Vrijdag 06/12/2019

1990

Vroeger, lang geleden, toen ik mezelf en de dingen die ik deed en die mij overkwamen nog bepaald belangrijk vond; in de tijd dus, bedoel ik, dat ik weliswaar nog geen letter had geschreven maar niettemin met graagte fantaseerde over wat nageslachtelijke literatuurexegeten in de tweeëntwintigste eeuw zoal over mij en mijn werk zouden zeggen, noteerde ik in boeken steevast de datum waarop zij in mijn bezit kwamen. Daardoor weet ik nu dat ik De laatste gedichten van Jotie T'Hooft niet gekocht heb, maar gekopieerd, en wel op 9 januari 1990.

Ik had de bundel geleend van een klasgenoot, wiens moeder, aldus beweerde hij trots, Jotie 'persoonlijk' gekend had. Aanvankelijk kostte het mij een heleboel moeite om dat te geloven: zó onwaarschijnlijk scheen het mij toen toe dat doodgewone stervelingen een halfgod als Jotie T'Hooft ooit hadden ontmoet en gesproken en wat dies meer, dat ik er achteraf bekeken in zekere zin van overtuigd geweest moet zijn dat Jotie T'Hooft eigenlijk nimmer bestaan had.

Uiteindelijk kwam ik echter eens bij die schoolvriend over de vloer, en zijn moeder, die thuis was, maar dat kon u waarschijnlijk ook op eigen houtje wel afleiden, toonde mij een foto, op welke foto zij wel degelijk met de betreurde bard aan een tafeltje zat, pratend, heel eenvoudig, alsof het niets was. Daar werd ik zelf buitengewoon stil van, en ook bekroop mij een vreemd soort melancholie, die iets van wrevel in zich droeg. Misschien had dit laatste te maken met het feit dat ik die vrouw ondanks alles niet zeer sympathiek vond: ze was zo'n pastelkleurig type met een veel te rooie kop die na haar echtscheiding begonnen was, zei ze, met 'zich te ontwikkelen', op creatief gebied dus, maar zo te zien ook in de breedte, helaas. Trouwens, die schoolvriend van weleer kwam ik onlangs nog eens tegen. Hij stond op een feestje een joint te roken en walmde dat hij me graag zag, de ruigpoot. Daarna begon hij een grote bek tegen mij op te zetten, omdat ik iets kan en hij niet.

Enfin, terug naar het verleden dus maar, en naar die dichtbundel van Jotie T'Hooft, die ik nooit gekocht heb, maar wel gekopieerd, want ik had toentertijd geen cent te makken. In dat verband kan ik u tot mijn eigen vertedering trouwens ook nog het volgende vertellen: ik zat in het vijfde middelbaar - we schrijven nog steeds 1990 - toen ik weken aan een stuk elke dag na school naar de Fnac ging, gewapend met een notitieboekje waarin ik stiekem telkens één poëem uit De Oostakkerse gedichten overpende. Eén per dag, ja, in dolle haast, bang dat wanneer ik er al te lang over zou doen, een en ander zou opvallen bij het winkelpersoneel. In de bibliotheek was de bundel almaar uitgeleend, dus ik zag geen andere oplossing dan op voornoemde wijze te werk te gaan. Niet veel later echter, toen ik zo'n beetje halverwege was, kwamen mijn ouders op de hoogte van mijn dagelijkse Fnac-bezoek, zodat zij mij alsnog geld gaven om het begeerde kleinood aan te schaffen. Het kostte om en bij de 400 Belgische franken, als ik het juist heb, en nadat ik er mee was thuisgekomen en het aan mijn moeder had laten zien, kraaide zij verontwaardigd: "Zo veel geld voor zo'n klein boekje!" Waarop mijn vader - we leefden toen in het Lacoste- en Millet-tijdperk - de onvergetelijke woorden sprak: "Ach, dat is de náám die je betaalt, hé."

Hoe dan ook, je maakt wat mee, wil ik maar zeggen. Of nee, in feite bedoel ik: zou dat allemaal vandaag de dag nog bestaan, vraag ik mij af. Zouden er nu, op dit moment, nog zes- à zeventienjarigen rondlopen die én min of meer goed bij hun hoofd zijn én bijvoorbeeld een hele poos sparen teneinde de een of andere verzenbundel te kunnen kopen? Zou dat nog vóórkomen, in dit tijdsgewricht van internet, sms-seks, gemengd onderwijs, adoptierecht voor homokoppels, Admiral Freebee, overvloed en wetteloosheid, sport op school en geen hond voor wie Latijn nog iets anders is dan je reinste Chinees?

Laat ons in godsnaam hopen van niet, want shit, wat een beroerde jaren waren me dat! Daar hebt u geen idee van, hoor. Nostalgisch? Ik? In dezelfde mate als waarin Adolf Hitler van joden hield, en keizer Nero van christenmensen. Laat ons dus bidden dat zij niet meer bestaan, jongens die lijken op de trieste puber die ik ben geweest. En mochten zij toch bestaan, laat ons dan nog harder bidden. Voor hen. Opdat ze nog lang gevrijwaard mogen blijven van het besef dat het ergste hoe dan ook nog moet komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234