Woensdag 23/06/2021

InterviewCornelis Bik

27 jaar na de genocide in Rwanda: ‘Ik heb vaak gehuild, stiekem, in mijn kantoor. Hoe kun je niet huilen?’

null Beeld Saskia Vanderstichele
Beeld Saskia Vanderstichele

Paul Rusesabagina, de held in de Hollywoodfilm Hotel Rwanda, zit sinds augustus in een Rwandese cel. Dat mag verbazen: de genaturaliseerde Belg zorgde er tijdens de genocide, die honderd dagen duurde en 1,1 miljoen doden kostte, als interim­directeur van Hôtel des Mille Collines eigenhandig voor dat de 1.200 ‘gasten’ in het hotel de slachtpartij overleefden. Nederlander Cornelis Bik (62), die in die dagen directeur van het hotel was en Rwanda op het laatste nippertje moest ontvluchten, hield 27 jaar lang de lippen op elkaar. Maar nu vindt hij zwijgen geen optie meer, ‘zeker niet voor wie Paul wil redden.’

Amper twee jaar na de Rwandese tra­gedie was Paul Rusesabagina naar België gevlucht, snel erkend als vluchteling en Belg geworden. Hij werd een uitgesproken opposant van het regime van presi­dent Paul Kagame. Een zogezegde vriend lokte hem in de val, en hij werd tegen zijn zin naar Rwanda overgevlo­gen. Gekidnapt, volgens zijn advocaten, mensenrechtenorganisaties én het Euro­parlement in een bijzonder scherpe resolutie. In Brussel volgt zeker één man met bij­zondere aandacht het lot van zijn voormalige rechter­hand: Cornelis Bik, de ‘echte’ directeur van Hôtel des Mille Collines, die nog ter plaatse was in de eerste vijf dagen van de genocide in april 1994, en de rest van die dramati­sche honderd dagen van uur tot uur vanuit Brussel volg­ de. Hij keerde als één van de eerste Europeanen meteen na de genocide terug naar Kigali om het hotel weer op te starten. Na 27 jaar doet hij voor het eerst zijn verhaal.

Cornelis Bik: “Toen Paul vorig jaar in augustus werd ont­voerd, durfde ik nog niet openlijk te spreken. Ik weet hoe misdadig dit regime elke kri­tische stem kan viseren, tot in België toe. Maar zwijgen is geen optie, zeker niet voor wie Paul wil redden. Ik ben ervan overtuigd dat hij onschuldig is. Het regime wil hem alleen hebben omdat hij een geloofwaar­dige kritische stem is. Die worden in Rwanda het zwijgen opgelegd, en ook daarbuiten.”

Hoe bent u destijds in Rwanda terechtgekomen?

“Ik ben Nederlander, geboren in Venezuela – mijn vader was er dominee. Daar­na woonden we even in Nederland en een hele tijd in Oostenrijk. Ik was mijn Nederlands helemaal kwijt en wilde Frans leren, dus kwam ik als jonge­ man naar België. Ik heb nog borden gewassen in Koksijde – zo kwam in de hotellerie terecht. In 1991 stelde Sabena Hotels mij voor om naar Kigali te gaan. Ik was nog nooit in Afrika geweest. Pas getrouwd vertrokken Petra en ik eind augustus 1991 naar Rwanda. Daar is mijn liefde voor Afrika geboren.”

De oorlog was al aan de gang. In oktober 1990 viel het Patriottisch Front vanuit Oeganda Rwanda binnen. Merkten jullie daar iets van?

“Er waren grote vluchte­lingenkampen en politieke moorden waren niet uitzon­derlijk, maar wij konden door het land reizen. We bezochten zelfs de gorilla’s aan de vul­kanen. Rwanda is het op drie na kleinste land van Afrika – niet eens zo groot als twee keer Vlaanderen. Je kunt er snel overal heen.”

Hoe heeft u Paul Rusesa­bagina leren kennen?

“Paul was al adjunct­-directeur in het Sabena­-hotel Mille Collines toen ik er kwam. Als er een pro­bleem was, ging ik naar hem toe en bespraken we samen hoe we het zouden aanpak­ken. Hij had in het buiten­land gestudeerd én kende de lokale structuren. Het klik­te meteen. Hij is een bijzonder fijne man, zeer correct en pro­fessioneel.

“In 1992 vertrok de Belgi­sche directeur van het Hôtel des Diplomates, dat ook onder ons management viel. Het hoofdkantoor in Brussel wil­de zoals altijd een expat stu­ren, maar ik stelde toen Paul voor. Ik wist dat hij de juiste man was. Brussel spartelde nog wat tegen, maar Paul ver­trok naar het Diplomates, het was slechts vijf minuten wandelen.”

U werkte graag samen met Afrikanen?

“Waarom niet? De tech­nisch directeur van Mille Collines was een Europeaan toen ik er begon. Na diens ver­trek overtuigde ik ons hoofd­kantoor om een Rwandees in zijn plaats te benoemen: Abias Musonera, een ervaren techni­cus van amper 40 jaar. Hij dééd dat werk eigenlijk al.

“Abias woonde even buiten het stadscentrum. Ik heb toen een telefoonkabel laten leg­gen, van boom tot boom, tot aan zijn huis – een technisch directeur moet dag en nacht bereikbaar zijn bij een ernstig probleem met een lift of generator. Eén van de eerste dagen van de genocide kreeg ik hem aan de lijn: ‘Ik denk dat het morgen mijn dag is.’ (lange stilte) Hij is Tutsi, wij waren heel close. Ik ging meteen naar Bizumuremyi Wellars, de portier die iedereen ken­de als Zozo: ‘Wat kunnen we doen?’ ‘Ik kan kijken of ik een militaire escorte kan regelen.’ Vervolgens kwamen er twee Rwandese soldaten naar mijn bureau. Zij spraken onder elkaar in het Kinyarwanda, en ik hoorde het woord ‘Tutsi’ vallen. Zozo wendde zich tot mij: ‘Mijnheer wil weten of Abias Tutsi is.’ Ik deed als­of ik het niet wist. Er vielen bedragen: 1.000 Belgische frank, of 5.000 – ik weet het niet meer. Ik zei: ‘10.000 frank, maar je brengt de hele familie mee, want hij zal hier moeten blijven.’ Twee uur later was hij er, God dankend dat ze het hadden gered langs al die wegversperringen. Dat was op 10 of 11 april. Dat het feit dat die man net technisch directeur was geworden en daarom een telefoon had gekregen, hem heeft gered... (stilte)

“In hotelkamer 216 is zijn vrouw op 26 april bevallen van een zoon, Moïse. Tatiana (de vrouw van Paul Rusesa­bagina, red.) was erbij. Dat heeft ze me onlangs pas ver­teld. Abias is voor het hotel blijven werken, tot zijn pensioen.”

null Beeld RV
Beeld RV

BLAUWHELMEN

Voelden jullie vóór de aanslag op het vliegtuig van Rwandees president Habyarimana op 6 april dat het zó fout kon lopen?

“Ik was 33, gefocust op mijn werk. Je kon je niet voorstellen dat zoiets kon gebeuren: er waren Belgi­sche blauwhelmen, de Belgi­sche gendarmen die inston­den voor de bewaking van de ambassade logeerden bij ons.

“We reisden door het hele land en gingen naar de parken. Jazzpianist Philip Catherine is nog komen optreden in die eerste jaren. De avond voor de aanslag hadden we bij Belgische vrienden een wijndegustatie, alsof er niets aan de hand was.”

Waar was u op de avond van 6 april zelf?

“Thuis. We kregen tele­foon van de Nederlandse con­sul: het presidentieel vliegtuig was neergestort, hij zei dat het verkeerd kon lopen. We woon­den op drie à vier minuten rij­den van het hotel, dus belde ik hem terug: of we niet beter naar het hotel konden gaan? ‘Ja, ga maar, je weet maar nooit.’ We namen wat kleren mee en haalden onze dochter Sophie van niet eens 2 uit bed. Onderweg stootten we op twee wegversperringen: ‘Retournez à la maison!’ ‘Ma maison, c’est les Mille Collines’, zei ik. We raakten in het hotel. We hoorden schoten in de stad, het personeel wist niet wat er gebeurde.

“Ik belde meteen naar Paul om hem op de hoogte te bren­gen. Als ik het me goed her­inner, zat hij in het restaurant te eten met de broer van zijn vrouw en diens echtgenote. Het was de laatste keer dat hij hen zou zien. Kort daarna zijn ze vermoord, ze waren Tutsi. (Paul Rusesabagina en zijn vrouw hebben hun kinderen, Carine en Anais, geadop­teerd. De twee zussen zijn nu zeer actief bij de verdediging van hun adoptievader, red.)

Het hotel liep snel vol?

“Op twee, drie dagen zat het méér dan vol. Eerst met bij­na uitsluitend buitenlanders. Het hotel had 112 kamers, goed voor iets meer dan 200 gasten. Maar Paul heeft nadien aan meer dan 1.200 mensen onder­dak gegeven.

“Ik herinner me dat ik op de dag na de moordaanslag op de president aan de receptie stond met Zozo. We keken samen naar het portret van Habyarimana aan de muur, en heb­ben het toen maar weggehaald. (lachje) Ik wilde neutraal zijn.

“Iemand van de Verenig­de Naties contacteerde mij die dag: of het goed was dat de kinderen van eerste minis­ter Agathe Uwilingiyimana in het hotel werden onderge­bracht? Zij en haar man waren die ochtend vermoord – de moordenaars hadden de kin­deren niet gevonden. Ik regel­de twee kamers voor hen, maar toen zij aankwamen, merk­te iemand op dat die kinde­ren een bedreiging waren voor iedereen in het hotel. De Inter­ahamwe (Hutu­-militie, red.) en de regeringsmilitairen zouden naar hen op zoek gaan. Ik ben toen uitgevlogen: ‘Moet ik soms voor God spelen?’ Omdat ik zo weinig met politiek bezig was, besefte ik allicht het gevaar niet. De kinderen zijn gebleven, de hele tijd op hun kamer.

“Die avond zaten we alle­maal in het restaurant, op de vierde verdieping, toen er plots een kogelregen losbrak. We knipten alle lichten uit, deden de gordijnen dicht en kropen op onze knieën naar onze kamers. Niemand werd geraakt. We wisten toen al dat tien Belgische blauwhelmen vermoord waren. Van dan af hield ik mijn Nederlands pas­poort altijd op zak. Dat leek een garantie.

“Geleidelijk kwamen er meer Rwandezen toe. Het hotel leek meer en meer op een vluchtelingenkamp. Na enkele dagen kampeerden er mensen in de cafetaria, in de zalen, in de gangen.”

Heeft u nog militairen en militieleden in het hotel weten komen?

“Ja, op 10 april in de namid­dag. Ze stonden plots aan de receptie en dreigden ermee om alle kamerdeuren op te blazen als we de kinderen van Agathe niet uitleverden. De Senegalese kapitein Mbaye Diagne van de blauwhelmen slaagde er na lang palaveren in om hen te doen vertrekken. Een fijne, héél moedige man. Hij nam een auto, reed de stad in en red­de mensen. Hij is erg belang­rijk geweest voor de veiligheid van de gasten in Mille Collines. (Mbaye werd vermoord op 31 mei 1994, volgens de best moge­lijke getuigenissen door een gerichte obus op zijn VN-­voer­tuig, afgeschoten vanuit een positie van het Rwandees Patriottisch Front van huidig president Paul Kagame, red.)

Wanneer wist u: ik moet vertrekken? U wilde niet weg.

“Op 11 april zijn alle buitenlanders heel vroeg in de ochtend in konvooi naar de luchthaven gebracht. Ook de Sabena-­bemanning die al die tijd geblokkeerd had ge­zeten. Wij hebben dat konvooi eerst tegengehouden, omdat de Franse ambassadeur bleef weigeren om de kinderen van eerste minister Agathe en twee andere bedreigde Rwan­dezen mee te nemen. Na lang aandringen mochten alleen de kinderen mee, als enige Rwandezen.

“Ik wilde niet weg en bleef achter met twee expats van de Europese Commissie. Petra was twee dagen eerder al vertrokken met onze dochter. Ze voelde zich niet meer vei­lig. Met een beveiligd konvooi zijn ze in Burundi geraakt. Om 1 uur ’s nachts belde ze: ‘Ik ben in Bujumbura!’

“Die namiddag van 11 april belde de Nederlandse ambas­sade in Kenia: ‘Mijnheer Bik, u moet absoluut weg. Straks lukt dat niet meer.’ Ik had zó gehoopt dat alles weer normaal zou worden, maar omstreeks vijf uur kwam één van de expats van de Europese Com­missie met de boodschap dat we nú moesten vertrekken. We reden naar de Franse ambassade, maar omdat er rond de luchthaven te hevig werd geschoten, zaten we daar geblokkeerd. Pas de volgende dag konden we het land uit.

“Toen ik het hotel verliet, moest ik iemand de sleutels geven. Paul zat nog in het Hôtel des Diplomates, dus wou ik ze aan Abias geven. Maar hij weiger­de: ‘Als u mij die sleutels geeft, is dat mijn gewisse dood.’ Hij is Tutsi. Ik heb ze dan maar aan de receptie afgegeven. Op zo’n moment voel je je heel erg klein. (lange stilte) Iemand zei me toen: ‘Nu alle blanken ver­trokken zijn, is dit het einde voor ons.’ Die woorden staan voor altijd in mijn geheugen gegrift. Wij hebben hen allemaal in de steek gelaten.”

Er is dus geen formele overdracht geweest tussen u en Paul Rusesabagina?

“Ik had hem gevraagd om naar Mille Collines te komen, ook voor zijn eigen veiligheid. Hij kon niet: de overgangs­regering logeerde in Hôtel des Diplomates. Als hij daar vertrok, konden ze hem als een verrader beschouwen. Pas toen die overgangsrege­ring daar weg was, op 12 april, kon hij naar Mille Collines. Op 13 april – ik was net terug in Brussel – werd hij per fax benoemd tot interim­manager.

“Onder zijn leiding heb­ben alle mensen in het hotel de genocide overleefd. Zon­der hem was dat nooit gelukt. Overal werden mensen bij­eengetrommeld en vermoord, zelfs in kerken. Paul kreeg hulp en steun – een klein beet­je van ons in Brussel, een beetje van ‘iedereen’ – maar hij organiseerde alles. Hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen? Niet zozeer als hotelmanager, maar als mens. In zijn boek An Ordinary Man legt hij dat mooi uit. Achteraf besefte ik goed: een buitenlander had zoiets niet gekund. Wij spreken geen Kinyarwanda, kennen de politieke gevoeligheden niet, zouden niet weten hoe je met militairen en andere machten moet omgaan. Zelfs de blauw­helmen slaagden er niet in om de vele moordpartijen te voor­komen.”

Was u bang?

(lange stilte) Ik moet zeker angst hebben gehad – jaren later schoot ik ’s nachts ge­regeld bang wakker – maar op het moment zelf weet je niet wat angst is. Er heeft nooit iemand een pistool tegen mijn hoofd geduwd. Ik was voor­al bezig met de zorg van het hotel. Zo kreeg ik een tele­foontje van één van de hoge bazen van Sabena: ‘Mijnheer Bik, u gaat daar toch blijven?’ Ik zei: ‘Wat? Kunt u mij een fax sturen en mij zwart op wit bevestigen dat ik moet blij­ven?’ Toen kwam toch het ant­woord: ‘U beslist zelf of het goed is om te blijven, en wanneer u vertrekt.’ Die mensen zaten in België en hadden geen benul van wat er gebeurde.

“De 12de ’s ochtends ben ik uiteindelijk uit Kigali vertrok­ken, naar de Centraal­-Afri­kaanse Republiek, en meteen door naar Brussel. Diezelfde avond was ik ingecheckt in het hotel Carrefour de l’Europe in Brussel, toen van onze groep Sabena Hotels. Dan zit je daar op je kamer, kijk je uit het raam en zie je een fastfoodrestaurant waar de mensen plezier maken, en denk je: what the fuck, ik wil terug, ik moet terug!”

Paul Rusesabagina wordt gehuldigd door de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush. Beeld BELGAIMAGE
Paul Rusesabagina wordt gehuldigd door de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush.Beeld BELGAIMAGE

RWANDEZEN HUILEN NIET

Jullie volgden vanuit Brussel wat er gebeurde in en om Hôtel des Mille Collines.

“Elke avond belde Paul ons. Na verloop van tijd functi­oneerde alleen de fax nog. Toen ik terug in Rwanda was, kreeg ik de rekening van Rwandatel, de telefoonmaatschappij: een surrealistisch bedrag. We hebben dat betaald, in schijven.

“Vanuit het hoofdkwartier van Sabena Hotels konden we niet veel doen. We vertelden Paul wat er op televisie werd gezegd, zoals toen het leger en de milities ermee dreigden het hotel aan te vallen. De grote baas van Sabena, Pierre Godfroid, sloeg alarm met een persconferentie en een oproep naar de Belgische en Franse overheid om het hotel en alle gasten in bescherming te nemen. Wij zorgden er voor­al voor dat de wereld wist dat het hotel vol zat. Maar in die pakweg 90 dagen ging het met Paul vaak over praktische zaken.”

Er is nu wel wat te doen over de rekeningen van de hotelgasten.

“De leiding van Sabena Hotels had Paul de opdracht gegeven de mensen in het hotel te doen betalen of een erkenning van schuld te laten tekenen. Na mijn terugkomst heb ik die allemaal in de prul­lenbak gegooid. (lachje) Ik weet nog goed dat ik toen onder vier ogen tegen Paul heb gezegd: ‘Jij beslist.’ Hoe kun je nu iemand die ver weg in een oor­logsgebied zit zeggen dat hij de mensen moet laten betalen? Achteraf heeft hij in zijn boek geschreven dat hij voor bier en wijn liet betalen. Ik denk dat hij een verschil heeft gemaakt tussen gasten die al een kamer geboekt hadden en de midde­len hadden, en de anderen.”

Het hotel had toch geld nodig om te blijven draaien?

“Bij mijn vertrek had ik de kassa meegenomen naar Brus­sel. Ik dacht: straks is alles hier verdwenen. Die kassa hebben we snel teruggestuurd via een internationale hulp­organisatie. Zo kon Paul ver­der. Ik zei hem: ‘Zie maar hoe je dat gemanaged krijgt.’ Geld vragen aan wie de middelen had was ook een vorm van solidariteit. Door bier en wijn te verkopen, kreeg Paul cash binnen om voeding te kopen en militairen om te kopen.

“Toen ik in juli terugkeerde is er niet één persoon naar mij gekomen om te klagen dat hij had moeten betalen. Niemand heeft geld teruggevraagd, en iedereen had het overleefd.”

Waarom wilde u zo snel mogelijk teruggaan?

“Ik wou het hotel heropstarten en mijn personeel terugzien. Ik ben zo blij dat ik dat gedaan heb. Anders had ik het nooit kunnen verwerken. Anders kun je die ervaringen niet delen. Je moet naar de mensen kunnen luisteren, de verhalen die ze kwijt willen.

“Samen met Thierry Vanneste, de lokale verantwoorde­lijke van Sabena in Kigali, zat ik op 23 juli in een C130­vracht­vliegtuig vanuit Kenia, een hulpvlucht. In het hotel troffen we allemaal Engelstaligen aan – geen militairen, maar wel vanuit Oeganda mee­gekomen in het zog van het Rwandees Patriottisch Front, dat inmiddels de oorlog had gewonnen. Ik ben naar zo’n nieuwe generaal gegaan en heb hem gevraagd om ieder­een binnen de twee dagen het hotel te doen verlaten. Ik stond op de parking toe te kijken hoe iedereen vertrok en zag iemand met een groot laken met daarin een televisie. Er was nog geen rechtsstaat, het was één gro­te chaos. Het hotel is niet leeg­ geplunderd. Enkele televisies waren verdwenen, wat bestek en kussens, maar het viel mee. Via de radio liet ik een oproep doen aan het personeel om terug te komen, zodat we het hotel weer konden opstarten. Ik wilde snel gaan, want we verwachtten dat er veel vraag zou komen.

“Op het einde van de oor­log was Paul met zijn fami­lie en alle gasten overgebracht naar de zone van het Patriottisch Front. Ik weet niet meer wanneer we elkaar teruggezien hebben, maar wel dat we elkaar heel lang omarmd heb­ ben, zonder veel te zeggen. Er was te veel gebeurd.”

Eind juli, toen ik eraan­ kwam met een cameraploeg, was het hotel helemaal leeg.

“Ja, en we begonnen zon­der elektriciteit, zonder water en kookten buiten. Ik weet niet meer exact hoeveel perso­neelsleden er opnieuw kwa­men opdagen. Eén derde, de helft? Waar zaten de anderen? Gevlucht, vermoord, verdwe­nen? Ik heb me nooit afge­vraagd of dat vooral Hutu’s of Tutsi’s waren. Bijna dagelijks vernam ik dat die of die ver­moord was. Ik heb toen vaak gehuild, stiekem, in mijn kan­toor. Hoe kun je niet huilen?

“Op een gegeven moment stond ik in de lobby. Er kwam iemand binnen, en die sloeg een praatje met een perso­neelslid in het Kinyarwanda. Daarna wendde hij zich tot mij: ‘Dit is mijn nicht, ik dacht dat ze dood was, maar ze leeft nog.’ Rwandezen huilen niet – ik heb ze althans niet zien huilen.

“Grégoire, het hoofd van de receptie, kwam na de geno­cide ook terug. Hij kwam zich bij mij melden. Ik was zo blij! De volgende dag zou hij weer beginnen. Ik heb hem niet meer gezien, hij is dezelfde dag nog vermoord. Ná de genocide. Net als Jean-Baptiste, verant­woordelijk voor de catering, ook voor de Sabena-­vluchten. Hij kwam terug na de oorlog en was op zoek gegaan naar zijn motorfiets. Paul heeft mij ver­teld dat hij hem had gezegd om die gestolen motorfiets te ver­geten. Ik heb een autopsie op Jean­-Baptistes lichaam laten uitvoeren door de Australische medische ploeg in het zieken­huis in Kigali. Paul verklaar­de me nadien voor gek: ‘Veel te gevaarlijk!’ Ze hadden hem aan een motorfiets of auto vastge­bonden en meegesleept. Zo’n fijne man! Dan heb je het overleefd, en word je daarna ver­moord. Mijn personeel!”

Heel gewone mensen?

“Heel gewone mensen.”

Hoe is de heropstart verlopen?

“We hebben eerst alle­maal samen hard gewerkt om het hele hotel schoon te maken. Brussel stuurde nieu­we matrassen, beddengoed, enzovoort. Abias, mijn technisch directeur, kreeg de opdracht om het hotel te laten schilde­ren. Op een ochtend zag ik in een gang een dagwerker. ’s Middags kom ik daar weer langs, met Abias. Ik zeg tegen hem: ‘Vanmorgen was ik hier, en er is bijna niets veran­derd?’ Zegt Abias: ‘Deze man heeft zijn hele familie, vrouw en kinderen verloren.’ ‘Het is goed, laat maar’, was het eni­ge dat ik kon uitbrengen. Het was zo’n mooie, grote, oude­re man met grijs haar. Daar­om ook ben ik teruggegaan: ik vond dat ik een opdracht had.

“Als we personeel wilden aannemen vóór de genocide, gebeurde er een soort preselec­tie via het ministerie – al heb­ben we die dikwijls omzeild. Ná de genocide kwamen men­sen zich aanbieden. Zo was er een Engelstalige, duidelijk meegekomen met het nieuwe regime. We lieten hem stage lopen aan de receptie, maar hij voldeed niet. Dus bedank­te ik hem na die stage. Maar hij voelde zich zo onaantastbaar. (staat op en paradeert met de borst vooruit en de neus omhoog) Zó kwam hij voor mij staan. Hij overhandigde mij een brief, en omdat ik die niet meteen las, voegde hij eraan toe: ‘U zult nog van me horen.’

“In december kreeg ik te horen dat ik moest verschij­nen voor één of andere militai­re commissie: ‘Mijnheer Bik, u bent een tegenstander van de re­ïntegratie van de Tutsi’s van de diaspora.’ Ik legde uit dat ik veel mensen had geëngageerd uit de diaspora, maar dat sommigen niet voldeden en dat hun contract na de proefperiode niet verlengd werd. ‘U doet aan politiek’, was de repliek. Tja. En dan kreeg ik nog te horen dat ik vreemde valuta het land uit smokkelde, wat niet anders kon, want er was geen enkele bank open en ik had het geld nodig om in Bel­gië aankopen te doen voor de heropstart. Ten slotte kwam de vraag hoelang mijn werk­vergunning nog geldig was. Die was verlopen en de admi­nistratie functioneerde nog niet. ‘Die zal niet vernieuwd worden’, kreeg ik te horen. ‘U neemt de eerstvolgende vlucht terug naar België.’

“Ik was van de ene dag op de andere ongewenst in het land. De Australische blauwhelmen namen dat bijzonder ernstig en gaven mij meteen persoonlijke bescherming. Ik ben direct met Petra en Sophie naar België gevlogen en enkele dagen later alleen teruggegaan. Maar het was wel duidelijk dat het voor mij te gevaarlijk geworden was. In april 1995 heeft Sabena Hotels mij overgeplaatst naar ons hotel in Guinée­-Conakry.”

null Beeld Saskia Vanderstichele
Beeld Saskia Vanderstichele

NOOIT MEER VRIJ

Pas enkele jaren later kwam u weer in contact met Rwanda, toen u directeur Afri­ka werd voor Sabena Hotels.

“In 1998 werd ik direc­teur van het Memling Hotel in Kinshasa, Congo, mét de opdracht om alle hotels in Afrika te superviseren, dus ook het Hôtel des Mille Collines. Na enige tijd nam ik een vlucht naar Rwanda, maar bij aankomst ’s avonds op de luchthaven bleek dat ik op de zwarte lijst stond – waar­om is me nooit gezegd. Ik ben teruggekeerd met een Rus­sisch vrachtvliegtuig dat daar stond, via Oeganda. Pas in 2002 ben ik nog één keer naar Kigali gegaan, in het kader van mijn functie.”

Met Paul Rusesabagina, intussen vluchteling in België, heeft u wel contact gehouden?

“Hij was taxichauffeur in Brussel geworden. We zagen elkaar sporadisch. Op een dag zei hij: ‘Hollywood gaat een film maken.’ Ik dacht: tja. We hebben nooit echt over die peri­ode gesproken. Het is natuurlijk een thema, iemand die drie maanden lang een hotel managet in volle genocide waar niemand wordt vermoord.

“Paul is gevraagd. Hij is niet op zoek gegaan naar iemand om een film te maken over die periode. Hij heeft die heldenstatus nooit gezocht en hij beschouwt zichzelf ook niet als een held.”

Hebben de makers van Hotel Rwanda u geconsul­teerd?

“Neen, neen. Ik heb regis­seur Terry George pas later ontmoet. Paul heeft me aan hem voorgesteld. Ik was aan­wezig op de voorvertoning van Hotel Rwanda in Brus­sel en was trots op Paul en blij voor hem. Later werd hij gehuldigd, ook door de Ame­rikaanse president Bush, maar hij is altijd diezelfde aardige man gebleven.”

Wat denkt u van zijn huidige situatie?

“Ik ben bang dat hij nooit meer vrijkomt. In die drie, vier dagen tussen zijn aankomst in Kigali en het moment dat hij getoond is aan de media, zijn er dingen gebeurd die de wereld niet mag weten. Als hij begint te vertellen... Ik probeer me in te beelden hoe hij zich nu voelt. Stel je voor: je bent Belg, je wordt gekidnapt en de wereld doet niets. Ik zou wan­hopig worden.

“Ik las interviews met ons hotelpersoneel: met Zozo die tijdens de genocide vrouw en kinderen verloren heeft, en met Abias. In 2005 zeiden zij in The Guardian en The New York Times nog dat het dank­zij Paul goed afgelopen was. Een paar jaar later, toen Paul het regime begon te bekritise­ren, werden beiden plots heel negatief over Paul. Zo werkt het Rwandese regime: wie wil overleven, moet buigen. Ik ben niet kwaad op Abias en Zozo – zij hebben geen keuze.

“Ik vraag me vaak af hoe zo’n klein land erin geslaagd is om zo’n performant controlesysteem op te bouwen, óók in het buitenland. Dat kan toch alleen maar met geld, ons donorgeld? En door de verkoop van Congolese mineralen en dergelijke?

“Na al die jaren is het mij duidelijk dat het een pure machtsstrijd was. Zij die nu de macht hebben, zijn zij die in 1990 de oorlog begonnen. Weet je nog, die vluchtelingen­kampen met al wie uit de oor­logszone verdreven was door het Patriottisch Front? Rwan­dezen op de vlucht in hun eigen land! In die kampen vlak bij Kigali is de haat gegroeid. Daar zijn de daders van de genocide gevormd. En nu wil datzelfde Patriottisch Front die macht behouden ten koste van alles, en dus ook ten koste van Paul en de hele onderdrukte be­volking.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234