Zondag 01/11/2020

50 jaar Jommeke l Jef Nys, de tekenaar die kinderen de stuipen op het lijf joeg

Jef Nys maakte grappige, maar ook sp�nnende verhalen. Onbarmhartig speelde 'Jommeke' in op kleine kinderangsten. En hij deed dat meesterlijk

De donkere kant van een blond ventje

Van de 'grote drie' van het klassieke Vlaamse beeldverhaal lijkt Jommeke, vijftig jaar sinds het voorbije weekend, de eenvoudigste, om niet te zeggen de 'simpelste' strip. Jommeke is nog volkser dan Suske en Wiske en mikt op een beduidend jonger publiek dan Nero. Maar Jommeke heeft ook troeven, onverwachte zelfs. Als tekenaar Jef Nys één talent had waar Willy Vandersteen of Marc Sleen niet aan konden tippen, dan is het wel spanning opbouwen, de suspense laten binnensluipen.

brussel

Eigen berichtgeving

Walter Pauli

Op 30 oktober 1950 verscheen de eerste gagstrip van Jommeke in Kerkelijk Leven. Afgelopen weekend heeft de meest volkse van alle Vlaamse kinderstrips in Temse zijn vijftigste verjaardag gevierd, inclusief erehaag van strooien dakjes, Annemiekes en Rozemiekes. Het is een gelegenheid om auteur Jef Nys met alle complimenten te eren die hem tijdens zijn lange carrière werden onthouden.

Vaak wordt bij dat soort momenten wat overdreven. Bij Jef Nys is dat niet anders. Hij had natuurlijk best wel talent - en niet weinig - er zijn natuurlijk redenen waarom Jommeke zo populair werd en al zo lang blijft verschijnen, veel langer dan andere Vlaamse strips als Thomas Pips, Dees Dubbel en César of Piet Pienter en Bert Bibber.

Men heeft de verklaring altijd gezocht in de Vlaamse herkenbaarheid van het verhaal, de eenvoudige structuur, de archetypische personages met hun brave, doch zeer innemende humor. Het gaat allemaal voorbij aan die ene troefkaart waarmee Nys niet te koop liep, of waarvoor hij geen of nauwelijks complimenten kreeg, maar die zeer aanwezig is in Jommeke, zeker in de eerste vijftig albums.

Jef Nys maakte misschien wel grappige, maar altijd ook spannende verhalen. Meer dan spannend. Zeker voor zijn doelgroep (kinderen) waren ze vaak griezelig, mysterieus, zelfs dreigend. Onbarmhartig speelde Nys in op kleine kinderangsten. En hij deed dat meesterlijk.

Hij werd daarbij ook geholpen door zijn medium. Jef Nys was vanaf 1959 tekenaar bij uitgeverij (en krant) Het Volk. De strips van Standaard Uitgeverij (Suske en Wiske, en nadat Marc Sleen naar De Standaard was overgestapt ook Nero), verschenen vanaf de late jaren zestig in kleur. Het Volk bleef bij het oude zwartwit zweren. Niet alleen in de krant, ook in de albums. De oude Nero-albums (tot en met De Louis Treize-kast) verschenen ook zo: groot formaat op krantenpapier. Jommeke bleef zo gedrukt tot de late jaren zeventig.

Het was die merkwaardige 'drager' van de strip die Jommeke uiterst geschikt maakte voor donkere verhalen, of tenminste: verhalen met een donkere kant. Jommeke verscheen op een nauwelijks veredelde vorm van krantenpapier, dat snel gelig werd. Daarop kwamen zwartwittekeningen, ook in een soort veredelde krantendruk: niet haarscherp dus zoals de luxueuzere kleurenalbums van Suske en Wiske of Nero, maar met dikkere lijnen, waar de tekening als het ware in het papier vloeide. Een grauwe omgeving, klaar om het donkere te accentueren.

In een kinderstrip? Jawel, mijnheer. De openingspagina van het allereerste Jommeke-album zet al de toon: "In het kasteel 'Eikenrots' ligt de eenzame gravin Groenvijver heel zwaar ziek." Op de tekening: een uitgemergelde, magere vrouw. Een stervensscène. Naast de vrouw staat een onbetrouwbare butler die een lijkbiddersgezicht trekt: "Goed dan, zoals u wil, mevrouw. Gelieve te aanvaarden mijn gevoelens van innige deelneming." Even later luistert die butler, de haast legendarische Anatool, het gesprek af tussen de stervende gravin en haar notaris. De blik in zijn ogen wordt wild, haast diabolisch, als hij hoort van een verborgen schat.

Meteen is de kracht van Jommeke samengevat. De verborgen schat, dat is een cliché nog hoger dan de toren van het kasteel van gravin Groenvijver. De uitwerking, de verdorven slechtheid van Anatool, zeker in de eerste albums, zijn ziekelijke begeerte naar geld, het maakt Jommeke ongemeen indringend - tenminste voor een kinderalbum. De schurken zijn slecht, aartsslecht. In het eerste album duiken ook Kale Schrobber en Piet Kwak op, twee voorlopers van de latere, veel komischer slechteriken Kwak en Boemel. Maar de oerfiguren zijn zoveel slechter, zoveel harder ook.

Album twee, De zingende aap (1959), is ook al niet voor te teergevoelige kinderzielen: Jommeke wordt door circusvolk als een beest vastgekluisterd in een hok. Maar met het derde album zorgt Jef Nys voor een mijlpaal in het donkere genre.

De koningin van Onderland (1960) staat in het geheugen gegrift van wie het als kind las. Dat komt omdat Nijs Onderland gebruikte als een spiegel voor het onbewuste van al die kindertjes, voor hun onbestemde angsten. Een vervallen kasteel aan de dorpsrand, een waanzinnige, psychotische vrouw die daar intrekt, die met hypnotiserende blik een goedige vertrouwensfiguur van de kinderen (de dikke veldwachter) in haar snode plannen betrekt. De angst telkens er weer een kind ontvoerd wordt, de ouders die wenen, de kinderen die samen snikken, Jommeke en zijn papegaai Flip die eropuit trekken, en maar net sadistische martelpraktijken kunnen ontwijken. Veertig jaar voor Dutroux is dit een strip, niet met donker kantje, maar met een zwarte ziel. De koningin van Onderland heeft nauwelijks iets grappigs over zich. Ze is hoogstens meelijwekkends. Maar vooral: ze heeft een afstotelijk slechte inborst. Ze is een perfide variant van de al verschrikkelijke Disney-koningin in Sneeuwwitje.

Haakjes open. Nys heeft iets met Disney. Ook heks Haakneus uit Op heksenjacht (1963) is een Vlaamse kopie van het Amerikaanse origineel, net zoals kabouter Schommelbuik in datzelfde album afgekeken lijkt van een van de legendarische Seven Dwarfs. Soms vraag je je af of Jef Nys niet spontaan dacht zoals de Disney-tekenaars. In de film The Aristocats (1970) loopt een gierige butler, qua mentaliteit en vooral qua uiterlijk een kopie van Anatool, een kloon zelfs. Alleen was Anatool al elf jaar eerder op Vlaanderen losgelaten. Liet Walt Disney stiekem Jommeke-albums overvliegen naar de VS? Is dit puur toeval? Haakjes dicht.

Spanning en suspense, zo lang hij zwartwittekeningen mocht maken, zou Jef Nys zich er kwistig van bedienen. Vooral de Britse eilanden inspireerden hem. In Het Jampuddingspook (1963) voert hij een Schots kasteel op dat als decor had kunnen dienen voor een verhaal als Agatha Christies Tien kleine negertjes. De spanning wordt zorgvuldig opgebouwd. Onbehagelijke scènes blijken uiteindelijk erg gewoon: de geheimzinnige introductie van Arabella Pott, die slecht een vriendelijke huishoudster is, en ogenschijnlijk lieve mensen worden perfide slechteriken.

Het Britse schiereiland, met zijn mist, barre kusten en donkere avonden, zal Nys ook later tot mooie plaatjes inspireren, bijvoorbeeld in De witte bolhoed (1970), waarin de akelige, vervallen kapel van de familie Pimpeldon een cruciale plaats inneemt. En een heruitgave van het thema 'verborgen schat in kasteel, en niemand die het weet' komt terug in Diep in de put (1964). Tweemaal draait het om Anatool, die zichzelf gewiekst vermomt, tweemaal is de ontknoping een zaak van kelders en van krakende trappen waarover 's nachts te veel volk te geheimzinnig sluipt.

Dat dit Jef Nys' echte meesterschap is, is ook goed te zien in zijn andere albums. Hij tekende levens van beroemde missionarissen, pausen en grote Vlamingen. Ook in De wonderbare jeugd van Pieter Breughel wisselde hij scènes om luid te lachen af met prenten die je de keel toeschroeven: de dood van vader en moeder Breughel toen de schilder nog een kind was, de krochten en gevangenissen waarin hij belandde. Het clair-obscur dat Nys als stijl hanteerde, was grafisch de perfecte pendant van de inhoudelijke afwisseling van lichtvoetig en gruwelijk. Een beetje zoals Ernest Claes al deed in De Witte van Sichem, maar Nys is wranger, explicieter in zijn leed. In Jommeke toonde hij een mildere (want commerciëlere) vorm daarvan, maar de kern blijft aanwezig, de kunstige uitwerking ook.

Paradijseiland (1962), overigens een vrolijk album, kantelt in één naargeestige episode. Tijdens een brullende zeestorm wil Anatool, verteerd door wraakgevoelens, Jommeke en zijn vrienden de dood injagen. De waanzin spat van de pagina's, zo'n plezier heeft de aartsschurk in zijn daad: "Hahaha! Hoort ze huilen, de domoren!"

Maar Jef Nys is zelden verder gegaan in het evoceren van griezelige spanning dan in De zonnemummie (1962). Scène na scène confronteert hij zijn jonge lezers met de grenzen tussen wat ze 'spannend' en 'griezelig' vinden. Het begint als Jommeke bij een stortbui schuilt in een oudheidkundig museum, waar hij tussen opgezette oermensen en mensapen op een mummie stoot. Zoals zovele kinderen droomt het baasje die nacht van de mummie, al zullen weinig kinderen zo'n vreselijk realistische nachtmerrie meemaken als Jommeke. Jommeke en zijn vaste kliek reizen vervolgens af naar Egypte. Daar wagen ze zich aan achtervolgingen in de pikdonkere woestijnnacht, onverantwoord voor kinderen. Tot ineens het lijk van Jommeke gevonden wordt, gebalsemd, gemummificeerd zelfs. De vrienden huilen bittere tranen. Drie pagina's lang houdt Jef Nys de droefheid vast, de wanhoop, het radeloze verdriet. Tot een perfecte cliffhanger (op het laatste prentje van een pagina droomt vriendin Annemieke dat ze Jommekes stem hoort) de anticlimax inleidt, en alles toch goedkomt. Maar een kwartalbum zat de schrik erin, ja.

Zo deed Nys dat vaak. In het begin hebben veel albums wel hun bladzijde om lezertjes ineen te doen krimpen van schrik, van verdriet: het graf van Gobelijn, midden in de wildernis, in De gouden jaguar (1963); of de radeloze, snikkende in het zwart gehulde moeder aan de rand van het kanaal waar ze haar kindje te vondeling heeft gelegd in Het hemelhuis (1960). Nijs zal het ongetwijfeld niet als een sociale aanklacht hebben bedoeld, maar na veertig jaar is het nog altijd actueel, zo bleek de voorbije jaren uit schrijnende getuigenissen.

Maar langzaam aan neemt het element spanning af, haalt de humor het, of wat daarvoor moet doorgaan. Af en toe is er in de latere albums nog een fameuze uitschieter. De schurken in De Groene Maskers (1971) doen denken aan het even naargeestige geheime genootschap dat Hergé in De sigaren van de farao het pad van Kuifje liet kruisen, maar toch werken ze.

Een hoogst origineel staaltje suspense (een uitzondering in zijn oeuvre) levert Nys nog af met De schat van de zeerover (1968). Alleen in dat ene album tekent Jef Nys al zijn figuranten 'realistisch'. Dat bevreemdt, en dat maakt het album beklemmend: Jommeke tussen levensechte buren, in een realistische Mercedes, met realistische schurken en rijkswachters, en aan het einde een levensechte begrafenis op zee.

Een begrafenis, helaas, toen al, van Nys' manie om zijn jeugdige publiek te laten beven en bibberen. In zijn eerste decennium deed Nijs met Jommeke wat Jean Ray, alias John Flanders, betrachtte met zijn Vlaamsche Filmkes: vanuit de Vlaamse realiteit, soms met sterk anglofiele inslag, vertellen zoals dat hoorde op donkere winteravonden. Spannende verhalen voor een ademloos toehorend publiek dat vol vrees uitkeek naar nog een griezelige passage. Nys was er sterk in, kinderen te confronteren met hun donkerste schrik. Toen zijn albums in kleur verschenen en dat aspect verdween, werd Jommeke een stuk fletser.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234