Donderdag 17/10/2019

17 augustus 1996: lichamen Julie en Mélissa ontdekt. Maar wat weten we verder nog?

Een buurvrouw zag hen op zaterdag 24 juni 1995 rond vijf uur in de namiddag in een donkergrijze auto stappen. Een klein politieleger stond er op te kijken toen hun lichamen op zaterdag 17 augustus 1996 op aanwijzing van Marc Dutroux opgegraven werden in de tuin in Sars-la-Buissière. Over wat tussen die twee data in met Julie en Mélissa gebeurde, weten we veel, maar niet alles. Door douglas De Coninck

Hij schreef het er die ochtend aan het eind van de ondervraging met een balpen zelf onder, als betrof het een erg cruciaal gegeven met betrekking tot wat er in de komende uren te gebeuren stond: 'Hoewel het voor mij zeer moeilijk is om aan al deze dingen terug te denken, in het bijzonder van getuigen en in mijn eenzaamheid, heb ik het spontaan gedaan.''

Twee lijnen hoger verklaart Marc Dutroux: "Ik ben bereid om me naar Sars te begeven om u de plaats aan te wijzen waar de lichamen zich bevinden." (1)

Het is de namiddag van zaterdag 17 augustus 1996. Adjudant Jean-Luc Saintviteux van de rijkswacht in Charleroi beschrijft in zijn rapport minutieus hoe het er in Sars-la-Buissière aan toe gaat: "De genaamde Dutroux Marc komt ter plaatse in een geblindeerde wagen (...). De genaamde Dutroux begeeft zich onmiddellijk naar de achterkant van het eigendom en wijst op het terrein een perceel aan dat wij op basis van ons kadastraal plan aanduiden als zijnde deel B van het eigendom van Dutroux.

"Wij stellen de aanwezigheid vast van volgende voertuigen: een gele graafmachine van het merk Liebherr (...). Op 17/08/96 om 17.57 uur begint het zoeken op het terrein van Dutroux met behulp van de aanwezige graafmachine die is geactiveerd door een lid van de Civiele Bescherming." (2) Een volgend rapport: "Om 18.30 uur tilt de graafmachine een kluit klei omhoog. In deze kluit zien wij een zwarte plastic zak te voorschijn komen, een soort vuilniszak." (3)

Nog zo'n rapport: "De genaamde Dutroux blijft er onbewogen bij en vertoont gedurende de graafwerken, de ontdekking en het onderzoek van de lichamen geen enkele reactie."

Je kunt bijna stellen dat de opgraving van de stoffelijke resten van Julie Lejeune en Mélissa Russo een net zo cynische handeling was als hun begraving door Dutroux, enkele maanden daarvoor. Foto's in het strafdossier laten twee uit de laadbak van de machine bengelende beentjes zien, en daarrond druk overleggende speurders en magistraten. Vanuit Luik is onderzoeksrechter Martine Doutrèwe overgekomen. Op het terrein in Sars, op goed een meter van de laadbak met zijn verschrikkelijke inhoud, staat ze over bevoegdheden te ruziën met ambtsgenoot Jean-Marc Connerotte, die had gevonden wat zij niet kon vinden. Niemand achtte het nodig om na de lugubere ontdekking de machine stil te leggen en forensische experts in de 2,7 meter diepe put te laten afdalen. Een Egyptische mummie wordt doorgaans met veel meer respect behandeld dan Julie en Mélissa.

"Niemand was die dag zichzelf", blikt een speurder terug. "Het ging allemaal zo snel. Het was zo schokkend. Niemand wist wat in deze omstandigheden de juiste beslissingen waren. Niemand wist ook hoe vaak we zo'n tafereel in de komende dagen opnieuw zouden moeten aanschouwen."

Bijna drie kwartier lang blijft de de laadbak daar staan. Onder toezicht van wetsdokters Beauthier en Abati worden de twee vuilniszakken geopend. Dutroux komt erbij staan en wijst naar een in het zonlicht glinsterende oorbel: "Dat is Julie, en dat is Mélissa."

Wat later is er kennelijk een compromis bereikt tussen Connerotte en Doutrèwe. 'Les corps ont été pris en charge par le juge d'instruction Doutrèwe', staat er. Zij vergezelt de twee kinderen tijdens hun voorlaatste reis. Eerst naar een ziekenhuis in Charleroi, waar de eerste lijkschouwingen worden verricht, daarna naar een labo in Luik. Achter het politiekordon in Sars-la-Buissière heeft zich een woedende menigte gevormd. Er komt een helikopter aan te pas om Marc Dutroux te evacueren.

De eerste wetenschappelijke vaststellingen laten toe te denken dat wat Dutroux de vorige dag in zijn bekentenis over de dood van Julie en Mélissa vertelde in grote lijnen klopt. Zoals hij in de zeven jaren die volgen altijd zal blijven doen, beweert hij dat de meisjes hem zijn "gebracht" en dat hij vanwege zijn verleden als veroordeelde kinderontvoerder niet naar de politie durfde stappen. Dus had hij besloten om zijn voor het verbergen van gestolen voorwerpen gebouwde geheime bergplaats te transformeren tot kinderkooi. In december 1995 was hij gearresteerd, om pas op 20 maart 1996 de gevangenis te verlaten. Zijn echtgenote had verzuimd de kinderen te eten te brengen. Julie en Mélissa, zegt hij, waren omgekomen van de honger, ondanks zijn heldhaftige pogingen om hun levens te redden. Julie zou op 20 maart zijn gestorven, Mélissa vier dagen later.

Het lichaam van Mélissa weegt nu 16 kilo, dat van Julie 13 kilo. Gezien de ondergrond waarin de lichamen zijn begraven en het feit dat Dutroux ze in plastic zakken had gestopt, kan uitdroging hooguit 2 tot 3 kilo verschil hebben gemaakt. Toen ze nog leefden, wogen Julie en Mélissa meer dan 30 kilogram. Er bestaat geen discussie over hun staat van uitdroging en ondervoeding. Beide lichamen vertonen ook duidelijke doorligwonden. Het staat vast dat de twee kinderen van ontbering zijn gestorven.

Maar er zijn vaststellingen die een ander licht werpen op het relaas van Dutroux. Bij een van de meisjes zijn beide benen gebroken. Dat is wellicht gebeurd toen hij het kind in foetushouding duwde om het in de vuilniszak te doen passen. Dat, terwijl Dutroux beweert dat hij de kinderen zodra ze overleden waren, meteen tot het kleinst mogelijke volume samenbond en "in de ijskast" stopte.

Er zijn niet veel getuigen van hoe het werkelijk is gegaan. Er zijn er helemaal geen eigenlijk, behalve Dutroux, en Michelle Martin. Is nadien duidelijk geworden dat Martin soms slechts in ruil voor een paar breinaalden - "om sokken te breien voor mijn zoon" - bereid bleek om om het even wat te verklaren en dat haar ondervragers medio 2000 wegens een al te grote graad van vertrouwelijkheid met haar uit het onderzoek zijn gezet, dan galmen haar woorden na in de officiële syntheserapporten. Daarvan is de chronologie - terecht wellicht, maar misschien ook niet - veelal opgebouwd rond haar verklaringen.

Michelle Martin: "Marc kwam me 's ochtends ophalen bij mijn moeder in Waterloo. Hij legde me uit dat hij mijn hulp absoluut nodig had (...). Ik moest voor hem uitrijden met mijn zwarte Seat Ibiza voor het geval er onderweg politiecontrole zou zijn. Hij parkeerde de mobilhome voor het huis (in Marcinelle, DDC). Ik bleef buiten, in mijn auto. Hij is het huis binnengegaan en kwam buiten met drie of vier vuilniszakken die hij in de ruimte vooraan had achtergelaten. Het waren grote zakken. In twee van die zakken zaten de stoffelijke resten van Julie en Mélissa (...). Het inladen geschiedde snel. Wij zijn samen naar Sars gereden. Daar hoorde ik even later de graafmachine en ik dacht dat hij de lichamen van de twee kleine meisjes aan het begraven was. Vervolgens heeft hij die andere zakken in de allesbrander op het einde van het terrein verbrand (om alle persoonlijke spullen van Julie en Mélissa te doen verdwijnen, DDC). Wat later heeft Dutroux me gezegd dat hij een diepere put moest maken. Naar zijn smaak waren ze niet diep genoeg begraven en bestond het risico dat ze gemakkelijk zouden worden gevonden." (4)

Dat gebeurde op 27 maart 1996, precies een week na de vrijlating van Dutroux, zo kan Martin verzekeren. Ze weet dat nog omdat de volgende dag de installateur van de verwarming langskwam in Sars-la-Buissière. Waarschijnlijk is dat ook de waarheid, maar is dat ook het geval voor het relaas waarin ze beaamt dat Julie en Mélissa op 20 maart nog leefden? Natuurlijk wel, zegt Michelle Martin: "Volgens mij waren zij niet dood en ging alles goed. Ik zie anders niet in waarom ik Marc in die dagen fruitsap en papflessen moest komen brengen." (5)

Het is een van de meest misselijkmakende onderdelen van het dossier. Het werd 'volet nourriture' gedoopt, en aan de hand van de meest uiteenlopende parameters trachtten de speurders te ramen over hoeveel voedsel en drank de twee kinderen uit Grâce-Hollogne tijdens hun 105 dagen lange opsluiting in de kinderkooi beschikten.

Een punt van vergelijking is de voedselvoorraad die de speurders na de bevrijding van Sabine en Laetitia in de kooi aantroffen. Of Dutroux een gelijkwaardige hoeveelheid achterliet voor Julie en Mélissa valt met geen mogelijkheid te achterhalen. Als je het aan Dutroux vraagt wél natuurlijk: "Er was altijd een minimum van 24 flessen melk, drie kartons water, een jerrycan met twintig liter water, kilo's koeken, kilo's Nic-Nac'jes en allerlei blikken, margarine, biscuits en in bepaalde perioden chocolade." (6)

Chocolade werd op 15 augustus 1996 in de kinderkooi niet gevonden. Wel wat koeken: één leeg en één vol pak Derby-soldatenkoek (400 gram) alsook drie volle en twee lege pakken Nic-Nac-koekjes (400 gram). Er waren ook groenten in conservenblikken, meestal van 150 à 120 gram: drie blikken fijne doperwten, één blik maïs, drie blikken groentenmengsel, één blik erwtjes en wortelen en vijf blikken prinsessenbonen. De kinderen moesten het wel allemaal koud achter hun kiezen zien te krijgen.

Er was ook vlees: drie blikken cornedbeef, acht blikken (met telkens zes) Weense worstjes, twee blikken Zwan-leverpastei en twee blikken Vlaamse karbonaden. Verder nog wat vis: vijf blikken zalm, drie blikken makreel en blikken tonijn. En ook drie grote blikken ravioli (800 gram) en blikje ananasschijfjes. Brood werd in de kinderkooi niet gevonden, wel een paar kruimels en drie doosjes smeerkaas (150 gram) en 1 kilo minarine. (7)

Op korte termijn zou voedsel misschien niet meteen het grootste probleem zijn geweest, las de nachtmerrie voor Sabine en Laetitia wat langer had geduurd. Water wel. In de kooi werden drie leeggedronken flessen mineraalwater (1,5 liter) teruggevonden en diverse plastic flessen met in totaal nog slechts zeven liter kraantjeswater. Verder nog één karton melk (1 liter) en een doosje Nescafé-oploskoffie.

Een substantiële hoeveelheid melk en water wordt op 15 augustus wel degelijk gevonden... aan de buitenkant van de kinderkooi. De twaalf flessen mineraalwater staan op het rek gestapeld dat de kooi moet camoufleren. Twaalf dozen melk slingeren elders in de kelder rond.

Hoe genereus Dutroux voor zijn slachtoffers was, mag ook blijken uit de houdbaarheidsdata. Van de leverpastei en de smeerkaas was die al drie maanden verlopen. Het meeste voedsel kwam uit de Dial of uit de rekken met witte producten bij Delhaize.

En toch. Bij ananas en prinsessenbonen zit sap, vloeistof. Rekening houdend met de bewering van Marc Dutroux dat water en melk doorgaans heus wel aan de binnenkant stonden, zette onderzoeksrechter Langlois in 1998 voedingsdeskundige Jaroslaw Kolanowski aan het werk. Hij leverde een ellenlang rapport af vol grafieken van calorieën, proteïnen en milliliters. Volgens zijn finale berekeningen is het erg onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat Julie en Mélissa 105 dagen konden overleven op een Dutroux-dieet. Op voorwaarde dat ze zichzelf onverbiddelijk strenge eetgewoonten oplegden en dagelijks slechts een minimale hoeveelheid vocht tot zich namen.

De ouders van Julie en Mélissa reageerden woedend op die kille, theoretische benadering. Alsof je van een kind van acht dezelfde alertheid mag verwachten als van een daarvoor opgeleide paracommando in de jungle.

Op de woede van de ouders stond helemaal geen maat meer toen de speurders ook de bevindingen van wetsdokters Beauthier en Abati in twijfel trokken. Marc Dutroux houdt vol dat hij Julie noch Mélissa ooit seksueel misbruikte. Dat dit een van beide meisjes één keer toch was overkomen, zegt hij, was het werk van Bernard Weinstein. Die uitlating staat echter volledig haaks op de bevindingen van de twee wetsdokters. Op vraag van de toenmalige advocaat van Dutroux, Julien Pierre, vroeg Langlois een second opinion aan de Franse arts Michel Durigon, verbonden aan het ziekenhuis Raymond Poincaré in Garches, in de buurt van Parijs.

Bij een van de meisjes werden zowel vaginale als anale verwondingen opgemerkt. Dat, aldus de Franse arts, kan echter ook een gevolg zijn van de wijze waarop Dutroux hun lichamen na hun dood samenbond. Hoe het dan kon komen dat bij een van de meisjes het maagdenvlies was verdwenen en bij het andere niet, dat kon Durigon ook niet meteen verklaren, maar voorzover hij kon zien, ging het om - zo staat het er - een "vaginale penetratie die mogelijk eenmalig was".

Michel Durigon is op het proces opgeroepen als getuige, maar het ziet ernaar uit dat zijn contra-expertise daar veel meer dan wat meewarige blikken zal oogsten. Durigon baseerde zijn theorieën op bij de lijkschouwingen genomen foto's, en kreeg de lichamen van Julie en Mélissa nooit zelf te zien. Het is zijn rapport dat op 14 juli 1999 aanleiding gaf tot een open brief van Carine Russo, moeder van Mélissa, aan Langlois in het weekblad Journal du Mardi:

"Waarom werden Julie en Mélissa zo vastgebonden dat ze zo weinig mogelijk ruimte innamen? Weet u het, mijnheer de rechter? Natuurlijk weet u het. Het zijn dezelfde redenen die u ertoe aanzetten het dossier Julie en Mélissa zo samen te binden dat het zo weinig mogelijk ruimte inneemt (...). Het doel is niet te weten wat er gebeurd is, maar twijfel zaaien en binnen een enge juridische context te kunnen stellen dat het niet honderd procent zeker is dat Dutroux de kinderen seksueel misbruikte. De uitslag lag al vast bij de vraagstelling. Experts zullen op basis van foto's nooit tot zekerheden van honderd procent komen. Dat spreekt. Op geen enkele manier kunnen natuurlijke post-mortemfenomenen deze vaststellingen verklaren. Het kan hier om niets anders gaan dan herhaalde zedenfeiten.' 'U maakt deel uit van dezelfde familie, van dezelfde categorie van menselijke wezens als Eichman. Werkelijk, mijnheer de rechter, niets in deze wereld hindert mij meer dan de wandelende domheid die u vertegenwoordigt."'

De ouders van Julie en Mélissa lieten al weten dat ze niet naar het proces komen, maar een andere partij wil op het proces evenzeer ten strijde trekken tegen Durigon. De huidige advocaat van Dutroux, Xavier Magnée, trekt een heel andere kaart dan zijn voorganger. Hij wil op het proces vooral aantonen dat de in het onderzoek gesuggereerde realiteit over voedsel, seksueel misbruik en de duur van het verblijf van de kinderen in de kelder volslagen incoherent is "en er dus wel een andere uitleg moet zijn".

Ook Marc Dutroux zelf wil nu die kant op, en wentelt zich met steeds meer overtuiging in de rol van "kleine garnaal" die ook niet meer kan vertellen dat wat hij met eigen ogen zag gebeuren.

De ooit op aandringen van zijn eigen advocaat bestelde rapporten van Kolanowski en Durigon passen wellicht niet meer in zijn strategie.

(1) Verhoor Marc Dutroux, 17 augustus 1996, BOB Marche-en-Famenne, pv 100.229.

(2) Vaststellingen rijkswacht Charleroi, 17 augustus 1996, pv 107.319.

(3) Vaststellingen rijkswacht Neufchâteau, 17 augustus 1996, pv 100.643.

(4) Verhoor Michelle Martin, 2 juli 1997, GP Aarlen pv 8.124.

(5) Verhoor Michelle Martin, 7 januari 1997, GP Aarlen pv 2.869.

(6) Verhoor Marc Dutroux, 11 november 1996, BOB Brussel, pv 116.183.

(7) Vaststellingen GP Aarlen, 2 oktober 1998, pv 8.674.

Drie blikken cornedbeef, acht blikken Weense worstjes, twee blikken Zwan-leverpastei, twee blikken Vlaamse karbonaden... Hoe konden twee meisjes van acht 105 dagen overleven op een Dutroux-dieet?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234