Zaterdag 24/08/2019

Onderwijs

Aan, uit of weg: wat met de smartphone op school?

Nathan Hameeuw (12) kreeg zijn smartphone kort voor hij naar het secundair overstapte. Beeld thomas legreve

Frankrijk kiest voor het paardenmiddel: sinds maandag zijn smartphones er helemaal verboden op school. Niet een wet waar leerlingen, leerkrachten en directies ook bij ons om staan te springen. "We moeten de smartphone juist met open vizier benaderen."

Maandag ging in Frankrijk een algemeen smartphoneverbod in op basisscholen en collèges – de eerste jaren van het secundair onderwijs. President Macron en zijn regering willen korte metten maken met de chaos aan regels en afspraken in het onderwijs, en hopen zo de strijd aan te binden met scherm- en pornoverslaving, pestgedrag, diefstal en dalende prestaties.

Op dat laatste duidt recent onderzoek van de London School of Economics. Uit de resultaten van tests onder 130.000 Britse scholieren blijkt dat scholen met smartphoneverbod gemiddeld 6,4 procent beter presteren dan scholen zonder verbod. En dat scholieren met leerproblemen bijna 14 procent beter scoren op smartphonevrije scholen dan op scholen waar het ding wel mag worden gebruikt.

Concentratieproblemen

Onderzoekers Richard Murphy en Louis-Philippe Beland ontkennen niet dat een persoonlijke minicomputer – wat een smartphone in de eerste plaats is – bij goed gebruik een positief effect heeft op het leren. Maar zwakke leerlingen met concentratieproblemen krijgen het in een smartphone-drukke omgeving nog moeilijker, aldus de vorsers.

Nu het schooljaar weer is begonnen, is de discussie ook bij ons aan de orde, zij het dat minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) een algemeen verbod niet ziet zitten, net zomin als de onderwijskoepels zelf.

In Vlaanderen lijkt een zachte consensus te ontstaan dat digitale vaardigheden cruciaal zijn, en dat leerlingenraden, zoals Crevits vorige maand nog onderstreepte, mee inspraak moeten krijgen in het smartphonebeleid.

Want inderdaad: wat denken de tieners er zelf over?

Nathan Hameeuw is twaalf jaar oud en zit in het tweede jaar Latijn aan het Don Bosco-college in Zwijnaarde. Hij kreeg zijn smartphone, een Samsung Galaxy A3 die hij zelf mocht kiezen, kort voor hij naar het secundair overstapte. “Hij is water- en stofproof, is niet te groot en beschikt over goede software.”

Nathan gebruikt zijn smartphone zowel om te bellen als om te chatten. “Dat is een beetje fiftyfifty. Ik maak afspraken met vrienden, of ik stel vragen voor school. Via Snapchat gaat het sneller dan via Smartschool. Spelen doe ik wat minder. Af en toe maar. Rustige spelletjes ook. Veel schieten wil ik niet.”

Móeten jongeren vandaag echt wel een smartphone hebben? “Neen, mijn beste vriend heeft er geen en wil er ook geen. Onze ouders bellen met elkaar als wij willen afspreken.”

En toch, op school lijken sommige leerlingen echt verslaafd aan hun smartphone, zegt Nathan. “Ik vind het daarom goed dat we hem alleen mogen gebruiken vóór het begin van het eerste lesuur, 's morgens. Daarna moet hij weg. Weinig leerlingen hebben daar problemen mee, al grijpen sommigen er wel stiekem naar.”

Maar is een smartphone dan nooit nuttig in de les? “Ik herinner me dat we hem één keer mochten gebruiken om een kunstwerk op te snorren. Voor de rest bleef hij uit.”

Verslaafd

Wat ook weer niet wil zeggen dat Nathan thuis niet googelt. “Als ik iets niet goed begrepen heb, of de betekenis van een Latijns woord wil weten dat ik in mijn woordenlijst niet terugvind, dan mag ik van mijn ouders op de smartphone. Maar ik moet wel de toestemming vragen, en zodra ik het antwoord gevonden heb moet hij weer uit.”

Nathan weet wat de risico's zijn. “Iedereen legt me uit dat ik op een verstandige manier met mijn smartphone moet omgaan. Anders word je verslaafd en ga je minder hard studeren.”

“In vergelijking met veel andere jongeren voel ik mezelf een mindere gebruiker”, zegt Tomas De Langhe (16), zesdejaars wetenschappen-wiskunde op het Sint-Jozefsinstituut in Ternat. “Ik slaag erin hem opzij te leggen. Ik gebruik hem niet op verplaatsing, maar kan altijd bellen als het nodig is.”

Thuis is Tomas vrij om zijn Huawei boven te halen als hij wil. Dat doet hij om spelletjes te spelen of met vrienden te chatten. “Dat kan bijvoorbeeld gaan over de les die we gehad hebben. Of over een lesonderdeel dat iemand heeft gemist omdat hij ziek was. Als ik er te lang op zit, grijpt papa of mama wel in.”

Tomas' school is vrij streng als het op smartphonegebruik aankomt. Het belleding afgeven bij aankomst moet hij niet, maar voor de rest moet het opgeborgen blijven, tijdens de lessen even goed als in de pauzes.

“Leerlingen in onze derde graad kunnen leven met die regels omdat ze weten dat ze zich zo beter focussen. Wat ik hoor op andere scholen, is dat mensen vragen om juist vaker op hun smartphone te mogen. Maar wie weet of ze hem dan ook niet overdadig gaan gebruiken?”

Toch wordt ook op Tomas' school de smartphone als leerinstrument gehanteerd. “In taalvakken, Frans of Nederlands bijvoorbeeld, werken sommige leerkrachten met kahoot-oefeningen, multiplechoicequizzen waarbij de leerstof herhaald wordt.”

Schermpje

Op Atheneum Brussel, waar Noa Jacobs (17) het zesde jaar Latijn-wetenschappen aanvat, moet de smartphone eveneens uit tijdens de lessen. “Al wordt hij weleens gebruikt, bijvoorbeeld als er een pc ontbreekt en een leerling een taak moet uitvoeren.”

Ook Noa klinkt kritisch. “Een groep leerlingen die 's morgens op de metro op de smartphone zitten in plaats van met elkaar te praten, daar heb ik het moeilijk mee. Net als met een mama die haar baby maar laat huilen terwijl ze zelf op haar schermpje bezig is.”

Alle mensen in de samenleving, ook leerlingen, moeten met het toestel leren omgaan, meent Noa. Net daarom is het zo belangrijk dat leerkrachten er met kennis van zaken over spreken.

“Nu hebben ze het wel over smartphonegebruik, maar vaak op een manier dat leerlingen niet echt luisteren. We horen waarschuwingen over de smartphone, zonder dat er voldoende concreet wordt bij verteld wat de problemen nu precies zijn.”

Voor Noa is het daarom belangrijk dat leerlingen actief bij het smartphonebeleid van hun school betrokken worden. “Ik beweer niet dat leerlingen het beter weten dan leerkrachten, of enkel maar positieve dingen denken over de smartphone, neen, maar ze moeten minstens hun mening kwijt kunnen.”

Met permissie: steller dezes staat zelf deeltijds op Noa's school. In het derde jaar waar ik Nederlands geef, gaan smartphones tijdens de lessen in daartoe voorziene smartphonezakjes. Die hangen achter de deur en zijn genummerd, zodat elke leerling een eigen opbergplek heeft.

Enkel als ik het expliciet toesta – pakweg om op www.vandale.be te gaan – mag de smartphone op de lessenaar.

Tref ik er ongewenst toch eentje aan, op de schoot of tussen schrift en handboek, dan neem ik het ding in beslag en krijgt de leerling een schrijfopdracht, bijvoorbeeld over smartphonegebruik.

Voorzet

En ja, ter inspiratie geef ik weleens een voorzet. Dat ikzelf weinig veranderingen beleefd heb die zo radicaal waren als de komst van de smartphone, vertel ik. In tien jaar tijd heeft het object zich een weg gebaand naar de kern van mijn leven. Officieel heette dat een bevrijding, in realiteit heeft het een gigantische plaats opgeëist. Ik communiceer anders met mensen, ik informeer me anders, ik voel me vaker gecontroleerd.

Ik vind dus, zo probeer ik aan mijn leerlingen uit te leggen, dat ik een prijs betaal: in de vorm van momenten waarin ik mezelf niet helemaal meer ben doordat de smartphone in de weg zit.

Sommige tieners begrijpen dat, andere een beetje, nog andere schudden het hoofd en zeggen 'neen'. Soms volg ik ook hen niet echt, maar dat hoeft ook niet.

“Wij hebben lange tijd zonder de sociale media geleefd, wij zijn in staat tot vergelijken”, reageert collega Annelies De Ville, eveneens leerkracht Nederlands. “Maar dat kunnen onze leerlingen niet langer. We moesten daar dus maar eens mee ophouden. Aan ons om met de wereld mee te gaan, laat ons jongeren vooral niet onder de neus wrijven hoeveel beter het vroeger was. Integendeel, ze schrijven misschien minder goed, maar ze kunnen veel beter dan vorige generaties met 21ste-eeuwse vaardigheden om.”

“Toch”, voegt zij er in een adem aan toe, “zijn leerkrachten te weinig gevormd om degelijk les over de smartphone te kunnen geven. Ik heb al een bijscholing gevolgd, maar het mag nog meer zijn. Zelf bezit ik trouwens niet eens een smartphone, maar een goede oude gsm. Daar maak ik weleens een grapje over in de klas.”

Als het gaat over de zorgfunctie die een school hoort te vervullen, over de pestproblematiek of het verslavingsfenomeen, dan begrijpt mijn collega “zeker en vast” waar de Franse wet vandaan komt.

“In dat opzicht zeg ik: 'ja, zo'n verbod is goed'. Zeker voor leerlingen in de eerste graad, voor wie de smartphone algauw een muurtje wordt waarachter ze zich verstoppen. Zoiets is nefast voor hun ontwikkeling. Om maar te zwijgen van problemen als 'wie mag er in mijn WhatsApp-groepje en wie niet?'”

Als de Franse maatregel echter tot gevolg heeft dat er volstrekt geen pedagogische aandacht meer is voor het gebruik van smartphones, en de apparaatjes alleen nog in een negatief daglicht komen te staan, dan haakt De Ville af.

Al moet haar dít toch van het hart: “Eigenlijk zou elke leerling zijn eigen pc op school moeten hebben. Die zou hem of haar van het eerste tot het zesde jaar moeten vergezellen. Ik vind ook dat de overheid, als het haar menens is met onderwijs, de investering financieel moet dragen. Dan zou de smartphonediscussie grotendeels opgelost zijn.”

Ze bestaan al in Nederland, de scholen waar wifi of 4G niet langer voorhanden zijn, waar alle leerlingen over eigen werkstations beschikken en digitaal aan de slag kunnen.

“Dat is een heel goed idee als je een goede draadverbinding en degelijke technologie aanbiedt”, zegt Christine Wittoeck van Digital Detox Academy. Wittoeck, auteur van het boek
Start to digital detox, begeleidt bedrijven en professionals richting een gezond smartphonebeleid. Ook scholen kunnen bij haar terecht.

Privésfeer

Wittoeck onderstreept dat behalve leerlingen ook ouders in de discussie betrokken moeten worden. “Vaders en moeders eisen vaak absolute bereikbaarheid van hun kinderen, terwijl dat soort bereikbaarheid op school niet thuishoort. De privésfeer moet het onderwijs niet willen binnendringen.”

Anders gezegd: ouders horen nog altijd het secretariaat te bellen als er iets dringends te melden valt, net zoals het secretariaat de ouders op de hoogte kan brengen.

“Als rechtstreekse communicatie mogelijk wordt tussen ouder en kind, dan neemt de afleiding toe. Net die digitale afleiding is bij het leren, en op de werkvloer in het algemeen, zo'n probleem.”

Voor wat, hoort wat: ook de school mag niet eisen dat leerlingen permanent bereikbaar zijn. “Een leerkracht die op zondagmiddag via Smartschool een taak doorstuurt die maandagochtend klaar moet zijn, is niet goed bezig”, zegt Wittoeck.

Zelf pleit ze voor “een efficiënt on-offbeleid”. Dat impliceert onder meer dat leerkracht en ouder zelf het voorbeeld geven.

“Een leerkracht die voor de klas staat en zijn smartphone voor andere doelen dan de les bezigt, dat kan dus niet. Net zomin als ouders dochter- of zoonlief kunnen verbieden op de smartphone te zitten als ze hun eigen gebruik niet in de hand hebben.”

Heel eenvoudige regels die consequent worden toegepast, en wel zo dat jongeren gehoord worden en leren uit het eigen handelen: dát is, verzekert Wittoeck, de beste formule.

“Het is vooral belangrijk dat elke school regels vindt die functioneren voor haar publiek”, zegt Bram Wellens, directeur van het Stedelijk Lyceum Olympiade, een school met veel kansarme leerlingen aan het Antwerpse Kiel.

Welles-nietesspel

De voorbije jaren heeft Wellens hard aan de IT-weg getimmerd door het motto Bring Your Own Device ('BYOD') helemaal in de lesaanpak te integreren. Leerlingen brengen hun smartphone mee naar de klas; aan de leerkracht om een gepaste regel te vinden zonder dat er in een voortdurend welles-nietesspel vervallen wordt.

“Sommige leerkrachten verzamelen de smartphones bij aanvang van de les in een kistje dat op slot gaat, andere gebruiken ze net als onderwijstool. Eigenlijk hebben we maar één regel op school: geen oortjes op de gang. In de publieke ruimte moet je aanspreekbaar zijn en vragen we openheid. Daar zien we strikt op toe.”

In de Franse maatregel, een centraal opgelegd decreet dat niet strookt met de ruime autonomie die scholen in ons land genieten, kan Wellens zich maar moeilijk vinden.

“Stel je voor dat je iedereen 's morgens moet fouilleren! Maar vooral: smartphones zijn voor leerlingen wat ze ook voor de bredere samenleving geworden zijn: een cruciaal aspect in de communicatie en identiteit. De smartphone zit in het leven van de mensen, iedereen is op zoek naar hoe er best mee omgegaan wordt. Ik denk niet dat we jongeren vooruithelpen door de smartphone te verbieden. Het zou ook geen realistische oplossing zijn in de strijd tegen sexting
(het verspreiden of delen van seksueel getinte foto's of berichten via mobiele telefoons of andere mobiele media, LD) en pestgedrag.”

Open vizier

Dat leerkrachten beter opgeleid moeten worden om met het smartphonevraagstuk om te gaan, er valt wat voor te zeggen. Prioritair vindt Wellens echter dat het debat “met open vizier” gevoerd wordt.

“Als we de problemen heel duidelijk benoemen in een transparante relatie met de leerlingen, dan komen we al een heel eind. Die richting moeten we dus uit.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden