Zondag 19/01/2020

Interview

25 jaar na de Switel-brand: ‘Ik voelde stukken van het brandende plafond op mijn rug vallen terwijl mensen over me heen liepen’

Beeld Geert Van De Velde

Op 31 december is het precies 25 jaar geleden dat een kerstboom in de feestzaal van het Antwerpse Switel-hotel vuur vatte en een van de grootste drama’s uit de Vlaamse geschiedenis veroorzaakte. Er vielen 15 doden, 164 mensen raakten zwaar verbrand. Vier aanwezigen reconstrueren de gitzwarte nacht: twee feestvierders, een brandweerman, en de arts van het Brandwondencentrum.

De slachtoffers: ‘Aan je lot ontkom je niet’

Cindy Gryp en haar moeder Lisette Van Dyck vierden oudjaar in het Switel. Ironisch genoeg hadden ze daar eigenlijk niet moeten zijn: “We hadden al een ander restaurant geboekt. Maar een vriendin vroeg of we meegingen. Haar mama was net weduwe geworden, en ze konden wat gezelschap gebruiken.”

Kenden jullie het Switel?

Van Dyck: “(knikt) Ik had daar kerstavond gevierd. Dat was me niet bevallen: iedereen zat er zo dicht op elkaar. Maar om die vriendin een plezier te doen, besloten we mee te gaan. Een dure grap: het Switel kostte 4.500 frank per persoon – in die tijd veel geld – en het geld van die andere reservatie waren we kwijt.”

Gryp: “Weet je hoe dat andere restaurant heette? Het Lopend Vuurtje. O ironie.”

Van Dyck: “De mama van die vriendin is in de brand gebleven. Zijzelf was er heel erg aan toe. Nog slechter dan ik.

“Ik heb Cindy grotendeels alleen opgevoed. Ieder jaar vierden we oudjaar met ons tweeën. Altijd op vakantie in het buitenland. Dat jaar bleven we uitzonderlijk thuis: we hadden al een rondreis door Amerika gemaakt, een fanreis van Willy Sommers. Twee reizen vonden we wat veel.”

Gryp: “Tijdens die reis maakten we acht vluchten in tien dagen. Eén keer met een noodlanding in een zwaar onweer. Dat ging allemaal perfect. Dan ga je 50 kilometer van huis om te feesten, en maak je de grootste ramp uit je leven mee.”

Wat herinneren jullie zich van die avond?

Van Dyck: “Ik weet er niets meer van. Ik ben weken later uit een coma ontwaakt in het UZ Gent. Ik dacht dat ik een auto-ongeval had gehad. Misschien is dat een geluk: ik kan geen nachtmerries hebben.”

Gryp: “Ik weet alles nog. (haalt diep adem) Rond halfelf was de hoofdschotel op. We waren van plan om te vertrekken: er was te veel rumoer in de zaal, we wilden liever thuis onder ons nog een glas champagne drinken. Toen zeiden ze dat het dessert pas na middernacht zou komen. Moeke, een enorme zoetekauw, stelde voor om daarop te wachten. Ik vond dat goed: op dat uurtje zou het niet aankomen.

“Rond kwart voor elf gingen we onze make-up bijwerken in het toilet. We zaten nog geen twee minuten terug op onze plaats toen iemand riep: ‘Brand!’ Ik zag vlammen in de kerstboom. Moeke bleef rustig: ‘Dat blussen ze wel.’ Blijkbaar had op kerstavond ook een bloemstukje vuur gevat, en was dat toen snel opgelost. Maar dan schoot die hele boom in brand, een steekvlam tot aan het plafond. Ik panikeerde: ‘We moeten hier weg!’ Ik sleurde moeke recht, greep mijn handtas. Dan viel het licht uit. Er ontstond chaos: iedereen schreeuwde, rende door elkaar. Er ging een deur open, een ober riep: ‘Langs hier!’ Maar die aanvoer van zuurstof wakkerde de vlammen aan. Er ontstond een enorme vuurzee. Mensen renden voor hun leven. Ik viel. Ik voelde stukken van het brandende plafond op mijn rug vallen terwijl mensen over mij heen liepen. Ik weet nog precies hoe ik daar lag: ik zag beelden van mezelf als kind. Al spelend met mijn vader. Er was een wit licht. En muziek, fluitende vogeltjes, een lentelandschap met bloemen. Ik voelde dat ik aan het stikken was, en tegelijk had ik een soort gemoedsrust: laat het maar gaan.”

Hoe bent u uiteindelijk buiten geraakt?

Gryp: “Op een gegeven moment voelde ik een koude windvlaag. Ik besefte dat ik vlak bij de uitgang lag. Ik dacht dat ons moeke daar op mij zou staan wachten. Voor haar ben ik rechtgestaan. Ik dacht: als ik doodga, heeft ze niemand meer.

“Buiten voelde ik aan mijn gezicht. Mijn handen hingen vol bloed. Mijn schoenen waren weg, mijn jurk was in mijn huid gebrand. Rond me zag ik mensen onder een wit laken liggen. In paniek klampte ik iemand vast: ‘Ik ben mijn moeder kwijt!’ Het was de ober die onze tafel had bediend. ‘Ik ken haar,’ zei hij, ‘ik ga haar zoeken.’ Niet veel later bracht hij haar naar buiten. Ze zag er afschuwelijk uit: haar haren weggebrand, haar gezicht vuurrood, haar handen zwart.

“Intussen waren buurtbewoners toegesneld om te helpen. Iemand hing een tafellaken om me heen, iemand anders goot water over mijn rug. Na een tijdje begon ik te beven. Ik ging in shock. Hulpverleners zetten me in een taxi, die me naar het ziekenhuis bracht. Moeke moest ik achterlaten: ze waren haar nog aan het reanimeren op de stoep.

“Even voor 1 uur kwam ik aan in Stuivenberg. De chaos was compleet. Ik werd er aan een wasbakje gezet met een ander slachtoffer. Hij goot water op mijn rug, ik op zijn gezicht. Pas toen ik bijna flauwviel, hebben ze me in een bed gelegd. Ik heb nog het nummer van mijn grootmoeder kunnen geven. Toen werd ik verdoofd. Van de uren daarna weet ik niets meer.”

Waar was u intussen, Lisette?

Van Dyck: “In Gent. Daar ben ik rond vijf uur ’s ochtends aangekomen met een helikopter, zo hoorde ik later. Blijkbaar hebben ze eerst een halve nacht met mij rondgereden en -gevlogen, omdat er nergens plaats was op intensieve zorgen.”

Gryp: “Mijn grootmoeder heeft alle ziekenhuizen afgebeld. In het UZ Gent zeiden ze: ‘Het zou kunnen dat ze hier is. Kunnen we haar ergens aan herkennen?’”

Van Dyck: “Mijn appendix was ooit gesprongen. Dat was een lelijk litteken. Een geluk bij een ongeluk: mijn buik was zo ongeveer het enige deel van mijn lichaam dat niet beschadigd was. Zo hebben ze me herkend.”

Gryp: “Mijn grootmoeder is daar meteen naartoe gereden. ‘Als uw dochter vanbinnen even erg verbrand is als vanbuiten, zal ze de volgende dagen niet overleven’, zeiden ze. ‘Anders heeft ze 50 procent kans.”

“Ik was verbrand aan mijn rug, arm en hand. Ik moest vijf huidtransplantaties ondergaan. Ik heb voor het raam gestaan en gedacht: ik spring. Maar in Stuivenberg zijn ze daarop voorzien, er gaat geen enkel raam open.”

Wanneer zagen jullie elkaar terug?

Gryp: “Na drie maanden. Toen pas was ik in staat om naar Gent te gaan. Ik was zelf nog niet ontslagen uit het ziekenhuis, de artsen stonden erop dat ik na het bezoek nog minstens een week zou blijven: zo kon ik psychologisch begeleid worden.

“In het UZ Gent riep de professor me in zijn kantoor. Hij beschreef hoe moeke eruitzag. Dan mocht ik haar zien: eerst vanachter een gordijn. Moeke had zelf nog niet in de spiegel mogen kijken, en ze lette heel hard op de reacties van de mensen die aan haar bed stonden. Een mooi gezicht was het niet. Op de plaats van haar neus zat een open gat. Haar lippen waren weg, haar oren waren weg, haar nek was weg. Haar mond hing tegen haar borstkas. Haar hand zat ingeplant in haar buik. Dat moest zes weken zo blijven: dan zou er een hompje vlees gegroeid zijn, waarvan ze met inkervingen een soort vingerstompjes konden maken.”

Lisette, wanneer heeft u voor het eerst in de spiegel durven te kijken?

Van Dyck: “Na zes maanden. Toen ik werd overgebracht van de intensieve zorgen naar de dienst plastische heelkunde. Mijn eerste idee was: het valt nog mee. De klap kwam er pas toen ik naar huis mocht. Door de reacties van de mensen. Het staren, het fluisteren achter mijn rug, ouders die hun kinderen wegtrekken. Dat is hard.”

Gryp: “Ze werd plots ook heel kinderlijk behandeld. Tijdens de coma had een rechter haar wilsonbekwaam verklaard. Dat was nodig: zo kon mijn grootmoeder in haar plaats de rekeningen en huishuur betalen. Toen ze uit het ziekenhuis kwam, moest dat ongedaan gemaakt worden. De bankbediende zei: ‘Madammeke, als ge niet kunt tekenen, moogt ge ook een kruisje zetten, hè.’ Mensen leken ervan uit te gaan dat niet alleen haar gezicht, maar ook haar verstand was aangetast.”

Jullie waren na de brand maanden werkonbekwaam. Kregen jullie een uitkering?

Van Dyck: “Het minimum: 525 Belgische frank per maand (zo’n 13 euro, red.). Daar moest ik het mee doen. Absurd: mijn huishuur bedroeg al 18.000 frank. Ik had veel hulp nodig: dat kostte me nog eens 15.000 frank per maand. En dan spreek ik nog niet van de kinesist en de medicatie. We verbruikten ongeveer een tube Flamigel per dag.

“Normaal gezien rekenen ze op basis van je inkomen uit waar je recht op hebt. Maar ik was zelfstandige, dan heb je geen vast inkomen. Ze redeneerden: ‘Nu loopt de zaak goed, maar wie zegt dat je volgend jaar niet failliet zou zijn gegaan?’”

Cindy Gryp en Lisette Van Dyck.

En de schadevergoeding van Switel?

Gryp: “Daar hebben we negen jaar voor geprocedeerd. Elke keer opnieuw moesten we bewijzen dat we iets aan de brand hadden overgehouden. Elke keer weer in ons onderbroekje voor de artsen gaan staan, die dan met een meetlat onze littekens opmaten.”

Van Dyck: “‘Ga eens op één been staan? Dus dat kun je nog?’ Alles probeerden ze te minimaliseren. Eén keer zeiden ze: ‘Madam, ge kunt precies toch nog vrolijk zijn?’ Hup, weer een aantal punten minder. Mijn advocaat heeft toen letterlijk gezegd: ‘Lisette, doe je niet sterker voor dan je bent, daar zijn die verzekeringen net op uit.’”

Gryp: “De rechter is een keer heel boos geworden. De advocaat van Switel zei tegen moeke: ‘U kunt toch nog administratief werk doen, uw verstand is nog in orde.’ Waarop de rechter zei: ‘Meneer, bent u niet beschaamd? Kíjk naar mevrouw!’”

Van Dyck: “Uiteindelijk hebben we een paar miljoen Belgische frank gekregen. Maar vergis je niet: terwijl het proces liep, betaalde de verzekering van Switel onze ziekenhuiskosten. Die werden van de schadevergoeding afgetrokken. Toen we het bedrag kregen, schoot er weinig van over.”

Gryp: “Onze advocaat heeft voorgesteld om in beroep te gaan. Maar wij waren moegestreden. We wilden het hoofdstuk afsluiten.”

Hoe is het jullie nadien vergaan?

Gryp: “Ik heb mijn studies opgegeven. Dat lukte niet meer. Ik kon me niet meer concentreren. En ik wilde er zijn voor moeke. Ik heb een paar jaar gewerkt, en in 2006 heb ik mij omgeschoold tot verpleegkundige. Die mensen hebben me destijds zo goed geholpen, ik wilde iets terugdoen.”

Van Dyck: “Ik heb nog geprobeerd om mijn zaak verder te zetten. Maar dat ging niet: de klanten konden niet om met mijn verminkte gezicht.”

Heeft u nog pijn?

Van Dyck: “Elke dag. Het lijkt erger te worden naarmate ik ouder word. Ik kan nog amper stappen van de artrose. Mijn ogen en handen zijn voortdurend ontstoken. Ik merk dat mijn mond weer begint te zakken, waardoor ik moeilijk kan eten. Na de brand hebben ze huid van mijn benen en buik genomen om de rest van mijn lichaam te bedekken. Dat trekt overal tegen. Alsof alles te strak zit. Eén voordeel: niemand kan mijn leeftijd raden. Ik zal nooit rimpels hebben.

“Het ergste blijft dat staren. Daar kan ik niet aan wennen. Het zou beter zijn mochten mensen gewoon vragen wat er gebeurd is, dan zou ik het kunnen uitleggen.”

Gryp: “Ik antwoord soms: ‘Wil je wisselen?’”

Zijn jullie kwaad geweest op Switel?

Gryp: “Ach, nee. Dat zou verloren energie zijn. Ze hebben destijds geprobeerd ne sukkelaar verantwoordelijk te stellen, die cateringmanager. Onzin: die mens kon daar niet aan doen. Er ís geen schuldige in deze zaak. Het is een ongeluk geweest, waar wij toevallig in zaten.”

Van Dyck: “Niet toevallig: je lot ligt vast. Daar ontsnap je niet aan. Kijk naar ons.”

Brandweerman Frank De Roos.

De brandweerman: ‘Hopen slachtoffers’

Brandweerman op rust Frank De Roos was die oudejaarsavond van wacht in de Antwerpse brandweerzone Post Zuid, niet ver van het Switel.

De Roos: “Het was rustig. Dat is vaak zo op feestdagen: de bedrijven zijn toe, winkels sluiten vroeger, mensen bereiden zich voor op het feest. Pas rond 23 uur kwam er een alarm: brand.”

Wisten jullie dat het om zo’n grote vuurzee ging?

De Roos: “Nee. De beller had enkel gezegd dat het brandde. Ik wil bij deze graag benadrukken hoe belangrijk dat is: als je ons oproept, zeg dan duidelijk wat er is gebeurd, waar het is gebeurd én of er slachtoffers zijn. Hadden we dat toen geweten, dan hadden we meteen ambulances kunnen meesturen.

“Enfin, die avond vertrokken we dus met het idee dat het om een kleine brand ging. Maar toen we de straat inreden, zagen we mensen op de weg liggen. Anderen liepen in paniek door elkaar. Dan weet je: dit is ernstig.

“Een aantal collega’s zijn meteen begonnen met het reanimeren van de slachtoffers, wij gingen naar binnen om het vuur te blussen. Intussen riepen we ziekenwagens op. Het was duidelijk dat alle beschikbare manschappen zouden nodig zijn.”

Wat troffen jullie binnen aan?

De Roos: “Hopen mensen. Ik kan het niet anders zeggen. Het was er pikdonker: wellicht hadden die mensen de uitgang gezocht, waren ze gestruikeld, en waren er anderen bovenop gevallen. Vuur was er zo goed als niet meer. We konden ons meteen toeleggen op de slachtoffers: iedereen moest zo snel mogelijk naar buiten. Er waren mensen die niet meer reageerden, maar tijd om daarbij stil te staan hadden we niet.

“Buiten was de chaos compleet. Mensen liepen door elkaar, riepen om hun kennissen. Er was paniek. Taxichauffeurs kwamen aangereden om te helpen: zij brachten slachtoffers naar verschillende ziekenhuizen. Families raakten elkaar kwijt, niemand wist nog wie waar was. Er waren ook ‘naamloze’ slachtoffers: mensen die buiten bewustzijn waren en hun naam niet konden zeggen, of die zodanig verminkt waren dat hun gezicht onherkenbaar was. Ik hoorde achteraf dat een vrouw dagenlang aan het verkeerde bed had zitten waken. Aan de grootte van de voeten zag ze uiteindelijk dat het niet haar man was die daar lag. Dat zijn drama’s, hè.

“Ik heb toen voor het eerst in mijn carrière meegemaakt dat er getrieerd werd. Artsen zeiden: ‘Met die man moet je niet voortdoen, hij is reddeloos verloren. Help liever de persoon ernaast, die heeft wel nog een kans.’ Wat ik ook nooit meer vergeet, is hoe wij op de stoep mensen aan het reanimeren waren terwijl boven onze hoofden het vuurwerk oplichtte. Onwezenlijk.”

Heeft het lang geduurd?

De Roos: “Ik geloof dat we rond een uur of 2, 3 terug in de kazerne waren. Eén van de wagens is van het Switel nog rechtstreeks doorgereden naar een uitslaande brand: een vuurpijl die in een woning was beland.

“Nadien hebben we met de mannen wat gegeten. We waren daar op zulke avonden op voorbereid: we brachten altijd iets mee dat in de microgolf kan, of dat je koud kunt opeten.”

Ik kan me inbeelden dat het niet evident is, na zulke taferelen weer gewoon overgaan tot de orde van de dag.

De Roos: “Eigenlijk viel dat mee. Vandaag vallen er nog zelden dodelijke slachtoffers bij brand, maar toen waren er in Antwerpen nog twintig of dertig per jaar. Ik heb ook de tijd van de CCC meegemaakt, de terreurgroep die tussen 1984 en 1985 veertien aanslagen pleegde in België. Ook toen hebben we vreselijke dingen gezien. Ik was dus wel wat gewend, helaas.

“Pas op, het was erg, hè. Zoveel slachtoffers: dat laat niemand koud. Maar ik kon daar redelijk goed mee om. Sommige collega’s hadden het moeilijker: die vonden steun door er met elkaar over te praten. Psychologische bijstand voor hulpverleners, dat bestond nog niet in die tijd.”

Hebben jullie contact gehouden met de slachtoffers?

De Roos: “Dat doen we nooit. Twee dagen na Switel was er alweer een grote brand. Twee jaar ervoor had ik het hele Middelheim-ziekenhuis moeten laten evacueren. Toen heb ik ook veel mensen geholpen. We maken zoveel mee, we kunnen niet met al die mensen een persoonlijke band opbouwen.”

De oorzaak van de brand is nooit echt duidelijk geworden. Heeft u een verklaring?

De Roos: “Volgens mij was er een flashover. Als iets brandt, zoals die kerstboom waarmee de brand in het Switel volgens ooggetuigen zou zijn begonnen, stijgt de temperatuur. De hitte zorgt ervoor dat gassen ontsnappen uit voorwerpen in de ruimte. Blijft de temperatuur stijgen, dan kunnen die gassen ontbranden. Op dat moment ontstaat een soort vuurbol die door de ruimte schiet en alles op zijn weg verbrandt.”

Net zoals in Beringen, waar afgelopen zomer twee brandweermannen het leven lieten bij een brand in een leegstaand gebouw?

De Roos: “Inderdaad. Een flashover gebeurt snel en onverwacht. In het Switel zou het nog geen minuut geduurd hebben.”

Er was ook sprake van een backdraft.

De Roos: “Een backdraft ontstaat meestal pas na langere tijd. De vlammen hebben alle zuurstof uit de lucht gehaald en lijken te doven. Gaat er een deur of raam open, dan flakkeren ze door de aanvoer van nieuwe zuurstof plots weer op.

“In het Switel werd nieuwe zuurstof aangevoerd door de nooduitgang die werd geopend. Maar het vuur was volgens mij op dat moment nog niet lang genoeg bezig om een backdraft te veroorzaken. Nu, zeker zullen we het nooit weten. Voor de brandweer is de oorzaak ook geen prioriteit: er zijn andere diensten die daarnaar op zoek gaan. Voor ons telt enkel de veiligheid van de slachtoffers, en – uiteraard – het doven van de brand.”

De dokter: ‘Knop omdraaien’

Voor dokter Cindy Lafaire – intussen medisch diensthoofd van het Brandwondencentrum van ZNA – was de Switel-brand de eerste ramp uit haar carrière.

Lafaire: “Niet de laatste: een paar jaar later ontplofte een kippenkraam op de Vogeltjesmarkt en werden achttien zwaar verbrande mensen bij ons binnengebracht. Er waren de bomaanslagen in Zaventem en Brussel. En ook na de cafébrand in Volendam in de nieuwjaarsnacht van 2000 op 2001 vingen we meerdere slachtoffers op.”

Twee keer een brand op nieuwjaarsnacht: toeval?

Lafaire: “Ja, toch wel. Een feestavond is niet per se drukker dan een gewone avond. Daar is geen lijn in te trekken. In de zomer is dat ook zo: er zijn zomers met veel barbecue-ongevallen, en zomers waarin er bijna geen gebeuren.”

Tijdens de brand in het Switel was u net anderhalf jaar aan het werk in het Brandwondencentrum. Dan word je als jonge arts wel in het diepe gegooid.

Lafaire: “Het was indrukwekkend, ja. Maar ik kon daar professioneel mee omgaan. Ik had mijn stage hier gedaan, dus ik had al één en ander gezien, jammer genoeg.”

Hoe verliep die avond?

Lafaire: “We werkten met twee chirurgen in het centrum: mijn collega en toenmalig diensthoofd dokter Raymond Peeters en ikzelf. Ik had gewerkt op kerst, hij deed oudjaar. ‘Waar kan ik je bereiken mocht er iets gebeuren?’, had hij nog al lachend gevraagd. Ik gaf hem het nummer van het restaurant waar ik de avond zou doorbrengen. Gsm’s waren er toen nog niet.

“Op het moment dat de brand uitbrak, zat ik een paar kilometer verderop onwetend te vieren. De hele nacht lang was ik me van geen kwaad bewust. Dokter Peeters had het nummer van het restaurant verloren.”

Wanneer vernam u het nieuws?

Lafaire: “Om halfnegen ’s ochtends ging mijn telefoon. Ik vond dat eigenaardig: zo vroeg, op 1 januari. Het was de directeur van het Stuivenbergziekenhuis. ‘Lafaire, ik geef u het diensthoofd van algemene heelkunde door, hij zou u iets willen vragen.’ Ik begreep er niets van. De professor kwam aan de lijn: ‘Cindy, goeiemorgen, kun je nú komen?’ Pas toen ik vroeg wat er in godsnaam aan de hand was, begrepen ze dat ik het nieuws nog niet had vernomen. ‘Het Switel is afgebrand.’ Bám.

Wat trof u aan in het ziekenhuis?

Lafaire: “Dat is met geen woorden te beschrijven. De patiënten lagen o-ver-al. In het brandwondencentrum, op intensieve zorgen, op de chirurgische afdelingen. Ik weet het exacte aantal niet meer, maar ik geloof dat er zeker vijftig mensen waren binnengebracht.

“Dokter Peeters vroeg me om alle patiënten te bekijken: de verbanden eraf halen, de percentages van de brandwonden inschatten. Zodat we een duidelijk beeld hadden van wie, wat, hoe en waar. Ik was rond halftien op de dienst, en ben daar tot tien uur ’s avonds mee bezig geweest. Veel mensen waren zeer diep verbrand. Op zichtbare plaatsen, bovendien. Vooral de dames. Zij droegen feestkledij, met blote armen, een open rug, een decolleté.

“De dagen en weken nadien opereerden we van acht uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds. Je mag dat geen bandwerk noemen, dat is niet de juiste benaming, maar het was heel, heel druk.”

Dokter Cindy Lafaire.

Dacht u niet: ik zat óók in een restaurant, dit had mij kunnen overkomen?

Lafaire: “Nee, die knop moet je omdraaien. Als je dat niet doet, houd je die job niet vol. Het enige waar ik moeite mee heb, zijn kinderen. Hen kun je niet uitleggen wat er is gebeurd, of met welke zaken ze in de toekomst rekening zullen moeten houden. Ik zeg altijd: de dag dat ik eraan wen om verbrande kinderen te zien, is de dag dat ik ermee stop.”

Waren er op jullie dienst Switel-slachtoffers die het niet gehaald hebben?

Lafaire: “(knikt) Helaas wel. Er zijn in totaal vijftien mensen overleden. Sommigen zijn ter plekke omgekomen, anderen in het ziekenhuis. Niet alleen hier, de patiënten lagen in verschillende ziekenhuizen.

“Er is een dame die ik nooit zal vergeten. Na haar zoveelste operatie zei ze: ‘U beseft niet wat u mij aandoet, ik kan nooit meer buitenkomen, zo wil ik niet leven.’ Korte tijd later is ze gestorven. Sindsdien weet ik: de menselijke geest is sterk. Als je patiënt het opgeeft, sta je met al je wetenschappelijke kennis machteloos.”

Cindy, die met haar mama Lisette de brand overleefde, zei dat ze tijdens haar verblijf in Stuivenberg overwoog om door het raam te springen, maar dat de ramen van het ziekenhuis daartegen zijn beveiligd.

Lafaire: “Dat klopt. Die veiligheidssystemen moeten voorkomen dat mensen zulke dingen doen.

“Ik heb veel respect voor mijn patiënten. Ze maken ontzettend veel door. Ik weet niet of ik het zou kunnen dragen zoals zij. De pijn, de moeilijke terugkeer naar een sociaal leven, naar het werk: je moet het maar doen, als je vol littekens staat. Zeker in de huidige maatschappij, waar alles wat afwijkt van het schoonheidsideaal meteen wordt afgekeurd.”

Hoe bereiden jullie mensen met littekens in het gezicht voor op het moment dat ze voor het eerst in de spiegel mogen kijken?

Lafaire: “Er zijn psychologen verbonden aan ons centrum. Zij begeleiden dagelijks de patiënten en hun familie. Zij zijn er op zo’n moment bij. Maar ik weet niet of je iemand daarop kúnt voorbereiden.”

Lisette, die zwaar werd verminkt, zei dat het eerst nog meeviel. Pas toen ze de blikken van de buitenwereld zag, kreeg ze het echt moeilijk.

Lafaire: “We hebben enkele jaren geleden een filmpje gemaakt: The Mask. Een patiënt van ons had brandwonden in zijn gezicht en droeg een drukmasker. We gingen met hem naar de drukke Bredabaan en filmden de reacties van voorbijgangers. Het was dramatisch: kijken, staren, wijzen… Alsof hij een monster was. Kinderen kunnen wreed zijn, maar volwassenen zijn nog veel erger. Dat heb ik toen duidelijk gemerkt. En bij die man zat alles nog verstopt onder een masker. Kun je je voorstellen hoe dat moet zijn als je je littekens toont? Ik snap dus heel goed dat het voor Lisette een verschrikking was, en wellicht nog altijd is.”

Kunnen we dat filmpje nog ergens bekijken?

Lafaire: “Het staat op YouTube. Als je zoekt op ‘Oscare drukmaskers’ vind je het snel terug. Oscare is ons nazorgcentrum, het vroegere Greet Rouffaer Huis. Ik hoop dat mensen het gaan bekijken: wellicht reageren ze de volgende keer anders.”

Had het drama vandaag, 25 jaar later, anders kunnen aflopen?

Lafaire: “Dat is een moeilijke vraag. Er is een grote evolutie geweest in zaken zoals vochtreanimatie en beademing. Op het vlak van chirurgische technieken is er niet zoveel veranderd. Ik weet dus niet of meer mensen het zouden overleefd hebben. Wat ik wel zeker weet, is dat de slachtoffers toen de best mogelijke zorgen gekregen hebben.”

Heeft de Switel-ramp u veranderd?

Lafaire: “(denkt na) Ik ben voorzichtiger geworden. Als ik ergens kom waar veel volk is, kijk ik altijd waar de nooduitgang is. Dat kan het verschil maken. De mensen die in het Switel aan de nooduitgang zaten, zijn buiten geraakt. De anderen moesten door de rook. Als je daardoor bevangen raakt, is het een ander verhaal. Dat heb ik vaak genoeg gezien.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234