Dinsdag 07/04/2020

Interview

75 jaar na de slag om de Ardennen: dit is de vergeten geschiedenis van de Hel van Houffalize

In december 1944 was Houffalize nog een Ardense gemeente met toerisme, een buurtspoorweg, een marktplaats, leerlooierijen en meerdere winkels. In januari 1945 werd het compleet platgebombardeerd tijdens de Slag om de Ardennen. Honderden inwoners zaten opeengepakt in schuilkelders of verborgen zich bij barre vrieskou in takkenhutten in de bossen. 189 van de 1.325 inwoners overleefden het niet. De Hel van Houffalize, een stuk vergeten Belgische geschiedenis. ‘Bastogne is nog geen tien dagen belaagd, wij een maand!’

Nabij de Baraque de Fraiture zijn de dennen wit aangevroren. Mist daalt over de snelweg. Een vos is in twee stukken gereden. In Taverneux ligt ijzel op de hoofdstraat. In 1944 telde deze deelgemeente van Houffalize zeventig inwoners: zij kregen hun deel van het oorlogsleed. Er stroomden veel vluchtelingen toe, enkele boerderijen werden ingericht als veldhospitaal. “’s Avonds werd met een raclette geveegd, een stroom van bloed, verband en lichaamsresten belandde buiten in de sneeuw. Op een boerderijdak heeft nog wekenlang een half lichaam van een Duitse artilleriesoldaat gelegen, omgekomen bij een ontploffing. En bij gebrek aan begraafplaats stond er voor de dorpsschool een pantserwagen; daarin lagen wel twintig lijken gestapeld.” Het staat in het in 2005 uitgebrachte boek L’offensive Von Rundstedt à Houffalize van Alfred Dubru: 280 schrijnende bladzijden over de zwaar getroffen buurgemeente van Bastogne.

Ik moet maar eens aankloppen bij Edouard Boulanger, is me gezegd. Hij is kort na de oorlog geboren, hij was er niet bij, “maar hij weet veel via zijn ouders en familie”. Van Edouard moet ik meteen meekomen naar de vroegere zwijnenstal. Tussen de lage stenen muurtjes sliepen vijftien mensen: zijn ouders, hun vier kinderen en negen vluchtelingen uit Houffalize. De Duitsers hadden het woonhuis ingenomen. Toen een Amerikaanse obus viel, is het dak van de schuur ingestort, pal op de zwijnenstal. Het gewelfde plafond heeft het gelukkig gehouden en zo hebben die vijftien het overleefd. Vlakbij was toen de mesthoop. Zijn broer en zusje hebben op de mest weggegooide boterhammen van de Duitsers zien liggen en opgegeten. “Ze hadden enkel rauwe aardappelen.”

Miserie genoeg, en dan moest de dood nog komen. Zijn vrouw Gemma is in 1944 een oom verloren. Alfred Huberty was bij het verzet. Samen met zes andere maquisards werd hij door een SS-commando met een nekschot afgemaakt in de bossen. Het was de dag voor Kerstmis.

Na een maand in de stal te hebben gewoond, zag het gezin Boulanger de eerste bevrijders op 17 januari 1945.

Edouard Boulanger: “Die eerste Amerikanen in Taverneux waren brutaal en achterdochtig. Mijn oom moest hen voorgaan door het hele huis, het geweer in de rug. Als ze een Duitser aantroffen, zouden ze mijn oom doodschieten, zeiden ze. Bij een andere oom in Troismont liep het verkeerd. Daar trokken de Amerikanen de kelderdeur open, zagen ze een donkere gestalte, en openden meteen het vuur. Die nonkel was nog maar enkele maanden terug van een kamp in Duitsland. Hij was teruggekomen zonder tanden en met zijn nagels uitgetrokken. En dan dood. 37 jaar!

“In het dorp Fraiture zijn de moeder en zus van mijn schoonzus gedood. De Amerikanen hoorden rumoer en hebben aan de kelderdeur een granaat van de trap gegooid, zonder te verifiëren of het burgers waren. Naar het schijnt dachten ze dat ze al in Duitsland waren, vandaar hun bruutheid. Wat heb je aan zo’n excuus? Mijn schoonzus heeft haar moeder zien sterven, met in haar armen haar zusje van 2. Die schoonzus was toen 4: denk jij dat ze zoiets kan vergeten?!”

Edouard vindt dat te veel herdenkingen en journaalbeelden alleen maar over Bastogne gaan, het stemt hem bitter.

Boulanger: “De hele wereld kent Bastogne, niemand kent Houffalize. En Bastogne is nog geen tien dagen belaagd, wij een maand! Hoeveel burgerslachtoffers telde Bastogne? Veertien, wij bijna 200! En in Bastogne stonden nog zoveel huizen overeind, hier was álles verwoest.”

Machteloze bitterheid. Tegenover een oorlog die genadeloos de kant heeft gekozen van één slagveld, met bijhorende vlag en wimpel van musea en merchandise.

’s Middags kan ik mee aan tafel bij Marcel en Martine Schloune, een boerengezin in Tavigny. In 2017 waren we op vakantie in hun chalet en Marcel vertelde toen over de massale bombardementen op Houffalize, “waarvan amper iets geweten is in België”.

Het was dan ook een bruuske ommekeer in 1944. Na de bevrijding in september 1944 kijkt men reikhalzend uit naar de eerste bevrijde kerst. In de banketwinkels liggen kerststalletjes gemaakt van Amerikaanse chocolade. Maar dan keren de Duitsers terug, de Amerikaanse troepen vluchten halsoverkop en via de Belgische radio worden de regiobewoners aangemaand tot evacuatie. In Houffalize was geen stroom en is dat radiobericht nooit gehoord.

Op 20 december trekt een lange colonne van Duitse tanks en vrachtwagens door Houffalize. De helft van de inwoners vlucht. Te voet, met fietsen, stootkarren en kinderwagens gaat het naar omliggende dorpen. Alle ramen in Houffalize moeten opnieuw worden verduisterd, “angst daalt neer in alle straten”. Op kerstavond zijn vele huizen bezet door feestvierende Duitse soldaten. “Ze zingen luidop hun ‘Stille nacht’.” De burgemeester wordt bij een Duitse stafofficier ontboden. Die zegt: “U hebt de Amerikanen onder bloemen bedolven, nu zullen zij u onder stenen bedelven.”

Op kerstdag beginnen de bombardementen. Houffalize ligt op een knooppunt van twee belangrijke wegen: daar kunnen de geallieerden Duitse troepenbewegingen stremmen en zo wordt het stadje een strategisch doelwit.

Marie, de moeder van Marcel, woonde in Buret, op 8 kilometer van Houffalize. Het gezin telde vier kinderen, zij was 9. Ze vertelt hoe goed ze het hadden met de Amerikanen van de ‘eerste’ bevrijding in september.

Marie: “Die soldaten hadden de invasie in Normandië meegemaakt en waren hier op verlof, heel relaxed. In alle huizen mochten ze aan tafel bijschuiven, want in ruil voor verse soep, aardappelen en vlees kregen wij chocola, conserven, oploskoffie en letterkoekjes.

“Op 16 december moesten we plots evacueren. We zijn gevlucht naar een grote vierkantshoeve in de bossen, daar woonde familie van mama. De hoeve was al ingenomen door de Duitsers, wij sliepen in de zwijnenstallen, met zo’n veertig vluchtelingen. Dat was onze kerstnacht: wij lagen op stro in die koude hokken, terwijl we de Duitsers hoorden feesten in het warme woonhuis.

“Die boerderij had drinkbakken om water te scheppen, maar niemand waagde zich buiten. Wij deden alles met melk: de aardappelen koken en zelfs ons wassen.

“Tot onze grote angst installeerden de Duitsers vlakbij een groot tentenkamp, waar honderden soldaten bivakkeerden. Plots zaten we bij een groot doelwit! Maar we konden niet weg, het schieten is op kerstdag begonnen.”

Op tweede kerstdag droppen honderden Amerikaanse toestellen brandbommen op Houffalize. Er is geen verwittiging. Van de 700 burgers die in kelders schuilen, worden er 21 gedood. De volgende dagen neemt het geschut van de twee legers toe. Vluchten kan niet meer. In alle omliggende dorpen wordt gevochten en dus blijven 350 inwoners noodgedwongen achter in een vijftal grote schuilkelders. In de nacht van 6 januari voeren 700 Britse bommenwerpers een raid uit. Houffalize wordt in 35 minuten tijd zo goed als met de grond gelijkgemaakt. 121 burgers worden gedood. 59 daarvan raken bedolven in één en dezelfde schuilkelder. “Je zag mensen met blote handen het puin wegkrabben, op zoek naar familie.”

In sommige schuilkelders zit men ‘tussen de lijken’. Ze worden in dekens gerold en tijdens schietpauzes geborgen. Elders kan men de lijken alleen maar begraven ‘onder een hoopje bijeengeraapte sneeuw’. In de twee weken na kerst worden 189 van de 1.325 inwoners gedood. Van zeven gezinnen blijven geen ouders en geen kinderen in leven. 310 van de 354 huizen zijn compleet verwoest, Houffalize telt in één klap 1.140 daklozen.

Marie: “Wij verbleven op grote afstand van Houffalize, maar dan nog hebben wij de grond voelen daveren en de lucht als een hoogoven zien branden. Ik heb een oude man zien verstijven van de schrik, hij kon geen stap meer zetten. En hoe iedereen luidop zat te bidden! Het doet wat met een kind om volwassenen zo bang te zien. Ik wilde geen duimbreed van mijn ouders wijken, ik wou altijd mama’s rok of papa’s broek vasthouden.

“Ik was ook bang van het blaffen en bevelen van de Duitsers. Naarmate dat offensief duurde, raakten ze uitgeput en werden ze agressief, je hoorde ze brullen en vechten, en er was de schrik dat zij zich tegen ons zouden keren: wij, de vriendjes van de Amerikanen.
 “Ik heb mij weken niet gewassen en heb altijd in dezelfde kleren gelopen. Door slecht voedsel en slechte hygiëne had iedereen dysenterie. Een kindje van 5 is er bijna aan gestorven.

“Toen we bevrijd werden, gingen we meteen naar huis. Onderweg zag ik mijn eerste dode: een Duitser was met paard en al omvergeschoten en lag gekneld onder dat dode, stijfbevroren beest. Die soldaat zie ik nu nog, ik zal hem blijven zien tot mijn laatste dag.

“Kort voor onze terugkeer had grootvader met een verrekijker onze schuurpoort kunnen zien, iedereen was opgelucht. Maar bij aankomst was dat het enige dat nog rechtstond, ons huis bestond alleen nog uit een paar muren. Ik heb staan snikken, ook omdat al onze dieren gedood of meegenomen waren.”

De weg is een verlaten slinger langs de Ourthe. Er is alleen de regen en de rivier met zijn omgevallen bomen, naargeestig tussen de rotsen. Bonnerue is een gehucht met weinig huizen. Emile (84) is zijn zoon komen helpen op de boerderij. Hij vertelt van de honger. De ‘inwonende’ Duitsers hadden al hun dieren geslacht; ze hadden nipt drie kippen kunnen verbergen. “Het avondeten was soms één rauw ei dat ik met mijn zusje moest delen.” Toen de Duitsers terugkeerden, ging zijn vader zich hoog in de hooizolder verstoppen. “Hij was doodsbang, want twee van zijn kameraden die in het verzet zaten, waren gefusilleerd. Hij heeft zich een hele maand verstopt.” Bewogen pakt hij mijn arm. “Dat kan ik nooit vergeten, dat ik als kind moest toezien hoe onze papa zich moest wegstoppen in zijn eigen huis.” Hij vindt dat er niets moet worden gevierd, “want wat verjaart er eigenlijk? Alleen maar miserie.” En dat een oorlog armoe meebrengt, maar nu is het vrede en is er wéér armoede. “Toen waren het de bezetters, nu zijn het onze eigen ministers die ons verarmen.” De logica van een tachtiger in Belgiës minst welvarende provincie.

In de bibliotheek van Houffalize prijken bijna alle pasfoto's van de omgekomen inwoners. 27 dodelijke slachtoffers waren nog geen 15 jaar.

Ik rij naar Houffalize. Onderweg verschijnen oplichtende herten in de voortuinen. In de bibliotheek ben ik een uur te vroeg. Er is de drukte van stoelen klaarzetten en glazen ordenen. Hier is gewoekerd met ruimte, de rekken met romans en jeugdboeken hebben gedeeltelijk plaats moeten maken voor foto’s en toonkasten. Daarin een arsenaal aan militaria: van kogelpatronen tot de kauwgom die in 1944 is uitgedeeld. Er liggen zelfs Amerikaanse helmen bovenop de hoge buizen van de verwarming. De foto’s spreken van verwoesting, lege straten en vluchtelingen die met schamel bezit door de sneeuw stappen. Naast Houffalize zijn ook grotere Ardense gemeentes zwaar getroffen: Sankt Vith (250 doden), Malmedy (125), La Roche (117). Aan de muur ook een massieve houten lijst met bijna alle pasfoto’s van de omgekomen inwoners, hun namen al decennia in zwarte inkt bewaard. Er zijn veel bejaarden en kinderen bij, 27 slachtoffers waren nog geen 15 jaar.

De burgemeester houdt een toespraak. Over de gruwelijke Ardennen-tragedie die ons nooit zal loslaten: 73.000 soldaten omgekomen en 2.500 burgers, van wie 189 in Houffalize. Maar ook dat we al 75 jaar vrede kennen, en dat we “die kostbare vrede moeten bewaken en alert moeten zijn voor nationalisme en populisme, want zo ontstaan oorlogen.”

In een verzorgingstehuis in Malmedy zit Louis Dislaire te wachten, samen met zijn vrouw Rose-Marie Winkin. In de winter van 1944 is het gezin Dislaire – ouders en vijf kinderen – naar de bossen gevlucht toen de bommen op Houffalize vielen. Louis was toen net geen 9.

Louis Dislaire: ‘Haast iedereen had vlooien en dysenterie. Als de diarree ’s nachts kwam, moest je over de andere vluchtelingen kruipen en hopen dat je niet in je broek deed.’

Louis Dislaire: “Na de bevrijding in september hingen wij veel rond bij de Amerikanen die op onze speelplaats kampeerden. Zij zetten ons soms achter het stuur van hun jeep. Dan kwam de kerstvakantie met de nachtmis en de wafelenbak van moeder, maar die is er nooit gekomen. In de plaats kwamen de Duitsers.

“Omdat we de gevechten vreesden, zijn we op 18 december gaan schuilen in de gewelfde kelders van de grote leerlooierij, daar waren tientallen gezinnen naartoe gevlucht. ’s Nachts hoorden we bommen vallen en toen we ’s morgens weer naar huis gingen, was dat langs een colonne van Duitse jeeps, tanks en pantserwagens. Thuis waren alle ruiten gebroken, en enkele Duitsers hadden de schrijnwerkerij van papa opengebroken: ze waren volop doodskisten aan het timmeren voor hun gesneuvelden aan het front! We werden verplicht om vier Duitsers in te kwartieren.

“Op tweede kerstdag kwam het eerste zware bombardement. Het gips viel van het plafond, net als de luster. En de schutplanken voor de ramen werden versplinterd. Een Duitser kwam binnenlopen van de wc, roepend en met half opgetrokken broek. Dat had niets lachwekkends. Ik zag pure paniek. Ik zag: dit is oorlog.

“Papa riep dat we in de deuropeningen moesten gaan staan: Ardense huizen hebben dikke muren, en zo’n deurgat stort minder snel in dan een plafond. Ik bibberde van de schrik, ces bombardements, ce sont des souvenirs terribles.

“Toen de bommenwerpers weg waren, herkenden wij onze straat niet meer. Overal hing een enorme stofwolk, en in die grijze nevel zag je resten van huizen smeulen en roken. Een oom die in het puin was gaan helpen, kwam roepend en huilend teruggelopen, ‘overal liggen er doden in de huizen!’

“Toen is beslist om te vluchten. We moesten warme kleren in een deken knopen, en elk kind kreeg zo’n bundel op zijn rug. Mama pakte brood, suiker, ham en zoute boter in een jutezak. Op straat zagen we een Duitse patrouille, ze droegen een gewonde, zijn bloed liep in straaltjes op de grond.

“Die avond zijn we opgevangen in het landhuis van de familie Lambin. Zij hebben wel zeventig vluchtelingen opgenomen. Ik sliep onder het grote bureau van meneer Lambin, ik voelde me volkomen veilig.”

Louis huilt geluidloos, terugdenkend aan hoe goed sommige mensen waren. Ze bleven vier dagen bij Lambin, maar in de nacht van 31 december werd dat landhuis een doelwit omdat de geallieerden dachten dat er Duitse bevelhebbers verbleven.

Dislaire: “Zoveel bommen vielen vlakbij. Het pleister sprong uit de muren, de vensters vlogen aan diggelen, de kasten met servies vielen om, en buiten flitste en daverde het van de explosies. Wij vluchtten de kelder in, met onze mond vol stof en gruis. ’s Morgens zijn we daar weggegaan, de bossen in. Hoe dieper het bos in, hoe meer hutten we zagen van andere vluchtelingen. Papa wist een droge bedding van een oude molenbeek liggen, daarin hebben we ons geïnstalleerd. Eerst werden dunne boomstammen gekapt en op die stutten kwam een dak, een vlechtwerk van stro en sparrentakken. Op de hardbevroren grond kwam hooi, gehaald uit nabije hooimijten. Met 29 zaten we in een ‘loopgraaf’ van twee meter breed. Je kon alleen maar dicht tegen elkaar liggen, je benen verstrengeld in de benen van je overbuur.

“Eten vinden was een probleem. Gelukkig telde onze groep enkele dapperen, die zich in de buitenwereld waagden. Zij zochten in verlaten woningen naar eten. Ze riskeerden hun leven. Ik bewonderde hen. Het waren niet de intellectuelen, het waren de mensen met een eenvoudig beroep die van aanpakken wisten.

“In Taverneux vonden ze bijvoorbeeld stijfbevroren kadavers van koeien en kalveren; met een bijl kapten ze stukken vlees eruit en in hompen werd dat in onze hut opgehangen. Als dat rauwe vlees ontdooide, kreeg je een stukje om op te zuigen en knabbelen.

“Soms vonden ze bevroren aardappelen, één keer een weggegooid brood in het ijs van een waterton, en ook één pot kippenbouillon. Maar om die op te warmen moesten we wachten: we durfden alleen maar vuur maken als er mist was. Op heldere dagen en nachten zou die vlam ons verraden, jachtvliegtuigen zouden ons zeker beschieten.

“Iedereen sliep in zijn kleren, iedereen had vlooien, en bijna iedereen had dysenterie. Kwam de diarree overdag, dan was je buiten en dan kakte je tussen de bomen; maar als ze ’s nachts kwam, moest je op handen en voeten tussen al die morrende lichamen kruipen, en ondertussen maar hopen dat je niet in je broek deed.”

Dislaire: “We vormden een hechte groep, maar de dagen duurden eindeloos omdat het in onze schuilplaats altijd duister was en je niets omhanden had. We verzonnen dan maar spelletjes, zoals: wie kan er de meeste mensen opnoemen met Louis als voornaam, enzovoort. De uren dat er daglicht was, wilde je wel naar buiten, maar daar was het klappertanden in de vrieskou.”

En koud wás het, tijdens het offensief. Pascal Mormal, een KMI-medewerker, heeft het voor me opgezocht. Na Kerstmis zakten de minima onder min 10 graden. En in de week na Nieuwjaar viel er overvloedig veel sneeuw, “in Spa lag tot 40 centimeter”. Het kwik zakte na 7 januari ook nog dieper, “met temperaturen tot onder de min 20 graden”. De bevrijding op 17 januari betekent geen verlossing van de winter: tot eind januari blijft het extreem vriezen, in de valleien tot min 25 graden; de sneeuwlaag bereikt dan bijna 60 centimeter.

In de zwaarbesneeuwde boshut vierde Louis zijn verjaardag op 17 januari.

Dislaire: “Ik werd 9! En ik zag de mannen terugkomen die weer op zoek waren geweest naar eten. Ze keken somber, maar dat was gespeeld, want ineens riepen ze: ‘’t Is voorbij! De Amerikanen zijn er!’

“Na zeventien dagen konden we eindelijk uit onze schuilplaats. Papa is toen op een heuvel gelopen, vanwaar hij Houffalize kon zien. Daar heeft hij staan huilen toen hij de verwoesting zag. Papa en mama waren daar geboren, hun hele geboortegrond was verwoest. Ons huis had geen dak meer.”

Hij veegt tranen weg. Zijn vrouw vertelt hoe hij als oorlogskind lange tijd van huis is geweest. Eerst is hij opgevangen bij een gastgezin in Namen.

Dislaire: “’s Avonds brandde overal licht, er waren cafés en muziek, hallucinant, zo’n contrast met het bos, ik was zwaar geschokt.”

Dislaire was getraumatiseerd. In Namen dook hij nog altijd de kelder in als hij vliegtuigen hoorde en tot zijn dertigste heeft hij nachtmerries gehad. Hij werd onderwijzer, maar heeft later nooit meer in Houffalize willen wonen.

Louis Crins vouwt zijn krant dicht als ik binnenkom. In het warme woonhuis ligt een dikke stapel hout naast de kachel. Tijdens de Slag om de Ardennen was hij nog geen zes jaar. Zijn vader was grafdelver en zo heeft hij dicht bij de dood gestaan in 1944.

Louis Crins met zijn moeder voor het verwoeste Houffalize: ‘Bij een bombardement werd een benzine­depot geraakt. De brandstof vloog in brand en liep in de Ourthe. Metershoge vlammen dreven met de stroom mee.’

Louis Crins: “Ons huis was al onbewoonbaar sinds mei 1940. Om de oprukkende Duitsers tegen te houden, hadden de Belgische troepen een belangrijke weg opgeblazen, en ons huis lag mee in duigen. Onze huisarts, dokter Lefèbvre, had compassie: wij mochten de hele oorlog mee in zijn huis wonen. Gratis! Zo hebben wij alle bombardementen tot 6 januari meegemaakt in de kelder van de dokter, we leefden daar op stro. Papa was grafdelver voor de gemeente en tussen de bombardementen door moest hij lijken in het puin gaan zoeken. Echt begraven kon niet: de grond was bevroren. De stoffelijke resten werden in simpele kisten gelegd en in verlaten kelders gestapeld. Af en toe mocht ik mee met papa. Eén dode herinner ik mij bijzonder. Door de luchtverplaatsing had een pendule zich in de borstkas van een man geboord, en die klok was stil blijven staan op het tijdstip van zijn dood.

“Bij dat grote bombardement van 6 januari werd een benzinedepot geraakt. Die brandstof vloog in brand en liep in de Ourthe. Die brand ging mee met het water, metershoge drijvende vlammen waren dat. Omdat het zo dicht bij ons huis was, zijn wij weggevlucht uit Houffalize. Straten waren niet meer te zien, alles lag vol puin.

“De eerste nacht schuilden we in een berghok van een kampeerterrein. Met andere vluchtelingen zaten we als sardienen bijeengepakt en bij elke explosie werden de mannen die de deur dichthielden naar buiten geslingerd door de luchtverplaatsing.

“In de ochtend trokken we verder naar Engreux. Met een lange rij vluchtelingen liepen we over een pad in de sneeuw. Ineens kwamen jachtvliegtuigen laag overvliegen, met hun mitrailleurs zochten ze de vijand. Iedereen begon met zijn zakdoek of een witte lap te zwaaien, om te tonen dat we burgers waren. Ik zag die toestellen zwenken, ze vlogen zo laag dat ik de piloot naar ons zag kijken.

“In Engreux liep het vol vluchtelingen. Mensen uit Houffalize, Sankt Vith en elders. Het waren er wel duizend, las ik later. Toen papa aanklopte bij een boerderij op zoek naar eten, vroeg die boerin of wij geld hadden. Dat hadden we niet, dus kregen we niets. Uiteindelijk vonden we onderdak in een lokaal waar Duitsers zaten, en van die zogezegde ‘vuile moffen’ hebben wij een gamel gekregen en mochten alle vluchtelingen aanschuiven voor warm eten.

“Tijdens de bevrijding was papa in Houffalize. Daar heeft hij gezien hoe Amerikanen een granaat gooiden in een kelder waar om hulp werd geroepen. Ze vertrouwden het niet, overal zagen ze Duitsers. Mijn papa heeft toen een diepe afkeer van de geallieerden gekregen. Hij zag ook Britse piloten die benieuwd en fier kwamen kijken naar de schade die ze hadden aangericht, terwijl hij de schuilkelder van de grote leerlooierij moest leegmaken. Daar waren op 6 januari 59 doden gevallen. Sommige stoffelijke overschotten plakten tegen de muren, weggesmakt door de luchtverplaatsing. Hij moest ze afschrapen.”

Emile (84) uit Bonnerue heeft een mildere herinnering aan de dag van de bevrijding. Met zijn broer moest hij bloem halen bij de molen. Op de terugweg hoorden ze tanks en gingen ze bang aan de kant staan, maar het waren Amerikanen die hun zware zakken zagen. Of ze wilden instappen? Hij alleen durfde, en zo is hij thuis aangekomen, in ratelende vaart en zittend onder de loop van dat lange kanon.

Het is de avontuurlijke herinnering van een argeloos kind, want oorlogscorrespondenten die begin februari arriveren, beschrijven dorpswegen met lijken, velden vol opgeblazen vee en bossen met besneeuwde wrakken van tanks en pantserwagens.

Om Houffalize te evacueren is met een legerbulldozer “een weg getrokken tussen de puinhopen” en zo zijn de bewoners weggegaan. Toch treft de reporter van Le Soir nog 150 opeengepakte overlevenden aan in de kelder van de pastorij. “Ze leven als beesten. Na alle eerdere ontberingen is hier geen licht, geen verwarming en geen drinkwater. Ze koken met het vervuilde water van de Ourthe. Deze mensen blijven hier koppig wonen, om hun domicilie te beschermen tegen plunderaars.”

Het leven gaat écht verder: op 25 januari trouwen Roger Bollet en Marie Henrard. De burgerlijke trouw was in het deels verwoeste huis van de burgemeester, de kerkelijke trouw tussen de halfkapotte muren van de sacristie.

De provincie Luxemburg is zwaar getroffen. 5.600 huizen vernield. 43.500 daklozen. 1.282 slachtoffers, een zesde daarvan in Houffalize.

Intussen moeten ook de lijken worden geborgen.

Crins: “Toen papa de bemanning van een neergeschoten Lancaster-bommenwerper ging zoeken, was ik erbij. De dode bemanning lag verspreid in een dicht bos en ik mocht dat mee uitkammen. Eén inzittende was dwars door de takken van een hoge spar gestort, die lag verhakkeld in de sneeuw. Nog maanden hebben we naar vermisten gezocht. In april vonden we er nog, al aangevreten door everzwijnen.

“Ik heb die oorlog onthouden als een avontuur. Wij speelden cowboy met echte revolvers, die waren overal te vinden. Wij schoten ook met echte geweren: de kogels vervingen we door harde proppen van papier-maché (tussen januari en juni 1945 stierven 40 kinderen en volwassenen door mijnen en onoordeelkundig wapengebruik, red.).

Intussen moest er provisoir worden gewoond.

Marie: “Pas na enkele weken was ons huis weer bewoonbaar, met behulp van dekzeilen en schutplanken. Ik heb letterlijk sombere herinneringen aan 1945. Omdat alle raamholtes met hout waren dichtgetimmerd, was het altijd donker in huis, op één spaarzaam olielichtje na. Als wij in een ander kapot huis een stuk vensterglas vonden, was dat een schat! We probeerden het dan zo goed mogelijk in te werken in die platen voor het raam, om toch maar een streepje daglicht te hebben.

“Moeder is ziek geworden van ellende. Door die donkerte in huis en doordat ze ons amper eten kon geven. Wij hadden niets meer, wij moesten leven van de keukenresten van de Amerikanen. Wij hebben nog maanden uit gamellen gegeten, want wij hadden geen borden, geen kopjes, niets. Mensen van mijn generatie zijn daarom zuinig, die gooien niets weg.”

Een legerstudie wees uit dat de regio Houffalize-Bastogne ‘depressief en getraumatiseerd was’: door het verlies van familieleden, huis en bezit, en de doorstane angsten. Ook wordt aangegeven dat de bevolking geshockeerd is door het wegwerpgedrag van de troepen: ‘In armoede moeten zij toezien hoe de goed uitgeruste bevrijders voedsel, kledij of brandstof verspillen.’

Marie: “De Amerikanen hadden alleen maar nieuw materiaal en zij keken neer op onze huizen, oude krotten in hun ogen. Vandaar dat zij, in de geëvacueerde huizen waar zij sliepen, veel meubels als brandhout hebben opgestookt. Zij vonden dat rommel, terwijl het vaak erfstukken waren.”

Het zal nog tot begin de jaren 60 duren voor Houffalize weer is opgebouwd. De jaren 50 zijn karige jaren.

Marie: “Toen de soldaten terug in Amerika waren en sommigen voedselpakketten naar hun Ardense gastfamilies stuurden, was zelfs dat inpakpapier al een bezit! Meisjes in mijn klas hadden het als kaft rond hun boeken, of pakten er hun middagboterhammen in. O, die felle betoverende kleuren, ik wou dat ik ze ook in handen had gehad.”

Marie kan het slecht verdragen als ze ziet hoe jongeren materieel bezit heel gewoon vinden. En evenmin begrijpt ze de recente hang naar nazitijden.

Marie: “Op tv zie ik jonge mensen met hakenkruisvlaggen en nazitatoeages. Onbegrijpelijk, die verheerlijking van dat regime. Een hele oorlog waren wij bange mensen omdat wij een radio of een varken hadden verstopt. Het was altijd en overal liegen, het was weinig mensen vertrouwen, en dat vier jaar lang. En dit kan ik zeggen: die honger en die kou van 1944-1945, die kon je verdragen. Maar niet vrij zijn in je eigen land, dat is verschrikkelijk! En nu hebben de mensen de vrijheid, dat is een groot goed, beseffen ze dat wel?!”

Ik ben weer bij Edouard Boulanger in Taverneux. Hij woont dicht bij de onderduikbossen waar honderden vluchtelingen verstopt zaten, en zelfs al is het avond, hij zal me die bossen tonen. De koplampen verlichten een smalle slijkweg met diepe putten en we rijden langs een uitgestrekte wei. “Die weide was één krater na de oorlog, in hun duikvlucht naar Houffalize hebben vliegtuigen hier al tientallen bommen gelost.” Het bos wordt zo dicht dat takken tegen de ruiten slaan. We stappen uit. De wind suist hard en krakend. In deze bossen waren de schuilhutten. In deze bossen verjaarde een kind. In deze bossen verjaart een oorlog. Een toespraak is hier nooit gehouden.

De expo in de bib van Houffalize loopt nog tot eind februari op maandagavond, dinsdagnamiddag en zaterdagvoormiddag.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234