Zaterdag 24/08/2019

26 Schallplatten

Wat kunnen dode negers toch mooi zingen !

Dat is de een beetje lugubere conclusie die ik trok uit een landerige zondagmiddag die ik laatst doorbracht met als enig gezelschap mijzelf, twee blikjes Cola Light en een stapeltje langspeelplaten van bijvoorbeeld James Brown (Live at the Apollo) , Wilson Pickett (The Exciting Wilson Pickett), Bob Marley (Natty Dread) en Ray Charles (At Newport).

Wat is toch het geheim van de gekleurde mens om zijn vaak aangeboren leed zo smaakvol om te smeden tot hoorbaar goud? Hoe diep in de groeven van zo'n zwarte vinylschijf zit de ziel van James, Wilson, Bob en Ray toch verborgen en hoe wonderlijk ook dat ze na één eenvoudige herbeluistering alle roerselen die daar huizen weer schijnbaar moeiteloos omtoveren tot prachtige muziek die door iemand ooit zeer terecht met de genre-omschrijving 'soul' bedacht werd.

Soul music bestaat natuurlijk al veel langer dan toen dat kind een naam kreeg. De monotone gezangen van de katoenslaven, de gospel van Paul Robeson en Mahalia Jackson, de primitieve proeven van de Deltablues, de uit Chicago doorklinkende melopeeën van Muddy Waters, Howlin' Wolf of Willie Dixon, de melodieuze maar vaak schrijnende pop van iemand als Sam Cooke, de rollende boogie van Fats Domino: het was onmiskenbaar allemaal merkwaardige muziek van de ziel.

Maar al dat moois was voor het grootste deel van de vorige eeuw toch vooral goed op weg een prachtige canon op te leveren die voornamelijk benijdenswaardig erfgoed zou worden voor de Amerikaanse zwarte medemens. Zo kwam die ook bijna automatisch terecht in een reservaat met een akelige naam: race music.

Tot er aan het eind van de zomer van 1941 in Dawson, Georgia bij het gezin Redding een wolk van een baby geboren werd die af en toe luisterde naar de wonderlijke roepnaam Otis.

Zoals dat gaat in biografieën van zwarte zangers, zong de jonge Otis Redding alreeds in het plaatselijke kerkkoor nog eer hij rechtop kon staan en hadden zelfs ongeoefende oren toen al snel door wat wij allen pas medio de jaren zestig zouden beseffen: Otis beschikte over een stem als een volwassen misthoorn en bleek ook al snel een werkelijk begenadigde interpreet te zijn. Waarmee ik alleen maar bedoel dat het goed is dat een zanger niet alleen kan zingen, maar ook weet wát hij zingt.

Otis Redding is vroeg gestorven (10/12/67) en hij heeft daardoor niet écht de tijd gehad om slechte platen te maken. Zijn hitsingles zijn stuk voor stuk weergaloos, of kent u een ander woord voor 'Respect', 'Pain in My Heart', 'Mr. Pitiful', 'That's How Strong My Love Is', 'Fa-Fa-Fa-Fa-Fa-Fa-Fa (Sad Song)' en '( Sittin' On ) The Dock of the Bay', en ook het handvol lp's dat hij in zijn nauwelijks drie jaar durende carrière maakte, zijn stuk voor stuk elk op hun manier verbluffend.

In mijn huis heerst een zekere devotie voor de live-lp die Otis in het Parijse Olympia opnam (Live in Europe) en op onpare dagen kan ik ook wel eens beschaafd loos gaan op zijn bijdrage aan het postume Live at Monterey, waarop zowel Otis als de Jimi Hendrix Experience een plaatkant voor hun rekening nemen.

Maar échte kenners en ikzelf zijn het toch altijd en overal over één ding roerend eens: indien Otis Redding bij leven één volmaakte langspeelplaat gemaakt heeft, dan is dat Otis Blue: Otis Redding Sings Soul, uit 1965.

De hoes is niet geniaal: ze ziet er zelfs bijzonder mainstream uit en heeft iets van die van cheesy seventiescompilaties, genre Alle 13 Goed!, of andere romantische rommel die men wel eens aantreft in de afprijzing bij de Hema.

Klasbakistan

Maar wat er op die magische A- en B-kant staat: allemachtig nog aan toe! In zijn originele (en enige aanbevolen) versie nauwelijks een half uur lang, maar wát voor een half uur!

Otis Redding zelf, op de top van zijn kunnen. Booker T. & The MG's: idem dito! The Memphis Horns? Die blazen als de beesten en ook als nooit tevoren. En de songs die geleverd werden door Sam Cooke, Smokey Robinson, Jagger & Richards, Solomon Burke, B.B. King en Otis zelf komen allemaal, zonder enige uitzondering, rechtstreeks uit Klasbakistan!

Het is niet makkelijk om met de hulp van slechts de zesentwintig letters van het alfabet trachten te beschrijven waarom Otis Blue zo'n fenomenale plaat is. Of waarom Redding zo'n uitzonderlijke zanger was.

Maar omdat ik u graag zie, wil ik wel eens mijn best doen.

Otis Blue: Otis Redding Sings Soul - die volledige titel heeft toch ook wel wat! - is een bijzonder voorwerp omdat de maker ervan met behulp van enkel maar zijn verstand, zijn longen en zijn stembanden niet alleen diepmenselijke basisgevoelens als eenzaamheid, lust, angst, liefde of verdriet kan opwekken, maar ook nog eens feilloos overdragen op iedereen die ernaar wil luisteren.

En of het nu om zijn eigen werk gaat of om dat van een ander, Redding pakt elke song die hem onder handen komt zo hard bij de keel als maar kan en knijpt daar dan tegelijk genadeloos ieder partikel leven uit dat er ook maar in zou kunnen zitten. Hij doet dat zonder nodeloos etaleren van zijn zangtechnieken, waarover hij overigens duidelijk wel beschikt. En hij doet dat evenmin op de vrolijke toon van Oom Tom, die talrijke zwarte performers wel eens gaan hanteren zodra het megasucces toegeslagen heeft.

Nekharen

Nee, Otis doet wat The Beatles al voorgeschreven hebben op 'Hey, Jude' en wat nog steeds goede raad is voor wie zich aan een cover waagt van een blues- of gospelklassieker: 'Take a sad song and make it better'.

Ach, ik vraag u niet mij op mijn woord te geloven qua hoe goed Otis wel was. Tel gewoon eens uw rechtopstaande nekharen na, de volgende keer dat u naar 'I've Been Loving You Too Long' luistert, of verkleed uzelf eens in Aretha Franklin terwijl u luidkeels om 'Respect' roept, of ga op een mistige dag eens rond het Zilvermeer dwalen terwijl u via de headphones helemaal opgaat in 'You Don't Miss Your Water'.

Redding zingt wereldse muziek op religieuze wijze en tegelijk maakt hij van sommige spirituals hapklare brokken seks. Niet veel mensen kunnen dat. En noem mij één andere artiest die het onverbeterlijke '(I Can't Get No) Satisfaction' van de Stones zou kunnen verbeteren, en dan noem ik meteen en samen met u slechts één naam: Otis Redding.

Otis Blue/Otis Redding Sings Soul is een van die zeldzame albums die helemaal goed zijn. Zo kom je al snel bij een onvermijdelijk meesterwerk uit. Een muzikale eb en vloed van langoureuze ballads en zenuwachtige stompers. Een puntgaaf artefact dat moeiteloos en glansrijk de 48 jaar overleefde die verstreken zijn sinds de conceptie ervan.

Otis Blue is ook een forse streep door de rekening van allerhande discokikkers en r&b-clowns die denken dat ze de zwarte ziel zomaar gewetenloos mogen exploiteren.

Otis Blue is net zo écht en krachtig als het allerbeste van alle andere grote sixties-iconen, met dien verstande dat de ware emotie die uit deze versies van 'My Girl' of 'Wonderful World' spreekt geen milligram nostalgie uitstraalt, maar vooral door en door doorvoelde en grootse authenticiteit.

Ik was vast van plan u de flauwe woordspeling te besparen die u nu verwacht en die begint met 'Als de nood het hoogst is...', maar toch zeg ik u met graagte: als u een klein beetje de moeite doet, is deze Redding gelukkig nabij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden