Woensdag 18/05/2022

ReportageVliegtuigramp Aarsele

50 jaar nadat het West-Vlaamse Aarsele op de voorpagina van The New York Times stond: ‘Het was net een oorlogszone’

Op 2 oktober 1971 stortte een passagiersvliegtuig van British European Airways neer in een weide in Aarsele.  Beeld Stad Kortrijk
Op 2 oktober 1971 stortte een passagiersvliegtuig van British European Airways neer in een weide in Aarsele.Beeld Stad Kortrijk

Exact vijftig jaar geleden prijkte een West-Vlaams dorp op de voorpagina van The New York Times. Hoe beleefden de inwoners van Aarsele die dag waarbij 63 mensen het leven lieten bij een vliegtuigramp? ‘Ik ben als een van de weinigen in de romp geweest.’

Michiel Martin

“Als ik erover vertel, zie ik altijd weer hetzelfde beeld voor me. Een hoofd met schoon, zwart krulhaar. En een oorring, dat weet ik ook nog.”

De 77-jarige Etienne Arickx vertelt het met de glimlach, alsof hij met een warme weemoed zijn eerste zomerliefde beschrijft. Op zijn netvlies staat echter een verschrikking gebrand, want het hoofd met de mooie krulletjes mist een romp. Hij zal het oprapen en met blote handen naar witte tenten dragen, waar het Rode Kruis “35 kilogram vlees” afweegt als ware het één persoon, zo vertelt de voormalige brandweerman. “Het was een oorlogszone. Schoenen met alleen een voet erin, overal armen en gebitten. Drieënzestig kisten zijn toen besteld, veel ervan zijn leeg vertrokken.”

Het relaas van Etienne Arickx speelt zich af op2 oktober 1971, wanneer een prachtige herfstdag in ‘zijn’ Aarsele verstoord wordt door een noodlottig suizen. Iets na elf uur plant een Brits lijnvliegtuig, een Vickers Vanguard op weg van Londen naar Salzburg, zich vol met de neus in het zandleem op enkele passen van de grens met Oost-Vlaanderen. Alle 63 inzittenden – onder wie 37 Britten, 8 Oostenrijkers, 6 Amerikanen en 4 Japanners – komen bij de crash om het leven, de tweede dodelijkste vliegramp in de geschiedenis van België na de crash in Berg-Kampenhout (1961, 73 doden). De dag erna prijkt het zelfs klein op de voorpagina van The New York ­Times. Wereldnieuws.

De voorpagina van The New York Times op 3 oktober 1971. Beeld The New York Times Archives
De voorpagina van The New York Times op 3 oktober 1971.Beeld The New York Times Archives

Binnen de grenzen van Aarsele, nu een deelgemeente van de stad Tielt, geldt het als een soort lokale 9/11. Wie het bewust meemaakte, heeft meteen een locatie paraat. “We hadden toen nog les op zaterdagvoormiddag in het college, en ik zat in de les wiskunde bij ‘Pluto’ (bijnaam van de leerkracht, MIM) toen we de sirenes hoorden”, vertelt Hubert Lanckriet (65), die zich na de les met de bus en zijn fiets naar de site repte. “Vlak bij ons hof vond ik een stukje metaal dat van het vliegtuig was gescheurd. Ik heb het nooit weggesmeten, maar ik vind het tot mijn grote spijt nergens meer terug.”

Het is een van de vele kruimels in dit verhaal die door de tand des tijds zijn opgevreten. Zoeken naar protagonisten is bladeren door in memoriams. Georges Dewitte (1922-2002) en Maria Bollaert (1921-2009), de boeren die hun weiland in een vingerknip tot rampgebied zien transformeren. Of UGent-prof Jacques Timpermans (1930-2016), die als wetsdokter het forensisch werk op zich neemt en slechts dertig lichamen kan identificeren. “Het DNA-onderzoek was toen nog niet van toepassing”, zegt Michel Piette, zijn opvolger aan de vakgroep Gerechtelijke Geneeskunde. Een massagraf in Aarsele bergt ‘de rest’.

“Van de 22 pompiers die toen in Aarsele actief waren, schieten we nog met 5 over”, vertelt Arickx. Ook Lanckriet, gepensioneerd verzekeringsagent, voelt het verhaal wegdrijven. “Ik ben er vaak op aangesproken, zelfs tot in Brussel: ‘Aarsele, dat is waar die vliegramp plaatsvond.’ Tien jaar geleden is dat serieus beginnen minderen. Ook mijn eigen kinderen zijn daar niet echt mee bezig.”

Pompier Etienne Arickx is een van de weinige protagonisten die nog leeft. Beeld Wouter Maeckelberghe
Pompier Etienne Arickx is een van de weinige protagonisten die nog leeft.Beeld Wouter Maeckelberghe

“De dossiers in het Algemeen Rijksarchief in Brussel zijn nochtans even uitgebreid als die van de mijnramp in Marcinelle (1956) of de brand in de Innovation (1967)”, zegt stadsarchivaris Hannes Vanhauwaert (38). Belgische slachtoffers of politieke zondebokken ontbreken echter in dit verhaal. De crash kwam er na het openscheuren van het achterste drukschot als gevolg van corrosie. “De ‘smoking gun’ is nooit gevonden”, zegt Vanhauwaert, die zich voor de vijftigjarige herdenking in het verhaal verdiepte en er in het lokale blad De Roede van Tielt een uitgebreid artikel over schreef. “De meest plausibele these, hoe ongeloofwaardig het ook klinkt, is dat de corrosie door een lekkend chemisch toilet werd veroorzaakt.”

De stad probeert het verhaal vijftig jaar na datum weer nieuw leven in te blazen. Er komt een herdenkingsmonument aan de kerk in Aarsele, ingehuldigd met tromgeroffel van de lokale harmonie. Een tentoonstelling ook, met onder meer memorabilia die Vanhauwaert bij bewoners verzamelde: een stuk metaal, een reep isolatiemateriaal, een verwrongen koffieservies van British European Airways (BEA).

De Steenoven

Het is, zoals wielrenner Yves Lampaert dat zo mooi vereeuwigde, skarten om relevant te blijven. De BEA, nu British Airways, betaalde ooit 200.000 Belgische frank (zo’n 5.000 euro) voor een stukje kerkhof in Aarsele, maar de concessie van het massagraf wordt nu noodgedwongen door de stad overgenomen. “We hebben hen herhaaldelijk aangeschreven, maar er is nooit een reactie gekomen”, zegt Vanhauwaert.

Ook de slachtoffers belanden stilaan in de vergeetput. Vanhauwaert nam contact op met een heemkundige kring nabij Leeds. Van de atoomklok die er in een dorp als gedenkteken hangt, wist blijkbaar niemand nog dat die aan een vliegramp in Aarsele refereert. En de Japanse delegatie die jarenlang in alle stilte een rijstbol in de aarde kwam begraven, een culturele daad om het gestorven gezin te voeden, is ook al een hele tijd niet meer gespot.

Naast de plechtigheden dit weekend probeert Lanckriet met een herdenkingswandeling zijn steentje bij te dragen aan de herinnering. Die brengt ons over de cuesta, een zachte glooiing in het landschap die op deze zonnige herfstdag zicht biedt op de Gentse KBC-toren. Op advies van Lanckriet hebben we onze laarzen aangetrokken. Hij leidt ons door een weide en langs de hobbelige rand van een rijp maïsveld. Hij de ‘vanguard’, wij de staart die gedwee volgt richting de hoek van het perceel.

Hubert Lanckriet, op de plek waar het ramptoerisme welig tierde. Beeld Wouter Maeckelberghe
Hubert Lanckriet, op de plek waar het ramptoerisme welig tierde.Beeld Wouter Maeckelberghe

Waar nu een oude zwart-witfoto staat met een helikopterzicht op het rampgebied, stond het vijftig jaar geleden – zo toont de foto – enkele rijen dik aan volk. Het lijkt wel alsof ze op het Rodania-deuntje wachten dat de eerste renners aankondigt. “De dag zelf nog liep daar al iemand rond met een bak vol frisco’s”, vertelt Lanckriet. Op de nabijgelegen steenweg tussen Tielt en Deinze had de rijkswacht de handen vol met mensen op de bon gooien.

Nog geen honderd meter van de weide waar Etienne Arickx lichaamsresten aan het verslepen was, draaide café De Steenoven de beste omzet uit zijn geschiedenis. “Acht dagen lang zat het stampvol, ook de mensen van de luchtmacht en het Rode Kruis kwamen over de vloer”, zegt Paula Vergote (76), die het café van haar moeder overnam. “Hoe de sfeer was?” Ze trekt deugnietogen. “Alleszins niet triestig. Er is toen veel leute gemaakt in het café.”

Paula Vergote, sinds dit jaar cafébazin op pensioen. Beeld Wouter Maeckelberghe
Paula Vergote, sinds dit jaar cafébazin op pensioen.Beeld Wouter Maeckelberghe

Het is een vorm van ramptoerisme die vandaag niet meer bestaat. Waarom zou een mens nog uit de zetel springen als zelfs de machtsovername van de taliban in Afghanistan live op het scherm te volgen is? “Toen was het voor mensen wachten op het avondjournaal van de BRT, of de krant op maandag”, zegt Vanhauwaert die net ook een kijkje komt nemen op de site. Het afzetten van de perimeter – toen een langdradig werkstukje – zou nu veel sneller gebeuren en elk zicht afsnijden nog voor de eerste ramptoerist zou arriveren.

“Weet je wat me trouwens altijd opvalt als mensen het verhaal oprakelen? Ze zeggen allemaal: ‘Ik was er als eerste bij.’”

Dirk, een landbouwer die zich kort na de ramp op een nabijgelegen erf nestelde, moet erom lachen dat iedere Aarselenaar van de oude garde de titel van allereerste ramptoerist claimt. Zijn zoon Mathieu, die nu de boerderij runt, doet niet eens de moeite om de schouders op te halen, laat staan zijn zonnebril. “Mijn grootvader vertelde wel eens dat ze toen zijn eieren zijn komen pikken. Verder weet ik er niet zo veel van.”

Er valt ook niet veel meer te zien. Wie goed kijkt, kan op de plek waar de krater is opgevuld “een lichte verzakking” in de wei zien, zegt Lanckriet. Maar zelfs aan het geoefende oog van de fotograaf gaat het verloren. Het landschap heeft een chirurgische ingreep ondergaan, vakkundig gedaan. De hoeve van boer Dewitte is verbouwd tot een moderne fermette. Volkscafé De Steenoven, vorig jaar nog aangedaan door Arnout Hauben in Dwars door België, is op 1 april dit jaar verzegeld. Onteigend voor een fietspad waar nu een moordstrookje ligt.

Op deze plek sloeg het vliegtuig vijftig jaar geleden een enorme krater. Beeld Wouter Maeckelberghe
Op deze plek sloeg het vliegtuig vijftig jaar geleden een enorme krater.Beeld Wouter Maeckelberghe

Diep in de grond, in de onderste kleilaag waar de neus van het vliegtuig kwam snuffelen, moeten er volgens Hannes Vanhauwaert nog steeds heel wat spikkels ijzerwerk te vinden zijn. “Maar voor de volksgezondheid is er geen gevaar”, knipoogt hij naar het PFOS-verhaal. Hij heeft het advies van Lanckriet echter in de wind geslagen en kijkt beteuterd naar zijn sneakers. “De koeienstront, daar moet je voor blijven oppassen.”

Dorpsidentiteit

De mentale restanten zijn er nog volop, het kleeft aan de ziel. Vanhauwaert citeert een gesprek tussen UGent-wetsdokter Jacques Timperman en Rode Kruis-coryfee William Oosterlinck, wanneer ze elkaar kruisen bij de ramp met de Herald of Free Enterprise in Zeebrugge (1987).

Timperman: “Ik ken u.”

Oosterlinck: “Aarsele.”

Timperman: “Dat gaan we niet rap vergeten.”

Arickx zegt vandaag: “Ik heb nog bij de zeemacht gevaren en dat kon me niks schelen, ook al kan ik helemaal niet zwemmen. Maar in zo’n stukske metaal op 10.000 meter hoogte gaan hangen? Dat zal ik nooit doen.” Zijn kinderen moeten nog steeds nauwgezet doorgeven op welke minuut en in welke luchthaven ze landen, zodat hij bij een veilige landing meteen gerustgesteld kan worden. “Anders mogen ze niet vertrekken.”

Het heeft lang door zijn hoofd gespookt, zegt Arickx, met vele slapeloze nachten als gevolg. “Als een van de weinige hulpverleners ben ik toen in de romp ­geweest.” Hij draait een cirkeltje in de lucht en zijn gezicht vertrekt. “Overal bloed en lichaamsdelen. We werden nadien niet opgevangen, er was nog geen slachtofferhulp.” En dan, bijna beschaamd: “Ik ben toen zelfs een volle week thuisgebleven van het werk.”

Het is voor veel van de aanwezigen uitgegroeid tot een trauma, merkt Hannes Vanhauwaert. Niet het minst door de berichten die in de dagen na de ramp vooral door Duitstalige bladen gretig werden opgepikt. In Aarsele zou aan lijkenpikkerij gedaan zijn, klonk het, ook al bleek daar later niets van te kloppen. Arickx wordt meteen een slag roder als we het voorleggen, Lanckriet noemt het “fake news avant la lettre”. “Veel Aarselenaars waren gekrenkt in hun eer, en hebben zich daardoor juist tomeloos ingezet. In zekere zin heeft het voor een ongelooflijke dorpsidentiteit gezorgd.”

De ramp is na vijftig jaar zwanger van romantiek. Je hoeft het niet eens zo ver te zoeken. Aan de andere kant van het maïsveld wonen Boudewijn Callewaert (76) en Christianne Dewinter (73), vergezeld door hun labradoodles Moustache en Soleil. “Ik lag in het moederhuis toen het vliegtuig neerstortte”, vertelt Dewinter. “Mijn zoon Emmanuel is exact op die ochtend geboren.”

Boudewijn Callewaert (76) en Christianne Dewinter (73) wonen vlakbij de crashsite. Beeld Wouter Maeckelberghe
Boudewijn Callewaert (76) en Christianne Dewinter (73) wonen vlakbij de crashsite.Beeld Wouter Maeckelberghe

Het is een speling van het lot, nu ook vereeuwigd als kunstobject. Het nieuwe monument is namelijk van de hand van Callewaert, die in zijn atelier oud roest verzamelt en een nieuw leven geeft als kunstobjecten. “Ik had hier al 32 jaar een ‘girafke’ staan (een werkplaatskraan voor zware lasten, MIM). Die heb ik ooit overgenomen van het VTI in Deinze, waar mijn zoon school liep.” De nek van de giraf is nu de staart van het vliegtuig, die zich naast de kerk in Aarsele symbolisch in de grond boort.

Christianne Dewinter wijst naar de hemel: “Nog een hele tijd is er hier elke zaterdag rond 11.30 uur een vliegtuig overgevlogen, dat heb ik altijd heel speciaal gevonden.”

Terwijl Dewinter vertelt hoe de ramptoeristen volgens de overlevering door het huis naar de site spurtten terwijl de boer “boontjes aan het pelen” was, is ook Hubert Lanckriet – nochtans een geboren praatvaar – stilgevallen. Op de weg terug, in de auto, zegt hij: “Zulke mooie verhalen, die vind je enkel in la Flandre profonde.”

Toch denkt Dewinter: “De volgende generatie gaat dit allemaal niet meer weten.” Etienne Arickx is er niet rouwig om. Ook vijftig jaar na datum blijft het plichtsbesef van de brandweerman aanwezig, en dus zal hij de herdenking met zijn aanwezigheid opluisteren. Maar in zijn woonkamer, die volgestouwd staat met familiefoto’s en attributen, is er werkelijk niets dat aan de vliegramp herinnert. “In heel het huis niet. Ik zit niet op een herdenking te wachten. Het liefst zou ik het gewoon vergeten.”

Het monument ter herdenking van 2 oktober 1971. Beeld Wouter Maeckelberghe
Het monument ter herdenking van 2 oktober 1971.Beeld Wouter Maeckelberghe
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234