Zaterdag 06/03/2021

Mijnramp

69 dagen overleven in een ondergrondse hel

De 33 Chileense mijnwerkers worden na 69 dagen bevrijd uit hun ondergrondse hel. Beeld © AP
De 33 Chileense mijnwerkers worden na 69 dagen bevrijd uit hun ondergrondse hel.Beeld © AP

In 2010 hield de wereld 69 dagen de adem in. Een instorting had 33 mijnwerkers in het Chileense San José van de wereld afgesneden. De eerste 18 dagen was het niet duidelijk waar ze zaten, en of er überhaupt nog kompels in leven waren. In het boek 'Deep Down Dark' vertellen zij voor het eerst hun verhaal over die tijd in de ondergrondse hel.

De mijn van San José bevindt zich onder een ronde, rotsige, levenloze berg in de Atacamawoestijn in Chili. Veel bezoekers trekt deze uithoek niet, hoewel Charles Darwin in de negentiende eeuw in de buurt passeerde tijdens zijn reis rond de wereld met de HMS Beagle.

Op 4 augustus 2010, tijdens hun twaalfurige shift, horen de mijnwerkers een zeurend gerommel in de verte. 'De mijn weent nogal', zeggen de mannen tegen elkaar. Ze hebben zo'n opstekende storm wel vaker gehoord. Maar het gedonder neemt altijd weer af, uiteindelijk keert de berg steeds terug naar zijn rustige, stabiele toestand.

680 meter onder de grond

Beneden in de mijn is het zeeniveau het belangrijkste referentiepunt. In de ochtend van 5 augustus werken de mannen van de A-shift op niveau 40, 680 meter onder het aardoppervlak. Ze laden vers ontgonnen erts in een stortkar. Even over 13 uur overvalt de instorting hen als een bulderend geraas. Het lijkt alsof een enorme wolkenkrabber achter hen in elkaar stuikt, zegt mijnwerker Franklin Lobos.

De uitgebreide en lukrake architectuur van de mijn, het resultaat van een eeuw geïmproviseerde ondernemersambitie, geeft finaal de geest. Een enorme blok dioriet, zo groot als een gebouw van 45 verdiepingen, scheurt zich af van de rest van de berg en valt dwars door de diverse lagen van de mijn heen. Hele secties worden afgesneden, door een kettingreactie stuikt ook de berg erboven in elkaar.

Plafond en vloer worden herschapen in rollende golven van steen en gruis. De berg vuurt rotsblokken af. Ze duiken op in de duisternis van de tunnel en rollen en stuiteren naar beneden als dodelijke wapens.

"We waren een kudde schapen en de berg wilde ons te verscheuren", zei José Ojeda. Als verdoofd zien ze hoe een nieuwe uitbarsting door de tunnel op hen afstormt. Ze haalt Alex Vega, de kleinste en tengerste van de mijnwerkers, in en zwiert hem de lucht in. Anderen worden omver geblazen. Ze vallen, vliegen, duikelen.

Het graf van Jezus

Als de storm gaat liggen, richt Mario 'Perri' Sepúlveda zijn lamp op het gezicht van de oudere mannen. Hij ziet hun door doodsangst getekende, bloedeloze blikken. Ze volgen het licht van hun mijnwerkerslampen en zaklampen doorheen een gruiswolk, tot de straal stuit op een obstakel dat de weg lijkt te versperren. Het is het grijze oppervlak van een stenen plaat, maar de omvang en vorm zijn moeilijk uit te maken in het nog dwarrelende stof.

Een paar minuten lang wachten ze tot het stof gaat liggen. Stilaan wordt de volle omvang van het obstakel duidelijk. De weg is van boven naar onder en van links naar rechts versperd door een 'muur van rotsen'. Luis Urzúa doet het denken aan "de steen die ze op het graf van Jezus legden".

Pas later zullen de mannen de afschrikwekkende omvang van het obstakel voor hen leren kennen. Een rapport van de Chileense regering omschrijft het als een 'megablok'. Een gigantische homp van de berg is in één stuk naar beneden gekomen. De rots voor hen is ongeveer 167 meter hoog. Hij weegt 700.000.000 kilo, of 700.000 ton, het gewicht van de Empire State Building. Een paar mannen vatten op slag de enormiteit van de ramp. "Estamos cagados", zegt een mijnwerker. Vrij vertaald: 'Het is naar de kloten'.

De mijnwerkers zitten onder het roet, hebben nauwelijks water en overleven op koeken, industrieel water en motorolie. Beeld © AP
De mijnwerkers zitten onder het roet, hebben nauwelijks water en overleven op koeken, industrieel water en motorolie.Beeld © AP

"We moeten erdoor breken", roept een van de mannen. "We hebben honger." De kist waarrond ze staan, bevat genoeg voedsel om 25 mannen 48 uur in leven te houden bij een noodgeval. Vele mannen hebben de avond voordien voor het laatst gegeten, om niet te braken door het ondergrondse werk in extreme hitte en vochtigheid en in de stoffige lucht.

Lobos opent de kist. Wat ze zien, is het ultieme lustobject van de opstandige mijnwerkers: pakken koekjes met de merknaam Cartoons. Eigenlijk is het snoepgoed voor kinderen: gebakjes met chocolade- en citroensmaak, in totaal een paar tientallen pakken. In elk pak zitten vier koekjes. Er worden er snel wat verdeeld, maar vele mijnwerkers weigeren ze aan te nemen.

Later herinnert een van de mijnwerkers zich hoe hij luisterde naar de plunderaars van de voedselkist die in het duister aan het eten waren. Ze zaten in een hoekje met hun hoofdlamp uit. Beschaamd over hun honger, maar niet in staat in die benepen ruimte het gekraak van plastic te onderdrukken.

De reddingsdiensten slagen er na 69 dagen in de mijnwerkers te bevrijden. Beeld © REUTERS
De reddingsdiensten slagen er na 69 dagen in de mijnwerkers te bevrijden.Beeld © REUTERS

Overleven op koekjes en melk

Sepúlveda stelde mee een inventaris samen van de resterende noodhulpgoederen: 1 blik zalm, 1 blik perziken, 1 blik erwten, 18 blikken tonijn, 24 liter melk (8 dozen bleken vervallen te zijn), 93 pakken koekjes (verminderd met de koeken die al opgegeten waren) en wat vervallen geneesmiddelen. Er waren ook 240 plastic vorken en lepels, maar amper 10 liter fleswater. De mijnwerkers rekenden uit dat ze, als iedereen dagelijks een of twee koekjes en een lepel tonijn zou eten, genoeg hadden voor één week.

Urzúa telde de mannen opnieuw, en woog de lijst af tegen zijn mentaal besef van hoeveel het er hadden moeten zijn. "We zijn met 33", meldde hij. "Drieëndertig?", riep Sepúlveda uit. "De leeftijd van Christus! Shit!"

Normaal gezien waren ze met 16 of 17, maar omdat nogal wat mannen overuren klopten of een extra dag werkten, waren ze met dubbel zoveel. Uiteindelijk sprak Sepúlveda, luid, zodat iedereen het kon horen. "We zijn met 33", zei hij. "Dat moet íéts betekenen. Iets dat groter is wacht daarbuiten op ons."

Een paar keer in die eerste dagen gromde de berg, alsof hij opnieuw zou ontploffen. Enkele mannen namen een draagberrie en gebruikten die als bed. Anderen legden karton op de grond.

null Beeld © EPA
Beeld © EPA

Drinkwater met motorolie

De mannen zaten onder het roet. Er was geen ventilatie en de ruimte nam de geur aan van hun stinkende, ongewassen lichamen. Een mijnwerker zei: "Ik had lijken geroken, maar na een tijd stonk het erger dan dat". Elke dag moest een paar liter flessenwater eraan geloven. Uiteindelijk dronken de mannen van het industriële water dat gebruikt werd om de machinerie te koelen.

Sepúlveda ordende de mannen in ploegen. Om de twee dagen reden ze met een voertuig naar een tank om een vat van 60 liter te vullen. Voor de instorting wasten de mannen hun vuile handschoenen in die tanks. Sepúlveda had er zelfs een paar keer een bad in genomen. Een paar mannen wezen erop dat ze zijn badwater dronken. Als ze hun verzwakkende lampen op het water schenen, zagen ze een zwart-oranje vlies en druppels motorolie. Maar het water hield hen in leven.

De honger was het hevigst in de eerste paar dagen. Ze konden zich niet ontlasten en de leegheid van hun maag voelde aan als een vuist die naar beneden werd gedrukt. Mario Gómez, met zijn 63 de oudste van de groep, was er slecht aan toe. Hij had stoflong en hoestte onophoudelijk. José Ojeda, een 47-jarige weduwnaar, had diabetes. Volstonden twee koeken per dag om een crisis te voorkomen? Jimmy Sánchez, met zijn 19 de jongste, gedroeg zich als een oude man. Hij wou niet opstaan en zijn lethargie begon de andere mannen aan te steken.

Victor Segovia hield een dagboek bij op de achterzijde van de formulieren die gebruikt werden om het voertuig dat hij bediende, op te volgen. Hij schreef: "We hebben een sterk gevoel van machteloosheid. We weten niet of er een reddingsoperatie aan de gang is, of er daarbuiten iets gebeurt. Hier beneden horen we in elk geval geen geluid van machines of zoiets."

Reddingswerken in de verte

Op de derde dag, om 3.30 uur 's nachts, schreef hij aan zijn vijf dochters: "Meisjes, ongelukkig genoeg bepaalde het lot dat ik maar tot de vierde augustus bij jullie kon zijn. Ik voel me zwak en heb heel veel honger. Ik stik... Ik heb het gevoel dat ik gek aan het worden ben".

De mannen begonnen als bezeten naar geluid van reddingswerken te luisteren. Barrios zei dat hij zijn oor tegen de rots drukte. "Het was zoals bij een zeeschelp: je hoorde niets en je hoorde alles."

Op 8 augustus, om 19.30 uur, ongeveer 78 uur na de instorting, schreef Segovia in zijn dagboek dat ze het geluid hoorden van iets wat draaide, maalde en hamerde tegen de rots. Drie uur lang werd het lawaai alsmaar harder. Het was zonder twijfel een boor, het geluid dat ze hoorden kwam van 600 meter ver.

Op 15 augustus, hun elfde dag onder de grond, noteerde Segovia in zijn dagboek: "Het is 10.25 uur en het boren is nog maar eens gestopt. Ik weet echt niet wat daarboven aan het gebeuren is. Waarom al dat oponthoud?" De volgende dag schreef hij: "Bijna niemand praat hier nog."

Daarna, op 17 augustus: "Ze zijn het aan het opgeven... Ik denk niet dat God ons van de instorting gered heeft om ons dan van de honger te laten omkomen... Ons gezicht is vel over been, je kunt onze ribben tellen en als we stappen, dan bibberen onze benen."

De boor komt er niet door

Het boren ging door, maar met tussenpauzen. Een dag later leek het dichterbij te komen. De mannen bereidden zich voor op een mogelijke doorbraak. Ze vonden een spuitbus met rode verf. Als de boor erdoor zou komen, zouden ze een merkteken aanbrengen met de verf om aan te geven dat er beneden nog overlevenden waren.

José Ojeda, die ondanks zijn diabetes lucide was gebleven, legde uit dat hem geleerd was dat een boodschap voor potentiële redders drie stukken informatie moet bevatten: het aantal overlevenden, waar die zich bevinden en hun toestand.

Met een rode stift schreef hij zo'n boodschap op een stuk papier. Hij hield het bij zeven woorden: 'Estamos bien en el refugio los 33'. We zijn oké in de schuilplaats, de 33. Na nog een dag werd duidelijk dat de boor onder hen door was gegaan. Ze probeerden het geluid te volgen, dat dieper en dieper ging, tot het wegdeemsterde.

Op 19 augustus schreef Segovia: "De boor komt er NIET door." Op de 21ste: "Ik begin me af te vragen of er daarboven een zwarte hand is die niet wil dat we gered worden."

Een buitenaardse verschijning

Een beetje na 5 uur 's ochtends op 22 augustus werd Sepúlveda door zijn dode grootvader uit een droom gewekt. Bijna euforisch werd hij het malende en pulserende geluid gewaar van een boor, dat plotseling oorverdovend was.

"Ze gaat erdoor komen", zei José Ojeda op zakelijke toon. Het gemaal van metaal tegen rots stopt ineens, in de plaats horen de mannen het geluid van ontsnappende lucht.

Richard Villarroel, die vader gaat worden, kijkt toe terwijl een boorkop in een buis zakt, omhoog gaat, daarna weer zakt. In een mum staan ze alle 33 rond de buis en de boorkop, objecten die hun duistere wereld zijn binnengedrongen en de belofte inhouden dat ze het licht zullen zien.

De mannen staren met ontzag en blijdschap naar die buitenaardse verschijning, vallen elkaar in de armen, wenen. Voor Carlos Mamani, die voor de boorkop op zijn knieën valt, voelde het aan "als een hand die dwars door de rots naar ons reikte". José Henríques, de kraanman die onder de grond getransformeerd is in een uitgehongerde profeet, kijkt naar de boorkop en verklaart wat iedereen die wil luisteren maar al te vanzelfsprekend vindt: 'Dios existe'. God bestaat.

© Hector Tobar, Deep Down Dark (Sceptre)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234