en waarvoor hij levenslang hemel en aarde zal verzetten, tot hij zichzelf op zijn 51ste letterlijk doodschrijft. Een man van hoog aanzien worden, door de dames mateloos bemind en in de salons op handen gedragen worden, is het niet toevallig ook de wensdroom van talrijke personages uit zijn La comédie humaine, waarin Balzac met huzarenijver de Franse standen anno 1820 in kaart bracht? Een bijna irrationele drang 'naar boven' kenmerkt menige Balzaciaanse held. Toch spint de in wezen pessimistische visionair zijn fijnste garen bij gedwarsboomde ambities, groteske mislukkingen en haast karikaturale slechtheid. De pijnlijke maar voorspelbare ondergang van Lucien de Rubempré in Verloren illusies (nu eindelijk in een uitmuntende Nederlandse vertaling) is daar een meesterlijke illustratie van.

Gefnuikte ambities: Balzac wist waarover hij sprak. Aanvankelijk kreeg het genie in de dop immers geen poot aan de grond in het post-Napoleontische Frankrijk, waarin het vroegkapitalisme begerig de kop opstak. Midden 1819 ontworstelt de slonzige jongeling, met zijn woeste haardos en zijn aanleg tot corpulentie, zich koppig aan het ouderlijke gezag. Na een gedwongen rechtenstudie en drie onbevredigende (maar leerzame) jaren als notarisklerk, vestigt Balzac zich op een mansardekamertje in de Rue Lesdiguières, vlak bij Père Lachaise. Geheel in de geest van de tijd en onder invloed van Walter Scott, begint Balzac aan het historische Cromwell, een tragedie in stampende verzen. Het kan niet anders, zo vermoedt hij, of literair Parijs vleit zich weldra aan zijn voeten. Tussendoor pleegt hij hoogsentimentele akkefietjes, die hij per strekkende meter en onder pseudoniemen aan inhalige uitgevers slijt. Het succes blijft uit. Cromwell blijkt amper verteerbaar. In 1822 moet Balzac vaststellen: "Ik heb maar twee passies: de liefde en de roem, en geen van beide is al bevredigd."

Mismoedig houdt de wispelturige Balzac de letteren voor bekeken en stort hij zich in onbezonnen experimenten als uitgever en drukker, met in 1828 een onafwendbaar faillissement tot gevolg. Vanaf dat moment zal Balzac voortdurend belaagd worden door schuldeisers. Hij blijft immers op grote voet leven en toont zich tuk op de duurste en opzichtigste kostumering, waarmee hij in de salons zijn boerse uiterlijk maskeert. Voor de Franse letteren blijkt de financiële strop van Balzac evenwel een waar godsgeschenk. Balzac-specialisten twijfelen er niet aan: "De schulden zullen zijn verbeelding aanporren en als drug voor zijn werkkracht fungeren", aldus Gérard Gengembre in Balzac. Le Napoléon des lettres.

Hoe strakker de financiële halsband wordt aangehaald, hoe beter (én sneller) de pagina's plots uit zijn pen beginnen te vloeien. Op piekmomenten schrijft Balzac soms zeventien uur aan een stuk per dag en scoort hij een moyenne van 33 woorden per minuut; tot het hem wazig voor de ogen wordt en zijn slapen beginnen te bonzen. Tussendoor telt Balzac uit hoeveel francs elk boek hem zal opleveren: zijn manuscripten puilen uit van in de marge gekriebelde rekensommetjes. Op inhoudelijk vlak neemt de inzet intussen megalomane vormen aan. In zijn werkkamer posteert Balzac een plaasteren buste van zijn grote held Napoleon. Op de revers prikt hij de dwingende slagzin: "Wat hij met de degen heeft ondernomen, zal ik met de ganzenveer realiseren."

Wanneer in 1829 Le dernier chouan verschijnt, is het fundament voor La comédie humaine gelegd. Zijn volgende boeken zoals La peau de Chagrin (1831), Colonel Chabert (1832) en Le père Goriot (1834) worden monstersuccessen. Het genie wordt erkend: Balzac bedrijft broodschrijverij op zeldzaam hoog niveau. Met een verwijzing naar Dantes Divina commedia zal zijn Comédie humaine de Franse samenleving tussen 1800 en 1850 in haar hemd zetten in een reeks realistische romans waarin hij in alle rangen en standen zijn licht opsteekt: "De Franse samenleving moest de geschiedschrijver zijn, terwijl ik alleen maar de secretaris zou worden", schrijft hij in het voorwoord. Meer dan 2.500 personages treden in deze romancyclus op, 525 ervan maken hun opwachting ook in andere delen. Met dat gloednieuwe 'terugkeerprocédé' kan Balzac met recht en reden de vader van de moderne soap worden genoemd. Via zijn kneedbare personages (als geheugensteuntje gebruikt hij zelfs poppen) detecteert hij wantoestanden en schetst hij een 'daguerrotypie' van de macht.

De expansieve schrijver raakt tot de uitputting toe bezeten van zijn opdracht: "Als ik niet aan een manuscript aan het schrijven ben, denk ik na over mijn schema's, en als ik niet over mijn schema's denk en niet aan het schrijven ben, moet ik drukproeven corrigeren. Zo is mijn leven." Niet enkel de schuldeisers zaten Balzac immers achter de broek, ook de uitgevers, de correctoren en de kranten waarvoor hij feuilletons en journalistieke stukken afleverde, bestookten hem dagelijks. Balzac leverde zijn kopij altijd te laat in en dreef de correctoren tot wanhoop met zijn eindeloze doorhalingen en verbeteringen.

Dat Balzac deze biotoop van haver tot gort kende én er een uiterst scherpzinnige kijk op had, blijkt ten volle uit Verloren illusies. In feite wordt hier in talloze wervelende variaties een lange bespiegeling gehouden over het droever wordende lot van het boek als loutere koopwaar: "Boeken waren voor boekhandelaren hetzelfde als katoenen mutsen voor mutsenverkopers, een artikel dat je goedkoop inkoopt en duur verkoopt", staat er ergens. Hetzelfde geldt voor andere cultuurproducten, voor het theater en vooral voor de journalistiek, waar de almacht van het geld nog veel groter is, aldus Balzac: "De krant is een partijpolitiek wapen geworden, in die hoedanigheid is zij handel." Ironisch is het natuurlijk wel dat Balzac met zijn kritiek zijn opdrachtgevers, vaak dagbladen, niet voor het hoofd stootte; daarvoor schreef hij wellicht te goed. Verloren illusies bestaat uit drie volumineuze delen (verschenen tussen 1837 en 1843), waarin Balzac de would-be dichter Lucien de Rubempré klemvast naar de ondergang begeleidt. Aan het eind van het derde deel verhindert een deus ex machina alsnog Luciens zelfmoord, waarna Balzac zelfs nog een vervolg breit aan de wederwaardigheden in Splendeurs et misères des courtisanes (1844).

Het eerste deel, 'Twee dichters', voltrekt zich integraal in Angoulême. Omstreeks 1820 is het een wat enggeestige provinciestad waarin de standen nog streng afgebakend zijn en in de aristocratische salons verveeld de tijd wordt verdreven. De apothekerszoon Lucien Chardon (die zichzelf een adellijk aureool geeft door zich de Rubempré te noemen) gelooft dat hij een soort wonderkind is en neemt zich voor de Parijse literaire cenakels te bestormen. Zijn boezemvriend en studiegenoot, de bonkige drukker David Séchard, koestert eveneens dichtersplannen, maar broedt vooral op een lucratief procédé om goedkoop papier te maken. Helaas zit hij financieel zo goed aan de grond. Net als Luciens moeder en zus Eve offert de brave David zich op om het grote talent van Lucien, de jongeman met het fijnbesnaarde uiterlijk, omhoog te stuwen: "Iedereen in zijn omgeving plaatste hem steeds hoger op het denkbeeldige voetstuk waarop hij zichzelf al had gezet. Iedereen, zowel zijn vrienden als zijn vijanden, bleef hem sterken in zijn eerzuchtige verwachtingen en zo schreed hij voort in een wereld vol luchtspiegelingen", schrijft Balzac waarschuwend.

Luciens visitekaartjes zijn de dichtbundel Meibloemen en zijn historische roman De boogschutter van Karel IX, die hij koste wat het kost gepubliceerd wil krijgen. Een eerste stap is de protectie van de lokale kunstenbehoedster mevrouw Louise Anaïs de Bargeton, waardoor Lucien toegang krijgt tot haar druk gefrequenteerde salons: "Hij was verliefd en wilde hogerop komen, een tweevoudig verlangen dat heel natuurlijk is bij jonge mensen die een hart tevreden willen stellen en de armoede willen bestrijden." In madame de Bargeton ziet hij zijn hefboom naar de roem en naar Parijs, waar zij vooraanstaande familie heeft wonen. Het ontgaat Lucien dat zij een geniepig spel speelt met de gevoelens van de naïeve dichter. Wanneer hij in haar salon zijn gedichten mag declameren, is er veel naijver én gegeeuw bij de stijve aanwezigen, die in poëzie slechts wat ornament zien en liever een kaartje leggen. Onovertroffen zijn de pagina's waarin Balzac zijn karikaturale trekpoppetjes in een grand tableau hun gif laat uitspuwen over de kunsten en hun onvermoeibare 'spionageactiviteiten' en roddelzucht breed uitsmeert: "Die bloeddorstige muggen wisten niet hoe snel ze erbij moesten zijn om te steken en zich vol te zuigen!"

In het tweede deel, licht ironisch 'Een groot man uit de provincie in Parijs' geheten, schakelt Balzac in een hogere versnelling. De roman gaat kolken als een op barstend staand stuwmeer. De steeds manifestere ontgoochelingen van Lucien botsen heftig met met de hooggespannen Parijse verwachtingen: "Zijn leven in Angoulême kromp ineen tot dat van een kikvors onder een steen op de bodem van een moeras. Parijs met al zijn luister, Parijs, dat iedereen in de provincie zich altijd als een Eldorado voorstelde, hij zag het voor zich in zijn gouden gewaad, het hoofd getooid met koninklijke edelstenen, de armen uitgestrekt naar al wat talent had. Beroemde mannen omhelsden hem broederlijk. Alles daar lachte het genie toe."

De lach van de metropolis blijkt wrang en diabolisch. Eenmaal in Parijs verwelkt de idylle tussen Lucien en mevrouw de Bargeton als bij toverslag, ook al omdat de onhandige Lucien de codes van het mondaine leven niet blijkt te kennen en in de conversatiekunst tekortschiet. Volkomen aan zijn lot overgelaten, wordt hij gedwongen tot een kruisweg langs bloeddorstige uitgevers en eindeloos geleur met zijn manuscripten. Want Lucien wil integer blijven. En dus is het precies zoals vertaler Jan Versteeg het in zijn uitstekende nawoord samenvat: "Wat als je toch wilt schrijven om in je onderhoud te voorzien, maar zonder jezelf en je principes te verloochenen?" Niettemin duurt het zijn tijd alvorens Lucien de schellen van de ogen vallen: "Ik heb me vergist, dacht hij, onaangenaam getroffen door de harde en materialistische kant die er aan literatuur bleek te zitten."

Opnieuw excelleert Balzac in rijk geschakeerde milieuschetsen, waarin vooral slechteriken de trom roeren en egoïstisch gekonkel loont. Hallucinant is bijvoorbeeld de rondgang op de Houten Galerijen aan het Palais Royal, waar uitgevers, prostituees en politici door elkaar wriemelen en zoete broodjes met elkaar bakken. Luister ook naar de oprispingen over poëzie, die eeuwig onverkoopbare winkeldochter: "Gedichten maken de boekhandel kapot! (...) Al twee jaar neemt het aantal dichters toe als meikevers. Ik heb het afgelopen jaar twintigduizend frank verlies geleden!" buldert de uitgever Dauriat. "Je kunt de dichtkunst met de zon vergelijken", zegt een andere: "Ze laat de eeuwige bossen groeien, maar wekt ook vliegen en muggen tot leven."

Uit pure nooddruft neemt Lucien zijn toevlucht tot de opkomende journalistiek, die een occulte macht wordt toegedicht, en tot de theaterwereld. Aanvankelijk lijkt hij daar op zijn pootjes terecht te komen, maar in zijn eigen ongetemde streefzucht zit de kiem van zijn ondergang verscholen. Weliswaar wordt zijn historische roman na veel strijkages alsnog uitgegeven en geniet hij kortstondige roem als journalist, zijn keuze voor het royalistische kamp breekt hem zuur op. Balzac laat de ellende met stevige hamerslagen over Lucien neerdalen: ook Luciens minnares, de actrice Coralie, zal sterven, terwijl hij aan de speeltafel zijn laatste pecunia verspeelt en gewond raakt bij een duel. Parijs brandmerkt hem voorgoed en er zit niets anders op dan naar Angoulême terug te keren.

Met vaardige hand wikkelt Balzac in deel drie de uitgezette verwikkelingen af. De aandacht verschuift weer naar David Séchard, die in zijn uitvindersprobeersels al even onfortuinlijk is. Ook hier luidt de conclusie ondubbelzinnig: "Dat aanzien, waar allen zo naar verlangen, is bijna altijd een gekroonde hoer." Aan het eind liggen alle illusies voorgoed aan diggelen. Behalve één: Honoré de Balzac is een immens schrijver.

De bekoring van Verloren illusies is dan ook even veelkantig als een diamant. Ondanks soms gezwollen uitbarstingen en kunstmatige dialogen lijdt het vertelritme nergens averij. Voortdurend merk je hoe Balzac een feuilletonist pur sang blijft: hij doseert en kan de spanning gewillig opvoeren. Weliswaar temporiseert hij regelmatig en voegt hij didactische terzijdes toe (zoals de talrijke fascinerende exposés over de toenmalige drukkerswereld), maar nooit verliest hij zich in uitputtende details en net op tijd zet hij er weer vaart achter. Vervolgens is er die infrarode groothoeklens waarmee hij dwars door muren en milieus kijkt. Balzac, die zichzelf als een 'ideeënverkoper' zag, bedrijft rasechte, non-academische sociologie, die een duizendvoud aan opinies en invalshoeken op de Franse samenleving oplevert. Het met aforismen doorspekte Verloren illusies is tegelijk afwisselend cynisch, realistisch en humoristisch én drijft op scherpe contrasten. Alleen al dit boek wist talrijke Balzacalogen jarenlang van de straat te houden. Was Balzac een royalist of een republikein? Was hij een vroege visionaire marxist? Of een reactionair die de standenmaatschappij genegen was? Iedereen vindt hier nog steeds de munitie voor zijn eigen Balzac-lezing.

Niet minder opvallend is de nieuwe rol die Balzac Parijs toebedeelt. In zijn Waarom zou je de klassieken lezen wijst Italo Calvino erop dat Balzac de stad neerzet als een levend organisme, waar "de straten door hun uiterlijk bepaalde ideeën opleggen waartegen we niet zijn opgewassen". Hij spreekt zelfs van "de monsterlijke stad als een reusachtig schelpdier waarvan de inwoners slechts de bewegende ledematen zijn". In deel twee van Verloren illusies is dat mechanisme perfect zichtbaar: Lucien de Rubempré ondervindt aan den lijve hoe Parijs zijn leven dirigeert en uit handen neemt.

Wanneer je Verloren illusies ten slotte met spijt in het hart dichtklapt en de tientallen andere banden van de Comédie humaine door de vingers laat glijden, verzink je in gemijmer. Hunkerend naar een steekhoudende verklaring voor Balzacs onuitputtelijke schrijfader blader je wat in dikke, hoogst onderhoudende biografieën van deze 'veearts van ongeneeslijke ziekten', zoals Van Gogh hem ooit noemde. Waren het echt de Bourbon-, Martinique- en Mokka-koffiebonen die voor de ideeënratatouille in zijn hoofd zorgden? Het is te mooi om waar te zijn, maar volgens Balzac waren zij - en niets anders - zijn echte brandstof: "De koffie tuimelt in je maag. Vanaf dat moment komt alles in beweging: de ideeën schudden en trillen als legerbataljons op het slagveld. En de veldslag begint."

Meer dan 5.000 koppen koffie zal Balzac tijdens het schrijven van de Comédie humaine drinken. Tot zijn gestel volkomen ondermijnd raakt door de cafeïne, het eeuwige zitten, het slaaptekort en het kinetische vooruitmennen van zijn personages. Die romanhelden achtervolgen hem tot op zijn sterfbed. Op 18 augustus 1850 verwacht hij in een ijlkoorts slechts verlossing van zijn eigen schepping: zijn laatste wens is de komst van docteur Horace Bianchon, de begripvolle, alomtegenwoordige aesculaap uit de Comédie humaine...

DIRK LEYMAN

Honoré de Balzac

Verloren illusies

Oorspronkelijke titel: Illusions perdues

Vertaald, van aantekeningen en een nawoord voorzien door Jan Versteeg

G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 736 p., 45 euro (gebonden), 35 euro (paperback).

Hoe strakker de financiële halsband wordt aangehaald, hoe beter (én sneller) de pagina's uit zijn pen beginnen te vloeien. Op piekmomenten schrijft Balzac soms zeventien uur aan een stuk per dag en scoort hij een moyenne van 33 woorden per minuutIn 'Verloren illusies' wordt een lange bespiegeling gehouden over het droever wordende lot van het boek als loutere koopwaar. Hetzelfde geldt voor andere cultuurproducten, voor het theater en vooral voor de journalistiek, waar de almacht van het geld nog veel groter is

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234