Zaterdag 07/12/2019

Definitieve reconstructie 9/11

9/11: binnenin de WTC-torens: 'Je kunt niet naar beneden! Het brandt daar overal!'

Toen op 11 september 2001 twee vliegtuigen in de WTC-torens vlogen, vonden 2.606 mensen die in de twee gebouwen werkten de dood. Brian Clark en Stan Praimnath, die zich op de verdiepingen bevonden waar vlucht 175 van United Airlines is ingeslagen, hebben de hel wonderwel overleefd. Deze tweede aflevering van de voorpublicatie uit ‘Ondergang en opkomst’ van Mitchell Zuckoff vertelt hun wonderlijke verhaal. ‘Het is bloed- en bloedheet!'


Lees ook deel 1: De definitieve reconstructie van 9/11: 'We vliegen heel, heel laag. Oh god! We vliegen echt veel te laag'

'Zeg mijn moeder dat ik van haar hou, met heel mijn hart, en dat ze de beste moeder was die een mens zich had kunnen wensen'

Bij het aanbreken van de dag zat Brian Clark (44) zwijgend aan zijn bureau bij Euro Brokers, een grote beursmakelaar, met zijn rug naar de ramen van de 83ste verdieping van de zuidelijke WTC-toren. Hij schreef e-mails en actualiseerde spreadsheets, toen om 8.46 uur een dubbele explosie klonk en de lampen in zijn kantoor begonnen te flikkeren. Vlammen sloegen tegen de ramen en verdwenen vervolgens uit het zicht. Brian merkte iets vreemds aan de vlammen: ze hadden massa, niet als de dansende vlammen in een open haard, maar een soort gesmolten gewicht, onderhevig aan de zwaartekracht. Hij schoot overeind en dacht dat een lasser een gasleiding op een hogere verdieping geraakt moest hebben. Meteen haalde de financieel directeur, die ook vrijwillige brandweerman voor de zuidelijke toren was, zijn zaklantaarn en fluitje uit de kast, maar liet de rode pet en het reflecterende hesje liggen.

Stan Praimnath (45) stond die ochtend in de lift die naar de 80ste verdieping ging, met in zijn ene hand zijn aktetas en in de andere een papieren zak met een geroosterde bagel met rozijnen. De liftdeuren gingen open bij het kantoor van de Fuji Bank, dat door recente ontslagen vrijwel verlaten was. Stan liep naar zijn bureau op de afdeling leningen, in de zuidwesthoek van het gebouw. Onderweg kwam hij langs uitzendkracht Delis Soriano, die druk in de weer was met een kopieerapparaat. Stan noch Delis wist dat er net een vliegtuig in de noordelijke toren was gevlogen.

Op het moment dat vlucht 11 van American Airlines zich in de noordelijke toren had geboord, bevonden Brian, Stan en Delis zich met 8.600 andere mensen in de zuidelijke toren. De meesten konden de oorzaak van de dreun niet direct thuisbrengen, maar een aantal van hen had wel het geluid van een vliegtuig gehoord, en een drukgolf had de toren doen bewegen.

Met de zaklantaarn in zijn hand en het fluitje om zijn nek rende Brian zijn kantoor uit. Hij riep de noodinstructies om die hij had geleerd tijdens de trainingssessies en brandoefeningen die sedert de bomaanslag van 1993, acht jaar eerder, elk halfjaar werden gehouden: ‘Ga naar de hal en wacht op verdere instructies!’

Tweehonderd collega’s van Brian verlieten de 83ste verdieping, de meesten zonder dat ze wisten wat er was gebeurd. Binnen de vijf minuten na de crash verliet ongeveer de helft van de mensen in de zuidelijke toren zijn of haar werkplek en ging met de lift of via de trap naar beneden. Brian voelde geen aandrang hen te volgen. Terwijl andere medewerkers van Euro Brokers zich in de liften en trappenhuizen persten, zag hij enkele tientallen handelaars bij de ramen aan de noordzijde van het gebouw staan kijken naar de ring van vuur ter hoogte van de 92ste verdieping van de noordelijke toren. Toen hij dichterbij kwam, hoorde hij iemand snikkend zeggen dat er mensen naar beneden sprongen. ‘O, Brian, wat verschrikkelijk,’ zei zijn collega Susan Pollio huilend. ‘Er gaan mensen dood!’ Hij troostte haar en ging terug naar zijn kantoor. Daar belde hij zijn vrouw Dianne en zijn vader om te zeggen dat hij in veiligheid was. De ramp was bij de buren, zei hij.

Toen hij ophing, gingen er knipperlichten aan en begon er een sirene te loeien. Iets voor 9 uur, ongeveer 10 minuten nadat vlucht 11 was gecrasht, klonk de stem van een beveiligingsagent door de intercom: ‘Attentie, attentie: gebouw 2 (de zuidelijke toren, red.) is veilig. U hoeft gebouw 2 niet te verlaten. Als u al onderweg naar buiten bent, kunt u via de ingang en de liften terug naar uw werkplek. Ik herhaal: gebouw 2 is veilig.’

'Stan keek afwezig uit het raam. In de verte, achter het Vrijheidsbeeld, zag hij iets zijn kant op komen, dat groter en groter werd. Hij liet zijn telefoon vallen en dook onder zijn bureau'


Terug naar binnen

Stan Praimnaths telefoon begon te rinkelen: zijn moeder wilde weten of alles in orde was. Daarop belden ook zijn drie broers. Zijn familieleden gingen ervan uit dat Stan wist wat er in de noordelijke toren was gebeurd, dus zeiden ze daar niets over. Zoveel liefde, en het is nog niet eens 9 uur, dacht Stan bij zichzelf. Zijn bureau keek uit op het zuiden, met een spectaculair zicht op het Vrijheidsbeeld, 3 kilometer verderop. Net toen hij aan zijn werk wilde beginnen, zag hij een lichtflits. Hij keek naar rechts, in de richting van de Hudson, en zag vuurballen uit de lucht neerkomen. Hij belde twee collega’s die kort daarvoor naar de noordelijke toren waren verkast, maar geen van beiden nam op. Stan realiseerde zich dat hij en Delis Soriano waarschijnlijk de enigen op de 80ste verdieping waren. Hij riep naar haar, en liep ondertussen gehaast naar de liften: ‘We moeten hier weg!’

Ze gingen met de lift naar de skylobby op de 77ste verdieping. Daar troffen ze achttien collega’s en leidinggevenden van de Fuji Bank aan, de meesten van Japanse origine, die in de eerste minuten na de crash van vlucht 11 uit eigen beweging waren vertrokken. Het gezelschap ging zonder te spreken naar beneden. Stan stapte als eerste uit in de hal van de zuidelijke toren. Daar vroeg een beveiligingsbeambte waar ze naartoe gingen. ‘Naar huis. Ik heb vuurballen uit de lucht zien vallen,’ zei Stan, die nog steeds niet wist dat enkele minuten eerder een vliegtuig de noordelijke toren had geraakt. ‘Er is iets mis.’ ‘Nee,’ zei de bewaker, terwijl vlakbij sirenes afgingen. ‘Uw gebouw is veilig. Ga terug naar uw kantoor.’

Stan aarzelde. Delis boog zich naar hem toe: ‘Stan, ik ben bang. Ik wil naar huis.’ ‘Neem de rest van de dag maar vrij,’ antwoordde hij. Dat schoot bij enkele collega’s in het verkeerde keelgat: ‘Stan, we hebben hier een bedrijf te runnen!’ ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Ik heb mijn eigen zaken te runnen en zij gaat naar huis.’ Hij stapte terug de lift in en ging met de andere Fuji Bank-medewerkers naar de 77ste verdieping, waar de meesten uitstapten. Stan en Joseph Zuccala, een consultant die pas een paar dagen bij de bank werkte, stapten uit op de 80ste verdieping. Ongeveer op hetzelfde moment, rond 9.02 uur, klonk er in de zuidelijke toren een nieuwe aankondiging via de intercom: ‘Attentie, attentie! Ik herhaal: het incident vond plaats in gebouw 1 (de noordelijke toren, red.). Als de omstandigheden op uw verdieping het rechtvaardigen, kunt u op een ordentelijke manier het pand verlaten.’

Brian Clark op de 83ste verdieping en Stan Praimnath op de 80ste verdieping waren twee van de ruim zeshonderd mensen die na de crash van vlucht 11 op de hoogste dertig verdiepingen van de zuidelijke toren waren gebleven, of waren weggegaan en weer teruggekeerd. Sommigen hebben om 9.02 uur misschien het bericht van de omroeper gehoord, over het ‘ordentelijk’ evacueren. Maar Stan en Brian niet. Tegen 9.03 uur waren al 3.200 mensen uit de zuidelijke toren gevlucht. Nog eens 4.800 mensen zaten in liften, trappenhuizen en kantoren tussen de hal en de 75ste verdieping. Sommigen waren onderweg naar de uitgang, terwijl anderen op hun plek bleven of juist naar hun bureau terugkeerden.

Uit de bevelen in de zuidelijke toren bleek dat de medewerkers van de Port Authority, die de WTC-torens beheerde, net zo kortzichtig waren als zoveel mensen bij de Amerikaanse luchtvaart en bij het leger. Ze konden zich niet voorstellen dat terroristen gelijktijdig meerdere aanslagen zouden plegen.

'Kom op, we moeten je hieruit proberen te krijgen!' Foto: Stan Praimnath en Brian Clark


Onder het bureau

Toen Stan Praimnath kort na 9 uur terugkeerde op de 80ste verdieping, liep hij naar zijn bureau en nam hij de rinkelende telefoon op. De beller was een collega van het Fuji Bank-kantoor in Chicago die een paar weken eerder de zuidelijke toren had bezocht. ‘Stan!’ zei ze. ‘Hoe gaat het?’ Toen hij zei dat het goed met hem ging, riep ze: ‘Maak dat je wegkomt!’ Ze was 1.250 kilometer ver weg, en Stan betwijfelde of zij meer wist dan een beveiliger die 125 meter onder hem zat. Hij keek afwezig uit het raam naar de haven en vroeg de vrouw om uitleg. Ze zei iets over ‘geen tijd’, maar Stan luisterde al niet meer.

In de verte, achter het Vrijheidsbeeld, zag hij iets zijn kant op komen, dat groter en groter werd. Stan liet zijn telefoon vallen en dook onder zijn bureau op de 80ste verdieping, terwijl Al Qaeda-terrorist Marwan al-Shehhi (23) de gekaapte vlucht 175 van United Airlines vol gas naar de zuidkant van de zuidelijke toren stuurde.

In het vliegtuig kropen verkoper Peter Hanson en zijn vrouw Sue Kim samen met hun 2 jaar oude dochtertje Christine dicht tegen elkaar aan. Om 9.03 uur had Hanson zijn vader Lee aan de telefoon. Zijn moeder Eunice zag op tv dat de noordelijke toren in brand stond en dat er plotseling een vliegtuig op de zuidelijke toren afvloog. Lee hoorde een vrouw in het vliegtuig schreeuwen toen Peter zijn laatste woorden sprak: ‘Oh God... Oh, God... Oh, God...’

Om 9.03 uur, minder dan zeventien minuten nadat vlucht 11 de noordelijke toren had getroffen, boorde vlucht 175 zich diep in de zuidelijke toren. Het vliegtuig raakte de zuidkant, zeven meter van het midden, in de richting van de zuidoostelijke hoek. Door de klap roteerden de bovenste verdiepingen iets om hun as, als het bovenlijf van een bokser bij een onverwachte dreun. Het hele gebouw sidderde van boven tot onderen. Het vliegtuig sloeg in onder een hoek van 38 graden, met de rechtervleugel een stuk hoger dan de linker. De neus, iets naar beneden gericht, raakte de vloer van de 80ste verdieping, vlak bij de plek waar Stan onder zijn bureau zat te bibberen.

Net zoals onderdelen van vlucht 11 dwars door de noordelijke toren heen waren gevlogen, schoot het rechtermotorblok van vlucht 175 door de zuidelijke toren en vloog het in de noordoostelijke hoek van het gebouw weer naar buiten. De schade die de vliegtuigromp en de vleugels met hun spanwijdte van 52 meter aanrichtten, strekte zich uit over negen verdiepingen, van de 76ste tot en met de 84ste. De leidingen voor de sprinklers waren geraakt en bijna alle liften vielen uit. Er braken kabels en mensen kwamen vast te zitten, maar een goederenlift tussen de begane grond en de 39ste verdieping bleef werken.

In de noordelijke toren had vlucht 11 alle drie de trappenhuizen verwoest, maar in de zuidelijke toren bleef één vluchtroute, trappenhuis A, deels intact. Het bevond zich ten westen van waar vlucht 175 het gebouw was binnengedrongen, en bleef gevrijwaard door het zware materiaal waaruit de liftschacht was opgebouwd.

Structureel gezien raakte de zuidelijke toren zwaarder beschadigd dan zijn tweelingbroer. Het vliegtuig had dertig stalen buitenkolommen en tien binnenkolommen doorboord, waardoor de toren boven het inslaggebied naar het zuidoosten helde. Door de crash was de brandwerende isolatie verdwenen van tientallen binnenkolommen en stalen liggers die de betonnen vloerdelen van het gebouw droegen. Net als de noordelijke toren incasseerde het gebouw de inslag en bleef het overeind, maar de bezweken kolommen en de verdwenen brandwerende isolatie waren de opmaat voor een catastrofale brand.

Vlucht 175 had meer dan 34.000 liter brandstof aan boord, en 14 ton aan brandbare bagage, post, stoelen, etenswaren en elektrische apparatuur. Op de getroffen verdiepingen stonden tonnen kantoormeubilair en ander brandbaar materiaal. De intact gebleven stalen balken zouden niet smelten door de kerosinebrand, maar ze zouden wel zo heet worden dat ze de kracht van de overbelaste buiten- en binnenkolommen zouden ondermijnen, de structurele elementen die de toren overeind hielden. Voor de Twin Towers had het laatste uur geslagen.

Behalve alle inzittenden van vlucht 175 kwamen bij de inslag een onbekend aantal mensen op de negen getroffen verdiepingen om het leven. Onder de doden en gewonden bevonden zich veel van de naar schatting tweehonderd mensen die in de skylobby op de 77ste verdieping bijeen waren gekomen tijdens de eerste halfslachtige evacuatie. De linkervleugel van het vliegtuig liet niets van de verdieping heel, en doodde en verminkte mannen en vrouwen die op een plaatsje in de overvolle snelliften naar beneden stonden te wachten, en ook anderen die de lift wilden nemen om terug te keren naar hun kantoor.

'Iets voor 9 uur, vlak voor de tweede inslag, klonk de stem van een beveiligingsagent door de intercom: 'Attentie, attentie: u hoeft het gebouw niet te verlaten. Als u al onderweg naar buiten bent, kunt u via de ingang en de liften terug naar uw werkplek'


SOS-bericht

Toen het vliegtuig insloeg, dachten Brian Clark en zijn collega Bobby Coll dat het kantoor van Euro Brokers op de 83ste verdieping door een soort luchtdrukbom was geraakt. Het lawaai was oorverdovend en het gebouw begon te wankelen. Het plafond viel om hen heen in stukken. De lampen en de intercomspeakers kwamen naar beneden, aircoleidingen bungelden aan de houders. Deuren vlogen uit hun posten en de ruimte vulde zich met het grijze gipsgruis van de gebroken wandpanelen.

Brian werd doodsbang toen hij voelde dat de toren westwaarts helde, verder dan hij voor mogelijk hield, alsof het gebouw in de Hudson zou tuimelen, als een omgehakte eik. Het rechtte zich plots met een resolute ruk – het stalen skelet van het gebouw veerde weer in het gelid, vermoedde de ingenieur in hem. Nu drong het tot Brian door dat het een terroristische aanslag moest zijn, net als in de noordelijke toren. Hij wist nog niet dat de zuidelijke toren door een vliegtuig was geraakt, en ook niet dat de rechtervleugel van het toestel de andere kant van zijn verdieping had vernield, ten oosten van hem. Maar hij schoot weer in zijn rol van beveiliger, scheen met zijn zaklantaarn rond in de half door het stof verduisterde ruimte en vroeg iedereen die hem kon horen om hem door het puin te volgen. Terwijl hij rondliep om medewerkers te verzamelen en de ernst van de ramp nog niet ten volle besefte, overviel hem een golf van ergernis. Shit, dacht hij, moet je die rotzooi zien: morgen moeten we dat allemaal opruimen.

Brian begeleidde Bobby Coll en vijf anderen naar de centrale hal van de 83ste verdieping, en van daar naar trappenhuis A. Maar elders op de 83ste verdieping zaten, zonder dat Brian dat wist, twaalf andere medewerkers van Euro Brokers opgesloten. Onder hen was een makelaar, Randy Scott, een gelukkig getrouwde man met drie dochters. Omdat hij geen uitweg meer zag, krabbelde hij een noodbericht op een notitieblaadje: ‘83ste verdieping kantoor westzijde – 12 mensen zitten klem’. Voor hij het uit een raam gooide en het samen met talloze andere stukjes papier uit beide torens naar beneden dwarrelde, drukte Randy een bebloede vinger op het briefje, waarmee hij het van zijn unieke DNA voorzag.

Brian Clark en zes andere mannen van Euro Brokers haastten zich ondertussen naar beneden in trappenhuis A. Ze snelden voorbij een deur naar de 82ste verdieping, niet wetend dat daar mensen vastzaten, onder wie een manager van een softwarebedrijf die driftig probeerde het noodnummer te bellen. Melissa Doi was 32, had een hartvormig gezicht en was 1,55 meter groot, waardoor ze haar meisjesdroom om balletdanseres te worden in rook had zien opgaan. Om 9.17 uur registreerde een opnameapparaat van de noodcentrale Melissa’s wanhopige geprevel: ‘Heilige Maria, Moeder van God...’ Een telefoniste van de New Yorkse politie nam op. Melissa deed haar best om niet in paniek te raken: ‘Oh, God... Ik ben op de 82ste verdieping.’

Na enige verwarring probeerde telefoniste Vanessa Barnes Melissa te kalmeren, waarbij ze afwisselend praktisch en meelevend klonk.

‘Dag mevrouw, hoe gaat het?’

‘Kunnen ze... Kunnen ze... Kan iemand naar boven komen?’

‘Natuurlijk, mevrouw. We komen naar u toe.’

‘Maar er is nog niemand, en de verdieping is helemaal ingestort. We liggen op de grond en kunnen niet ademhalen... En het is bloed- en bloedheet.’

‘Luister, mevrouw, ze komen eraan, iedereen weet het. Iedereen weet wat er gebeurd is, goed? Het duurt even voor ze boven zijn, dat weet u wel. U moet heel voorzichtig zijn.’

‘Zo heet!’

‘Ik begrijp het, mevrouw. U moet heel, heel voorzichtig zijn. Blijft u alstublieft kalm. Hoeveel mensen zijn daar bij u?’

‘Eh, ik denk een stuk of vijf.’

Op de achtergrond hoorde Vanessa Barnes mensen hoesten. Melissa Doi zei dat ze geen vlammen zag, maar dacht dat het ergens in de buurt moest branden, omdat de hitte en de rook steeds erger werden. Barnes zei dat de hulpdiensten er alles aan deden om zo snel mogelijk te komen helpen.

‘Ik ga dood, hè?’

‘Nee, nee, nee, nee!’

‘Ik ga dood, ik weet het.’

‘U moet positief blijven denken, want u moet elkaar helpen.’

‘Ik ga dood.’

‘Luister. Probeer kalm te blijven. Blijf kalm, blijf kalm, blijf kalm.’

‘God, alstublieft... Het is zo heet. Ik verbrand helemaal.’

Toen Barnes even met een andere telefonist sprak, onderbrak Melissa haar: ‘Wacht, wacht! We horen stemmen! Hallo! Help! Heeeelp!’

Er kwam geen antwoord en Melissa richtte zich weer tot de telefoniste.

‘Kunt u uitzoeken of er al iemand op de 82ste verdieping is, want we dachten dat we iemand hoorden!’

Vanessa Barnes wist niet of de reddingswerkers al zo hoog waren. Ze zei tegen Melissa dat ze al een luitenant had gewaarschuwd dat er vijf mensen vastzaten op de 82ste verdieping van de zuidelijke toren. Ze verzekerde Melissa dat ze hen wel zouden vinden.

‘Kunt u... Kunt u alstublieft aan de lijn blijven? Ik voel dat ik doodga.’

‘Ja mevrouw, ik blijf aan de lijn.’

Melissa fleurde weer op, kennelijk omdat ze dacht dat ze iemand hoorde komen. Maar wederom ebde de hoop weg. Tegen het eind van het gesprek spelde ze de naam van haar moeder en vroeg ze of Vanessa Barnes een driegesprek kon regelen. De telefoniste zei dat dat niet mogelijk was, maar beloofde Melissa’s moeder te bellen. Melissa hapte naar adem, want ze voelde dat het einde nabij was: ‘Zeg haar... Zeg haar dat ik, dat ik van haar hou, met heel mijn hart, en dat ze de beste moeder was die een mens zich had kunnen wensen.’

'Melissa Doi (32) belde minutenlang met de noodcentrale: 'Ik ga dood, ik weet het'


Karatetrap

Op de 80ste verdieping kroop Stan Praimnath onder zijn bureau vandaan. Dat hij het had overleefd, was nauwelijks uit te leggen. Er trok een windvlaag door wat er over was van de verdieping, papier werd naar buiten gezogen en aan de oostkant laaiden brandjes op. Bij het stof dat rond Stans hoofd wervelde, kwam nu ook nog rook. Het leek alsof hij verdwaald was in de mist. Het plafond hing naar beneden, tot vlak boven zijn bureau. Trossen elektrische kabels zwierden rond als wijnranken, er spoot water uit gebroken leidingen en verwrongen spullen en brokstukken van muren lagen tot op schouderhoogte om hem heen. Hij realiseerde zich dat hij doof was, in elk geval tijdelijk. Hij zag geen spoor van andere mensen.

Zijn blik concentreerde zich op een brandend stuk metaal dat 7 meter verderop dwars in een deuropening lag te branden: het leek op een onderdeel van een vliegtuigvleugel. In de buurt brandden vuurtjes. Ik ga dood, dacht Stan. Hij probeerde door de ravage naar een trappenhuis te klimmen, maar gleed uit en liep een flinke snee in zijn linkerkuit op. Terwijl er bloed op zijn schoen droop, schreeuwde Stan: ‘Heer, stuur me iemand, wie dan ook! Ik heb twee kleine kinderen! Ik wil niet dood. Waarom ben ik alleen? Stuur iemand, Heer!’

Niemand gaf antwoord. Stan begon door een verwoeste vergaderzaal en over bureaus te kruipen. Hij baande zich moeizaam een weg door wat ooit een computerruimte was geweest. Hij lag bij momenten plat op zijn buik en maakte zwembewegingen om vooruit te komen. Zijn overhemd raakte gescheurd en puin schaafde zijn huid tot bloedens toe. Zijn hart en zijn hoofd bonkten. Zijn longen deden pijn. Gewond, bebloed en vuil kroop en zwom Stan voort, schreeuwend om hulp.

Brian Clark en zes collega’s van Euro Brokers passeerden de deur van de 82ste verdieping en vervolgden hun weg naar beneden door trappenhuis A. Ze bewogen zich voort door het rokerige halfduister, geleid door Brians zaklantaarn en de reflecterende tape die na de bomaanslag van 1993 op de trappen was aangebracht. Op de overloop van de 80ste verdieping kwamen ze een gezette vrouw en een tengere man tegen die Brian niet kende, en die hijgend naar boven liepen. Zwaar ademend en met haar armen wijd uitgestrekt blokkeerde de vrouw de doorgang. Ze drong erop aan dat Brians groep rechtsomkeert maakte en met hen mee naar boven ging: ‘Je kunt niet naar beneden! Het brandt daar overal!’

Brian verlichtte haar gezicht met zijn zaklantaarn en richtte die vervolgens op zijn collega’s, die discussieerden over wat ze moesten doen. Toen werd hij afgeleid door een geluid dat van dichtbij kwam. Hij stapte in de richting van de deur naar de 80ste verdieping, waarvan het kozijn was kromgetrokken. Brian hoorde geklop en een gedempte stem die om hulp riep: ‘Is daar iemand? Ik krijg geen adem!’ Brian scheen met zijn zaklantaarn door de gaten naast de deur, maar zag niemand. De 80ste verdieping zag er rokerig uit, maar was niet uitgebrand. Er bleef iemand in doodsangst om hulp roepen. Brian greep de schouder van de man die naast hem stond, een rustige makelaar die Ron DiFrancesco heette, net als hij een Canadees, en die met zijn vrouw en vier kinderen in dezelfde buitenwijk van New Jersey woonde als Brian en zijn gezin. ‘Kom op, Ron, we moeten die man eruit halen.’

Met z’n tweeën duwden ze de kapotte wand opzij om de opening naast de gesloten deur groot genoeg te maken. Brian keek even achterom en zag dat de anderen naar boven gingen onder leiding van Dave Vera, een ervaren telecomspecialist bij Euro Brokers. Hij had een walkietalkie bij zich die hij voor zijn werk gebruikte. Brian en Ron werkten zich op de 80ste verdieping naar binnen en kwamen terecht in wat er als een steengroeve uitzag. De stofwolken waren zo dik dat er geen daglicht door de weggeblazen ramen kwam. Brian zwaaide met zijn zaklantaarn en riep: ‘Wie is daar? Waar zit je?’

Vóór ze antwoord kregen, werd Ron overweldigd door de rook. Omdat hij bang was flauw te vallen, haastte hij zich terug naar het trappenhuis en ging hij de anderen achterna naar boven. Brian bleef achter en zwaaide al roepend met zijn zaklantaarn. Doordat zijn gehoor was aangetast, kon Stan Praimnath Brian amper horen. Gelukkig zag hij boven zijn hoofd een smalle lichtstraal die heen en weer zwaaide, alsof het de lichtbundel van een vuurtoren was. ‘Ik kan uw licht zien!’ schreeuwde Stan. Hij begon ‘Links!’ en ‘Rechts!’ te roepen en tegelijk bewoog hij zich naar het licht toe, tot alleen een 3 meter hoge muur de twee mannen nog van elkaar scheidde. Het plafond van het kantoor was naar beneden gevallen, zodat de stalen constructie van de toren zichtbaar was geworden: de steunbalken die overeind hielden wat er nog over was van de etage erboven.

Stan verzamelde al zijn krachten, week naar achteren en deed een beroep op zijn ervaring als karateka. Hij sloeg een gat door de gipswand, stak zijn arm erdoor en zwaaide driftig. ‘Kunt u mijn hand zien?’ schreeuwde hij. Brian volgde de zwaaiende hand en zag door het gat een beroet gezicht. Van de andere kant van de muur keek de beknelde man met zijn bruine ogen recht in de blauwe ogen van zijn toekomstige redder.

'Je moet aan je kinderen denken. Denk aan je gezin. Klimmen, nu! Of je gaat dood!'

‘Kom op, we moeten je hieruit proberen te krijgen,’ zei Brian. Hij sleepte een bureau naar de muur en klom erop. Hij keek over de rand en zag een man midden in een vreselijke puinhoop staan. ‘Als je wilt blijven leven, klim er dan overheen,’ zei hij dwingend. Stan strekte zich en sprong, maar miste de rand. Brian probeerde hem nog te grijpen, maar kon er niet bij. Bij zijn sprong had Stan in een stuk hout van het ingestorte plafond gegrepen, waardoor hij een schroef van een gipsplaat in zijn handpalm kreeg. Hij gilde het uit van de pijn.

De branden kwamen dichterbij en de rook werd dikker. Bezorgd als hij was over zichzelf en zijn eigen gezin, wist Brian wat hij moest zeggen: ‘Je moet aan je kinderen denken. Denk aan je gezin. Klimmen, nu! Of je gaat dood!’ Stan probeerde het opnieuw, half springend en half tegen de muur op klauterend. Toen hij op zijn hoogste punt was, greep Brian hem vast en sleurde hij Stan over de muur. Ze smakten achterover, over het gekantelde bureau heen, midden in het puin, Brian op zijn rug en Stan boven op hem. Ze kwamen overeind.

‘Ik ben Brian,’ zei Brian, en hij stak zijn hand uit.

‘Ik ben Stan. Nu zijn we broeders voor het leven.’

Brian legde zijn arm om Stans schouder: ‘Kom, we gaan naar huis.’

Volgende week: ‘We hebben een plan.’ Het einde van vlucht 93 van United Airlines.

Mitchell Zuckoff, ‘Ondergang en opkomst’, De Geus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234