Woensdag 21/08/2019
De D-day-ploeg van ‘Time Magazine’ met militairen op de foto. Fotograaf Robert Capa zit vooraan links (met sigaret).

Tweede Wereldoorlog

75 jaar na D-day: ‘Het was zo erg dat het je na een poos niet meer kon schelen of je geraakt werd’

De D-day-ploeg van ‘Time Magazine’ met militairen op de foto. Fotograaf Robert Capa zit vooraan links (met sigaret). Beeld ©Collection Capa / Magnum Photo

In de boerderij waar na D-day de Amerikaanse journalisten verbleven, hangt nog altijd het bord met press room. De eigenaar eert de correspondenten van destijds, ook al bleken sommige van hun heldenverhalen toch iets minder heldhaftig dan ze zijn opgeschreven.

Precies op de plek waar Robert Capa 75 jaar geleden zijn foto’s van de Amerikaanse opmars in Frankrijk naar de krant stuurde, vecht James Hamel met een kolonie mieren. Ze lopen over een tafel in de ontbijtzaal van zijn kleine bed and breakfast in Normandië.

Het is niet zomaar een tafel. Waarover nu de mieren in geordende formaties, als soldaatjes bijna, van de oostkant naar de westkant marcheren, was exact dat bureau waaraan aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse journalist Ernest Pyle zijn columns tikte. Kijk, zegt James Hamel, en hij loopt naar een levensgrote foto aan de wand. “Deze tafel.” Hij wijst naast een jongeman achter een typemachine op de plaat.

Naast Pyle, op die foto, staat Robert Capa, de beroemde oorlogsfotograaf.

James Hamel drijft een bed en breakfast in Château de Vouilly, plek waar in de zomer van 1944 de Amerikaanse journalisten verslag deden van de bevrijding van Europa. Ze schreven dermate meespelende verhalen dat sommige van hun namen er nog altijd toe doen: Walter Cronkite, Robert Capa, Ernest Hemingway.

Twee maanden lang was precies die ontbijtzaal waar James Hamel het nu probeert te winnen van de mieren, de perskamer waar vandaan van uur tot uur en van dag tot dag Amerika te horen kreeg hoe de strijd tegen de Duitsers verliep. Daar stonden de typemachines, daar was de kopijzender, daar streepte de censor de gevoeligste delen uit hun artikelen, daar kwam de persvoorlichter van de Amerikaanse generaal Omar Bradley iedere dag vertellen hoe het ervoor stond met de strijd.

**

Château de Vouilly. Beeld Romana Abels

“De ene keer denk ik dat ik gewend ben aan het zien van dode jonge mensen, het volgende moment realiseer ik me van niet”, schreef Ernie Pyle op enig moment vanaf die plek aan dat tafeltje op de foto. Zijn aantekeningen uit die tijd werden gebundeld in een boek dat in Nederlandse tweedehands winkels nog te vinden is onder de titel De mens Ernie Pyle.

Die mens hoorde tot de groep van 28 journalisten die op 5 juni 1944 aan boord ging van één van de geallieerde schepen die als eerste moesten landen op de door de Duitsers bezette stranden van Normandië . ‘Er zullen zeker verliezen zijn’, werd de journalisten bij inscheping verteld. En ook: als het schip zinkt, is de kans dat je wordt opgepikt minimaal. Even buiten de kust schreef Pyle: “We zaten op de eerste rij bij een groot militair drama. Af en toe dreef een dode man met zijn gezicht naar beneden langs ons heen.”

Omdat het schip waarop hij voer uiteindelijk een andere rol kreeg toebedeeld, arriveerde Pyle pas de volgende dag, op 7 juni op het strand. ‘Een strandmuseum van wrakstukken’, trof hij aan. Wat hij zag schreef hij zo nauwkeurig mogelijk op. ‘Een gigantische en klaaglijke hoeveelheid wrakken, mijlenver’. Hij noteerde: verdronken tanks, gekapseisde schepen, uitgebrande vrachtwagens, getroffen jeeps, droevige kleine bezittingen: briefpapier, sigaretten. “Daarbij kwamen dan de rijen, afgedekt met dekens, de lijken van soldaten, met de tenen van hun schoen omhoog, alsof ze in het gelid stonden. Andere lichamen lagen nog grotesk op het zand of half verborgen in het helmgras.”

Pyle beschrijft ook hoe hij en zijn collega-journalisten die dagen beleefden. “Toen ik aan land kwam was het eerste wat ik wilde doen de andere correspondenten opzoeken, om te zien hoe zij gevaren waren. Daags voor de invasie hadden we het als een feit aanvaard dat niet ieder van ons er levend doorheen komen zou. Het kostte me  niet veel moeite om ze te vinden, in schuilgaten aan de achterzijde van een duin, ongeveer een halve mijl van het strand af. Ik kon ze al van afstand zien, omdat ik de baard zag van Jack Thompson. Hij zat op de rand van een schuilgat zijn laarzen dicht te rijgen.”

Eén correspondent was gesneuveld. “De jongens”, schreef Pyle, “waren ongeschoren en hadden rode ogen. Hun lichamen deden pijn. Ze hadden alleen hun schrijfmachines het land op genomen. Ze hadden twee dagen niet geslapen en daarna in natte kleren op de grond gelegen. Maar dat was niets bij wat ze hadden meegemaakt. Ze waren min of meer versuft van de geestelijke overbelasting door het gevecht. Als iemand ze iets vroeg hadden ze en paar seconden nodig om hun gedachten te concentreren en antwoord te geven. Twee hadden de hele nachtmerrie meegemaakt, die waren met de eerste soldaten aan land gegaan, Don Whitehead en Jack Thompson. Vier uur waren ze op het strand geweest onder dat ontzettende vuur van granaten en kogels.”

Thompson vertelde hem: “De doden en gewonden lagen er zo dik dat je geen voet verzetten kon. Een officier sneuvelde vlak naast me.” Whitehead: “Ik weet niet waarom ik nog leef. Het was verschrikkelijk. Het was zo erg dat het je na een poos niet meer kon schelen of je wel of niet geraakt werd.” Hij was geen beginner. D-day was Whiteheads zesde invasie.

Daar zaten die eerste dertien mannen, op het strand, met dode mannen overal om hen heen. Ze hadden behoorlijk wat te vertellen. Maar ze konden hun kopij niet van het strand af krijgen, de wereld in. Pyle: “Ze hadden het ergste meegemaakt. Maar die morgen daar in hun schuilgaten op de duinhelling, hadden de correspondenten alleen maar zorg om de verzending van hun kopij. Ze waren er zeker van dat hun verhalen niet in Amerika waren gekomen.”

**

James Hamel. Beeld Romana Abels

Ernest Pyle was één van de dappersten, zegt James Hamel. Hij was er zelf niet bij – het was zijn grootmoeder, Alexandra Hamel, die de journalisten destijds ontvangen had. Hij zou zelf dat najaar geboren worden en een Amerikaanse voornaam krijgen uit trots op de bevrijders en de Amerikaanse journalisten die kind aan huis werden daar in Vouilly.

Het is eigenlijk een plek van niks, Vouilly. Het ligt te ver van zee om een badplaats te heten, te ver van Caen of Cherbourg om een voorstad te zijn. Het is middeleeuws, maar eenvoudig middeleeuws. Er is een kerkje, wat huizen en een kruising. En natuurlijk het château, dat het midden houdt tussen een kasteel en een grote hoeve. Het heeft van beiden wat: grote schuren, en stallen, maar ook een doodgevallen slotgracht en een oranjerie. Een handgeschreven bord wijst vanaf de kruising de weg – chambres d’hotes, staat er. Vanaf daar hobbelt het tussen een bomenrij over zand.

James Hamel en zijn vrouw Marie-José hebben er altijd gewoond. Eerst met bruine Normandische koeien, later met zwart-witte melkkoeien, uiteindelijk zonder vee. Nu alweer 36 jaar geleden begonnen ze met de verhuur van de kamers boven als hotelkamers, vier stuks, ieder met een eigen badkamer en toilet.

**

Destijds was er geen toilet. De Amerikaanse journalisten, er waren er in totaal 49 in Vouilly, sliepen niet in het château, maar ernaast in het weiland, in grote ronde tenten waar op drukke dagen zeker zes personen in pasten. In die tenten aten ze ook. Sommigen hadden een bed gemaakt van zwemvesten die ze op het strand gevonden hadden.

Anderen begonnen hun eigen voedselvoorziening. Het eten dat vanuit het leger werd verstrekt, was evenmin smakelijk als veel, terwijl al snel bleek dat er in Normandië van alles te krijgen was: kaas, eieren, groente.

Dat maakte wel dat het stonk. Menig journalist heeft achteraf beschreven hoe de geur het best omschreven kon worden: als die van een mengsel van camembert, koeien, zweet en calvados.

Er werd veel gedronken op Vouilly, aan het eind van de lange dagen waarop de correspondenten na de dagelijkse persconferentie in de ochtend met drie tegelijk in jeeps waren gestapt om naar het front te rijden waar die dag het meest gevochten werd, op de terugweg soms met gewonden soldaten in de achterbak, die werden afgeleverd bij veldhospitalen langs de route.

Vooral de persbureau-journalisten moesten hard werken. Ze hadden geen keus, schrijft Steven Casey in een twee jaar geleden verschenen reconstructie, ‘The war beat’. Alles was voortdurend breaking news. Dat betekende dat ze dus op een dag wel zo’n zes tot acht keer op en neer naar het front reden. In Vouilly probeerden ze de letters in hun natgeregende notitieblokjes nog te lezen. Het regende die hele zomer, was achteraf het verhaal.

**

De persruimte. Beeld Romana Abels

Ze waren wat nu heet embedded, mee met het Amerikaanse leger. Er waren censors in Vouilly die iedere letter kopij beoordeelden. Steven Casey schrijft hoe het leger de correspondenten na de warrige beginperiode in de watten begon te leggen. “Ze konden eten krijgen, een jeep, een koerier om hun kopij mee te verzenden, alles op ieder moment dat ze erom vroegen.”

“Al dat gepamper was nodig omdat de bestorming van Cherbourg een drama was, maar het leger dat liever verborgen wilde houden. William Stoneman van de New York Times schreef op 23 juni: “De censuur, die we op dit moment niet ter discussie willen stellen, heeft ons ervan weerhouden om het hele verhaal over de voorbereidingen voor aanval van gisteren te vertellen. We kunnen niet meer zeggen dan dat ze interessant waren.”

**

Het zijn de kleine dingen die verraden dat James Hamel onlangs weduwnaar geworden is. Zijn ongekamde haar, waarvan het middendeel omhoog piept als de kuif van een kuifmees. De stapels ongewassen was in de bruin-wit gestreepte waszakken in zijn privéverblijf. Het onhandige redderen met de mieren, het ongewilde moment waarop zijn ogen zich met tranen vullen, in het midden van de zin ‘de laatste van de Amerikaanse correspondenten is twee jaar geleden overleden’.

Sinds 27 januari is de 75-jarige man niet meer met zijn Marie-José. Nu bestiert hij het château alleen, twee stokoude honden achter hem aan.

Het is niet makkelijk, alleen. Toch maakt James Hamel zich op voor de junimaand, het jaarlijkse hoogtepunt van zijn bedrijfje. Rond de verjaardag van D-day komen er altijd weer nieuwe gasten.

Voor hen heeft James Hamel alles bij het oude gelaten, zo veel als hij kan. Voor hen heeft hij het bordje ‘press room’ naast de deur van de ontbijtzaal laten hangen, voor hen heeft hij de enige foto waarvan hij het bestaan kent uit die tijd, opgeblazen en er aan de muur gehangen. Voor hen heeft hij ieder boek dat verscheen gekopieerd en in mappen geschoven, voor hen hangen de kaarten aan de muur met daarop getekend wat waar was: Omaha Beach, Juno Beach, Utah Beach, het gevecht om Saint Lô.

Hij laat de kopieën zien uit het boek van Abott Liebling, Normandy Revisited. Hij bladert door naar het hoofdstuk ‘Madame Hamels cows’. Zelf kan hij het Engels niet lezen, maar hij weet wat er staat: “Iedere avond, terwijl de correspondenten op hun typemachines beukten, kwam de zoon van de eigenaresse langs met een kop verse melk, nog warm van de koe”.

Die zoon, dat was de vader van James Hamel.

**

Abott Liebling was in 1944 vijf weken in Normandië. Hij kwam pas in juli aan. Achteraf merkte hij dat het voorkwam dat hij volstrekte vreemden na de oorlog vragen vroeg als: “Heb je ooit een scheepsdek gezien dat is overspoeld met bloed en gecondenseerde melk?”. Hij merkte dat zijn herinneringen in de loop der tijd steeds onwaarschijnlijker leden. “Uiteindelijk”, schrijft hij in het voorwoord van zijn boek: “moet je terug om er zeker van te zijn dat de gebeurtenissen waar gebeurd zijn.”

Dat deed hij in 1954. “Aan het eind van een boomrijk laantje achter de kruising lag een immense boerderij met een slotgracht die bekend stond als het château. [...] de woonkamer van dat château, uitgerust met legerstoelen en -tafels, was onze persruimte.”

**

Een van die legertafels is er nog altijd. Ernaast, op een tweede tafel, staat op een kookboekenstandaard de lijst van 49 mannen die destijds als journalist in en bij Vouilly verbleven. Op 45: Ernest Hemingway, in Vouilly van 18 juli tot 10 augustus. Met een gele marker heeft Hamel aangestreept wie er allemaal zijn teruggekeerd.

John Thompson van de Chicago Herald Tribune, die als allereerste op dat strand lang, kwam voor zijn overlijden in 1995 vijf keer terug. Charles Wertenbaker van Life één keer, Yvan Peterman van de Philadelphia Inquirer drie keer, Walter Cronkite kwam terug, de persvoorlichter kolonel Dickson kwam terug.

Ook John Morris, destijds fotoredacteur van Life, kwam terug. Hij was de laatste die kwam, in 2017, een maand voor zijn dood. Drie jaar eerder, bij de zeventigste verjaardag van D-day, was hij ook al geweest. Toen was James Hamels ontbijtzaal de plaats waar hij een boek ten doop hield. Quelque part en France, heette dat boek – ergens in Frankrijk.

**

Morris werkte voor Life, een Amerikaans tijdschrift, als chef van de fotoredactie in Londen. In die rol speelde hij een hoofdrol in een verhaal dat hij meer dan vijftig jaar in stand hield. Het ging over de foto’s die hij op 7 juni 1944 kreeg van zijn sterfotograaf Robert Capa.

Het zijn beroemde foto’s geworden, die licht bewogen foto’s van Amerikaanse soldaten die zich door de zee naar het strand bewegen, maar het waren er maar elf. Tussen 1944 en 1994 heeft Morris het verhaal verteld over de andere foto’s – over hoe die tragischerwijze waren verpest door een overenthousiaste laborant, daags na de invasie. Pas toen daar vele jaren later kritische vragen over kwamen, gaf Morris toe dat hij het had verzonnen. Er waren niet meer foto’s dan die elf. Aan Capa kon toen niemand het meer vragen, maar Morris nam aan dat ook de beroemde fotojournalist die dag te angstig was geweest.

Capa zelf hintte daar ook al een beetje op, toen hij zijn herinneringen aan die dag opschreef in een boek. Slightly out of Focus heet dat, naar het commentaar dat hij op die bewogen beelden van Amerikaanse soldaten kreeg. Hij beschreef hoe hij de hele dag doodsbang liggend achter een tank doorbracht. “Ik kon alleen nog maar denken”, schreef hij, “this is very serious business”.

Eén van de onscherpe foto's van Robert Capa. Beeld ©Robert Capa © International C

Hij beschrijft hoe hij al op de loopplank bevangen werd door angst en door een militair van boord moest worden geschopt. Hij beschrijft hoe hij zijn weg probeert te vinden tussen drijvende lichamen, hoe hij steeds maar probeerde achter zijn verschansing vandaan te komen, maar daar pas na een hele tijd in slaagde. Hoe hij de hele dag zijn vooraf geschreven afscheidsbrief voor zijn familie in zijn borstzak voelde branden en hoe hij uiteindelijk van het strand af vluchtte, een schip op, om pas na twee dagen weer terug te keren.

Zijn chef John Morris bleef er wel bij dat Capa ‘de grootste oorlogsfotograaf ter wereld’ is geweest.

**

Later die zomer vertrok Morris ook naar Normandië. Ook hij kwam in een legertent bij Vouilly terecht. Van daaruit schreef hij zijn echtgenote dat hij zijn precieze locatie geheim moest houden: “Hello darling, ik schrijf dit vanuit een geïmproviseerde persruimte ‘ergens in Frankrijk’, vanaf een draagbare typemachine in de perskamer. Vandaag zag ik mijn eerste Duitsers gevangen worden. Ik sprak met ze. Het is moeilijk om ze te haten, als je zo dicht bij ze bent, dan voel je alleen medelijden. Misschien was dat ook omdat ze zo ontzettend eruit zagen als menselijke wrakken en niet als vechtmachines.”

Morris was tegelijk aangekomen met Ernest Hemingway, voor wie het eigenlijk de tweede keer was dat hij naar dit front ging: De wereldberoemde schrijver van For Whom the Bell Tolls deed ook al een poging om op 5 juni te landen op de stranden van Normandië.

In het tijdschrift Collier’s schreef hij er een heldhaftig artikel over, waarin hij zelf ook een belangrijke rol speelde. Hij beschreef “de dag waarop we Fox Green Beach innamen”, in bloemrijke zinnen, zoals als “voor ons, werd de dood uitgedeeld in kleine, intieme, heel precies toegewezen pakketjes.”

Maar ook het D-dayverhaal van Hemingway is een mythe gebleken. Die zesde juni was Hemingway niet op een strand, maar keek hij vanaf een schip dat het strand nooit bereikte naar de gevechten. “Hemingway zelf zette die dag waarop 3000 jonge Amerikanen gewond raakten en stierven, nooit een voet op dat strand”, reconstrueerde de historicus Charles Whiting in 1999. “De autoriteiten stonden niet toe dat de beroemde schrijver zichzelf in gevaar zou brengen.”

**

Wat wel waar is: het verhaal over het geheim van Vouilly. James Hamel gaat er speciaal voor zitten, zijn grote boerenhanden voor zich op het tafelkleed dat is ingenomen door de mieren. “Kent u het verhaal over operatie Cobra?”

Hamel vertelt over die ene keer dat generaal Omar Bradley zelf in Vouilly verscheen, op de avond van 20 juli 1944. De correspondenten zouden net een film gaan kijken in de verduisterde tent die in het verlengde van een van de schuren was gebouwd, toen ze plots hun plannen moesten omgooien. Die avond vertelde generaal Bradley hen zijn plan voor een groot offensief waarmee hij de Duitse verdediging wilde breken. Vijf dagen lang wisten de journalisten van het plan, maar de wereld nog niet.

“Het bleek achteraf de grote doorbraak te zijn geweest”, zegt James Hamel, terwijl hij het tafelkleed met een grote beweging van tafel trekt, de mieren incluis. Even plotseling als hij was gaan zitten staat hij weer op, pakt kordaat het laken op en loopt ermee naar buiten, het pas gemaaide gazon op. “Voor die geschiedenis, nu 75 jaar geleden, komen vanaf juni mijn gasten weer,” zegt hij, “zoals ieder jaar.”

Op 15 juni houdt James Hamel open dag in Château de Vouilly. Kamers in Château de Vouilly zijn te boeken via www.chateau-vouilly.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden