Donderdag 17/10/2019

3.500ste exemplaar van striptijdschrift Robbedoes, net als zijn titelheld 67 jaar oud

'Robbedoes' bestaat uit totaal-uit-de-tijdse herkenbaarheid, gekoppeld aan voortdurende pogingen tot vernieuwingUit de stripreeks kwamen een paar van succesvolste spin-offs voort: Guust, Kleine Robbe, de Marsupilami

Nog altijd in de lift

Vorige week is in alle stilte een van de merkwaardigste verjaardagen in de stripwereld gevierd. Van Robbedoes - of beter: Spirou - het befaamde striptijdschrift van uitgeverij Dupuis, lag woensdag het 3.500ste exemplaar in de rekken. Robbedoes is 67 jaar oud. Dat is ouder dan Suske en Wiske, die voor twee weken hun 60ste verjaardag vieren, jonger evenwel dan Tintin-Kuifje, maar die werd samen met zijn vader Hergé in 1983 ten grave gedragen - er verschenen althans geen albums meer. Wat is dat dan, het geheim van de eeuwige jeugd?

Brussel

Eigen berichtgeving

Walter Pauli

Hoeveel liftboys in rood pakje zouden er in dit land nog rondlopen, zelfs in de paar Brusselse tophotels die nog wat de belle-époquesfeer proberen op te roepen, zoals Astoria of de Métropole? Hoe dan te verklaren dat Robbedoes, oorspronkelijk Spirou, nog steeds standhoudt? Dat zelfs 'de kleine Robbe', de moderne, snelle en stoutere variant van de oude stripfiguur, ook al een succes is. En in 'De kleine Robbe' is, jawel, de hele familie gekleed in de outfit van een liftboy: Robbe zelf, vader, moeder en zelfs de onvermijdelijke opa. Maar hoe overleeft een stripverhaal met hoofdfiguren die het midden houden tussen 'totaal verouderd' en 'compleet weirdo'? Wat is het recept om een strip, een stripfiguur, zelfs een tijdschrift waardig te laten verouderen; bij een beeldverhaal betekent dat: eeuwig jong, jaar in jaar uit bij de tijd.

Bij langlopende reeksen lijkt succes een vanzelfsprekendheid, maar dat is niet zo. Het aantal zogenaamde 'succesverhalen' of 'legendarische tijdschriften' dat verdween is oneindig groter dan wat standhield. Van het culttijdschrift Pilote (waarin Asterix ontstond) tot Tintin/Kuifje, ooit hét mekka van de West-Europese strip, tot zelfs Ons Volkske toe, het 'wekelijks bijvoegsel' bij Het Volk, waarin de helft van de populaire Vlaamse strip ooit een plaats had, en zoveel andere. Neem Ons Volkske: wie kent de Kapoentjes nog, of Bolleke, of zogenaamd 'onsterfelijke' Vlaamse strips. Onsterfelijk? Vraag eens bij de jongere generatie naar Lange So of Flurk. Wie kan er nog om lachen? Wie 'Bolleke' of 'De Lustige Kapoentjes' nog leest, zal hoogstens glimlachen. En meestal uit nostalgie, zelden om de grap zelf.

Wat heeft Robbedoes dus dat anderen ontbreekt? Het succesverhaal van Robbedoes/Spirou begon 67 jaar geleden, toen de Doornikse uitgever Jean Dupuis ook een eigen striptijdschrift wilde. In 1938 transfereerde hij een van de 'vedetten' van de Franse bande dessinée van Parijs naar België: Rob Velter, alias Rob-Vel. Die bedacht meteen een apart figuurtje, Spirou ('Eekhoorn'), een piccolo of liftboy. Robbedoes werd het uithangbord van het blad, ook van de Nederlandse versie, al had Dupuis de lucide ingeving om die niet Eekhoorn te noemen, maar Robbedoes, een sympathieke naam voor een best innemende knul. Niet dat de Eekhoorn volledig verdween. Robbedoes hield een eekhoorn als huisdier, Spip. Spip kan denken en soms zelfs initiatief nemen, hoewel het beest nooit even prominent aanwezig was als Bobbie bij Kuifje, of de irritant-babbelzieke papegaai Flup bij Jommeke. Tot de Marsupilami de plaats van het eerste huisdier overnam, maar daarover straks meer.

Door oorlogsomstandigheden (hij raakte gewond aan het front) haakte Velter snel af en verkocht zijn figuur aan de uitgeverij. Dupuis gaf Robbedoes in handen van Jijé, tevens hoofdredacteur van het tijdschrift.

Jijé, pseudoniem van Joseph Gillain, was een buitengewoon getalenteerd striptekenaar, een ijverig man bovendien. Hij tekende de helft van het blad Robbedoes vol en hield zich bezig met het overleven tijdens de Tweede Wereldoorlog; dat lukte maar zeer gedeeltelijk, de Duitse censuur had meer problemen met Spirou/Robbedoes dan met echte collabo-kranten als Le Soir, waarin Hergé bleef tekenen. Tijdens de oorlog, omstreeks 1942, vond Jijé wel de tijd om een nevenfiguur te bedenken voor Robbedoes: Fantasio, in het Nederlands bekend onder zijn onvergetelijke naam Kwabbernoot. Sindsdien bestaat Robbedoes niet meer an sich. Ook officieel werden het 'De avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot', een onverbiddelijk duo.

Dat is niet onlogisch. Drie kwart van de klassieke strips bestaan uit een held, die nauw, haast intiem samenwerkt met een alter ego. Hergé moest Haddock wel creëren om Kuifje in leven en vooral levendig te houden, Suske is een saai baasje zonder Wiske, Jommeke een te voorbeeldige etter, mocht Filiberke er niet zijn. Zelfs 'Asterix en Obelix' zit zo in elkaar. Het werkt ook omgekeerd: Sesamstraats Ernie zou niet half zo grappig zijn zonder de saaie Bert. Merkwaardig, gezien de toch wel strenge moraal destijds, dat de heren vaak samenleven onder hetzelfde dak. Robbedoes en Kwabbernoot zijn samenlevers een halve eeuw voor het 'samenlevingscontract' bestond, Asterix en Obelix ook, Bert en Ernie wassen zich zelfs tegelijk in bad.

Ook Robbedoes en Kwabbernoot zijn onafscheidelijk: het is van aanpakken en wegwezen met het verhaal. Zeker vanaf 1946 zijn ze niet te stoppen. De amper 22-jarige Franquin neemt dan de reeks over van Jijé. Franquin! Hoewel ook Franquin tot de groten van het beeldverhaal hoort, is hij toch wat onderschat. Vraag bij het grote publiek naar de echt legendarische namen, en men komt af met Hergé en Vandersteen. Zelfs Sleen doet mee. Terwijl Franquin haast even goed tekent als Hergé, minstens zo grappig is als Vandersteen, en net zulke innemende nevenfiguren kan bedenken als Sleen: de graaf-uitvinder van Rommelgem, de burgemeester van dat oord, de alcoholische buurman, de charmante IJzerlijm, Zwendel (what's in a name?)...

En is vooral de infame neef Wiebeling, een boosaardig familielid van Kwabbernoot die opduikt vanaf het schitterende album Robbedoes en de erfgenamen (1952). Met Wiebeling introduceert Franquin, op een ogenblik dat dit not done was, het moreel ambigue in het stripverhaal. Wiebeling is familie en toch erg slecht. Hij bedriegt, krijgt spijt, veinst echter, gaat toch het slechte pad op. Om, helemaal op het einde van het album, Kwabbernoot en Robbedoes toch uit een ver en vochtig oerwoud terug naar de bewoonde wereld te helpen, mét - hier komt hij - de Marsupilami, een wezen dat bij toeval in de strip sluipt. De Marsupilami is een dier dat helemaal uit de koker van Franquin komt, een wezen dat de schranderheid van Kuifjes Bobbie combineert met de lenigheid van de aap Choco (Jommeke) en de sterkte van Jerom of Obelix. Binnen de kortste keren werd de Marsupilami een stripbegrip, vandaag is het zelfs een een topper inzake merchandising.

Want dit was ook Robbedoes: de stripreeks waaruit een paar van grootste en succesvolste spin-offs voortkwamen: Guust, Kleine Robbe, en zoals al gezegd, de Marsupilami. Vooral Guust is een schoolvoorbeeld van hoe de strip het tijdschrift beïnvloedde, en omgekeerd, en hoe uiteindelijk de echte auteur in het fictieve verhaal meegetrokken werd. Ondanks zijn piccolo-outfit is Robbedoes beroepshalve een reporter. Hij is contractueel verbonden aan het tijdschrift dat zijn naam draagt en werkt in het kantoorgebouw van de familie-Dupuis, samen met Kwabbernoot, die er redactiesecretaris is. In die hoedanigheid, als lolletje tussendoor, laat Franquin in 1958 ineens een zekere Gaston (in het Nederlands: Guust) door het tijdschrift lopen.

Guust is een voorloper van de nozem: slobbertrui met rolkraag, parka-achtige jas, gympies aan zijn voeten, sigaret (toen mocht dat nog) in de mond. Al in de jaren vijftig gebruikt Franquin, via Guust, een procédé dat nu al een aantal jaren Koen Meulenaere met veel verve toepast bij Knack: maak de redactie voorwerp van je eigen column; of de stripvariant: een gagstrip van een pagina. De redactie beleeft imaginaire avonturen, meneer Dupuis was bij 'Guust', net zoals 'meneer Rik' (Denolf) in Meulenaeres 'Kwaad bloed', de onzichtbare maar alomtegenwoordige gezagsfiguur op de achtergrond, enzovoort.

Guust werd een weergaloos succes ('Kwaad bloed' is dat trouwens ook). In 'Een rustige vacantie', een zijverhaal in het album De gorilla heeft het gedaan (1959), laat Franquin Guust opduiken in een echt Robbedoes-verhaal, letterlijk opduiken, met zijn fiets boven op de motorkap van de auto van Robbedoes en Kwabbernoot. Maar Guust krijgt Franquin in zijn greep. De tekenaar kon en wilde na enige tijd beide reeksen niet meer combineren. In Hommeles in Rommelgem (1969) kapt hij ermee. De eerste pagina's bestaan uit een geweldige ruzie op de Dupuis-redactie. Kwabbernoot is Guust spuugzat ("Hij liet hier een taartje met kersenjam op mijn schrijfmachine vallen!" Guust: "Mmmnee. Het is aalbessenjam"). Hij laat zijn gabber Pruimpit de verantwoordelijkheid over Guust na en trekt de wijde wereld in.

Franquin reist niet mee. Hij blijft samen met Guust voor Dupuis werken, en geeft vanaf het volgende album, De goudmaker (1969), Robbedoes over aan Fournier. Tussen haakjes: Dupuis kon dat als geen ander, spin-offs herkennen. Er is nog een groter succes dan Guust, ook dat ging om een strip die in het tijdschrift Robbedoes verscheen. In de innemende ridderstrip Johan en Pirrewiet tekent Peyo in 1960 het album verhaal 'De fluit met de zes smurfen'. Uitgever Charles Dupuis ruikt een commercieel zaakje aan de bijfiguurtjes uit dat verhaal. 'De smurfen' krijgen een afzonderlijke reeks en maken van Peyo, tot dan een Dupuis-tekenaar zoals er wel meer waren, een van de bekendste Belgische stripauteurs. Haken dicht.

Met het afscheid van Franquin begint Robbedoes echter langzaam te dwalen. Tien jaar zal het duren, de speurtocht naar een nieuw begin, de queeste naar het elixir van de eeuwige jeugd. Fournier trekt zijn streng al bij al nog behoorlijk. De verhalen zijn oké, de tekenstijl sluit nauw aan bij Franquin. Als hij in 1980 stopt, speelt Dupuis op veilig en gaat de successerie over naar zogenaamde 'ervaren rotten' uit de eigen stal: tekenaar Nic en scenarist Cauvin (die laatste had naam als man van 'De Blauwbloezen'). Het wordt een fiasco, bloedeloze verhalen, saaie personages. De rode piccolo wordt een flets figuur. Robbedoes' lift daalt tot de kelderverdieping.

In 1984 geeft uitgeverij Dupuis Robbedoes en Kwabbernoot in handen van hun alter ego's: twee jonge, durvende tekenaars, een duo dat poeier uitstraalt. Sindsdien horen Tome en Janry, pseudoniemen van Philippe Vandevelde en Jean Geurts, op hun beurt tot de groten van het stripverhaal. Ze zijn de echte erven van Franquin, in alle opzichten. Ze zorgen voor geweldige verhalen, ze creëren memorabele nevenfiguren, voorop Vito Cortizone, een pastiche op Marlon Brando in de rol van maffiadon Vito Corleone. Net zoals Franquin destijds zijn ze ook grafisch topklasse. Kijk naar de openingspagina van Luna Fatale (1995): wat de weerspiegeling lijkt van de maan in het water van de Hudson-rivier blijkt de dikke gezwollen buik te zijn van een in wit pak gestoken doch neergekogelde maffioso. En, om de vergelijking met Franquin helemaal door te trekken, ze zijn zo creatief dat de nieuwe Robbedoes en Kwabbernoot niet volstaat om hun energie op te vangen.

En zo maken ze 'De kleine Robbe'. Officieel gaat het om de jeugd van Robbedoes, in de praktijk is de enige band de naam, en de rode piccolokledij. Voor de rest is 'De kleine Robbe' een volledig zelfstandige reeks rond een jongetje dat een biologisch een kind lijkt uit het tweede studiejaar, maar mentaal een oversekste puber is, bezig met alles wat het leven pikant maakt. En ook hier duiken meteen de geweldigste nevenfiguren op: de pastoor met zijn bastaardzoon, grootvader die nog wel een keertje wil, de immer dronken turnleraar... 'De kleine Robbe' wordt een megahit.

Maar creativiteit heeft blijkbaar zijn grenzen. In 1998 steken Tome en Janry hun nek uit. In Als in een droom maken ze van Robbedoes en Kwabbernoot volwassen figuren, bijna echte mensen. Het album is artistiek een voltreffer, met sfeervolle tekeningen op zwarte achtergrond. Maar veel stripcritici reageren lauw en afwijzend, op het cynische, zelfs het volgevretene af; het is nooit goed genoeg. Ze stoppen ermee, Dupuis kiest voor een tussenoplossing. Weer een nieuw duo als auteur, Munuera en Morvan tekenden half-vernieuwend, half-klassiek. Veel critici vinden Parijs onder de Seine weer niks - of beter: half-niks, half-goed. Het publiek volgt wel. En dat intrigeert.

Robbedoes blijft bestaan uit totaal-uit-de-tijdse herkenbaarheid (het pakje, de naam, de reeks an sich), gekoppeld aan voortdurende pogingen tot vernieuwing. Soms slaan die aan, soms niet. Maar het geheel werkt wel. Net zoals het tijdschrift. Ooit stond dat vol Guust, of De Smurfen, of Bollie en Billie, de Blauwbloezen. Nu is er Largo Winch bijgekomen, en andere snelle helden. Helden van nu, voortgedreven door een concept van vroeger. Soms stijgt de lift, soms daalt ze. Maar zolang de piccolo haar in beweging houdt, zal uitgeverij Dupuis (en eigenaar Albert Frère) niet klagen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234