Woensdag 26/06/2019

Oe was 't?

133 keer stelden we die ene, simpele vraag: "Meneer, mevrouw, oe is't?"

Isabel Severino, Dominicaanse furie in Gent, tegen Matthias M.R. Declercq: "Als niemand me ziet, doe ik stiekem een dansje." Beeld jonas lampens

Journalist Matthias M.R. Declercq en fotograaf Jonas Lampens zwerven sinds begin 2015 door België. Eén simpele vraag volstond voor een schat aan verhalen: Oe is’t? Na 2,5 jaar is het welletjes. En de Belg? Die ploegde voort. Maar leerde misschien wel dat praten deugd doet.

 1 eenvoudige vraag 
 2,5 jaar lang rondgereisd 
 700 uur samen onderweg 
 14.000 km door heel België 
 133 verhalen gesprokkeld 
 24 nationaliteiten aan het woord gelaten 

Champ le Monde, daar zetten we een punt achter deze rubriek. Op de schoonste kampeerplek van België. In Herbeumont is dat, diep in de provincie Luxemburg, onder een oud spoorwegviaduct dat de Semois overspant. Hier ontdekten agenten het lijk van Driss Assani in La trêve, de grandioze RTBF-reeks, en sleepten die agenten het lichaam uit het water. Nu staat er een hengelaar in de rivier. Zijn laarzen reiken tot de oksels. De man haalt een forel boven water en steekt zijn duim op naar zijn vrouw. Die zit in een klapstoel voor de tent. Hij maakt het haakje los en geeft de vis zijn vrijheid terug.

In Kortrijk bij Mohamed Kasmi. "Buiten de kickboxring gedraag ik me." Beeld Jonas Lampens

Voor ‘Oe is’t’ zwierven we 2,5 jaar rond in België. Eerst in Vlaanderen, daarna in Wallo­nië, en er is geen dorp waar we niet zijn gepasseerd. Denken we. Altijd ­zonder concreet plan, zonder doel, zonder kompas en met de simpele vraag: ‘Meneer, mevrouw, oe is’t?’ Zo stootten we ook op Champ le Monde en het afbrokkelende viaduct.

Die 2,5 jaar leidden tot 14.000 kilometer in eigen land, 700 uur samen in de auto en een vaste modus operandi. Jonas als fotograaf, ervaren chauffeur en fixer, hij was de MacGyver van deze rubriek. In de autokoffer van Jonas lag voor aanvang van iedere zwerftocht alles klaar. Twee statieven, twee fototoestellen, flitslampen, laarzen, een regenjas, een hengel, kranten, een kinderzitje, een fles chocolademelk, een fles water, een doosje kauwgum, een verrekijker, landkaarten, een verdeelstekker en batterijen. Geef Jonas een paperclip en hij bouwt een antenne. Altijd klaar, altijd voorbereid.

Ghislain Favaits uit Sint-Pieters-Leeuw, die leeft voor zijn duiven. Beeld jonas lampens

Als woordvoerder nam ik weinig plaats in, met enkel een balpen en een blocnote. En ik kan mijn veters zelf strikken, dat is ook al iets. Een doener en een denker.

En kijken, rijden, wandelen, ­zoeken, praten.

Druk-druk-druk

Onze tocht door België had iets van een treintje dat langzaam door een dierenpark schreed. We zagen de homo belgicus in zijn natuurlijke, steeds dichter bebouwde habitat. Ons land heeft geen horizon meer. Op werkdagen tussen 9 en 16 uur zagen we vooral gepensioneerden op elektrische fietsen en gepensioneerden die, de kont omhoog, met een plamuurmes onkruid tussen de stoeptegels wegschraapten. ’s Middags zaten bouwvakkers in hun witte camionette, en klonk de bel, dan ­zetten moeders met rode wangen hun kind een helmpje op, alvorens met een forse pedaalslag te demarreren. Het was dikwijls moeilijk om rustig te praten met de homo belgicus, want wat heeft iedereen het toch druk-druk-druk.

Lilly en Sarah Sensique in Bellevaux. "Praat maar Nederlands, hoor." Beeld jonas lampens

De habitat is weerbarstig. Verlaat je de stad in Vlaanderen, dan nog is het zicht begrensd en rijd je van schuur naar loods naar prikkeldraad. En bots je op boeren en die hebben geen tijd te verliezen. Voor hen is praten tijd- en geldverlies. Maar ze waren vriendelijk, op eentje na. In West-Vlaanderen riep een boer: “Wadde? Oe is’t? Waar da gij u mee bezighoudt!

In de Ardennen eindigt de prikkeldraad aan de bosrand. Daar hebben we vogels geteld bij gebrek aan volk op straat. Zo herken je de buizerd aan de donkere dwarsbanden op de staart en heeft de wendbaarheid van Jonas’ wagen een vos de dood bespaard. Je ziet veel schoonheid als je de ogen opent. En veel lantaarnpalen.

Wie 700 uur samen in een auto zit, die heeft veel tijd om te praten en om te zwijgen. ‘Oe is’t?’ kende in de auto vaak een lang antwoord. Of ook niet. Zwijgen is niet onwennig, ook niet als de stilte een paar uur aanhoudt en je uurwerk wegsmelt als in het schilderij van Dalí. Denkers en doeners voelen elkaar goed aan.

Ornella Kabalole, lingeriemodel en tekenares uit Genval. Beeld jonas lampens

Doodgewoon praten

Ook nu de terminus is bereikt, wordt op de camping in Herbeu­mont gedacht en gedaan. Dan sprokkelt MacGyver hout in het nabije bos. Dat is overigens het bos waar Marc Dutroux indertijd probeerde te ontkomen. Herbeumont heeft een geschiedenis.

Op de kampplaats blaast Jonas zachtjes in de vlam. Hij vertelt over bijenkasten en isolatiemateriaal. Jonas zag altijd alles wat ik niet zag. Zonder hem geen foto’s, geen vuur en geen info over sneldrogende siliconekits. Als de vlammen een meter hoog oplaaien en we om middernacht de laatste gekoelde streekbieren uit de Semois vissen, zegt Jonas: “Ik ben onderweg een paar vooroordelen kwijtgespeeld. En dat is goed. Een Belg is ook veel opener dan hij of zij denkt. Je moet moeite doen, dat wel, maar is de eerste stap gezet, dan is er zo veel mogelijk. We moeten veel meer met elkaar praten. Doodgewoon praten. Dat helpt.”

Sati Oktar en haar familie in Ninane. "Deze bron geeft het beste drinkwater van België. Hier, proef maar." Beeld Jonas Lampens

Meer dan duizend mensen hebben we aangesproken. Dat leverde 133 verhalen op, en 24 nationaliteiten. Duizenden mensen tussen De Panne en Eupen en Aarlen en Turnhout, binnen de grenzen van het land dat ons België is. Het kon iedereen zijn en het wás ook iedereen. Blanken in Reningelst, zwarten in Aalst, Chinezen in Zelzate. Daar zei Lei Ye: “Ik ben een banaan. Geel aan de buitenkant en wit vanbinnen.”

De simpele vraag legde een veelzijdige identiteit bloot. Mensen leidden ons mee naar hun roots. België is meervoud voor Pakistani, Congolezen, Turken, Algerijnen, Surinamers, Afghanen, Portugezen, Guineeërs, Finnen, Japanners en Roemenen. En we liepen ook Fransen lukraak tegen het lijf en Britten, Nederlanders, Marokkanen, Turken, Amerikanen, Guatemalteken, Zuid-Koreanen, Ivorianen, Rwandezen, Kameroeners en Dominicanen. En Vlamingen. En Walen.

‘Oe is’t’ leidde ons in gedachten de wereld rond, maar leidde ook bijna naar het politiecommissariaat van Sint-Martens-Latem. In een brede laan met hoge bomen jogde een vrouw in een fluo shirt. Ze had witte oortjes in en luisterde naar muziek. Of naar Runkeeper. We reden de laan in. Daar was niemand, behalve de jogger. Een auto met twee jonge mannen die een jonge dame achtervolgt, dat is genoeg voor een alerte burger om de hulpdiensten te verwittigen. Wat we tijdig beseften en gelukkig niet is gebeurd. We staan niet geseind en de dame zei: “Leuke vraag, maar ik ga verder lopen. De benen zijn goed en ik kan mijn toptijd verbeteren.”

Mats Debruyne, sportmonitor in Deinze. "’Oe is‘t?’ is geen loze vraag." Beeld jonas lampens

Tussen pretpark en patattenveld

Wie niets verwacht, wordt altijd verrast. En die verrassing maakte de dag telkens goed. Park Soung Gun stond tot een tijd geleden als Zuid-Koreaanse militair aan de grens met Noord-Korea. We troffen hem doorweekt aan, in Kuurne, schuilend onder het afdak van een frietkot. “Hello mister”, dat zei Park. En ook: “Het is hier koud en lelijk.” Dan lachte Park. Op de vraag wat hem naar een steenweg in West-Vlaanderen bracht, zei hij: “Dromen.”

In Brustem spraken we met een man die een tijd lang voor de VN werkte. Bij de UNTSO, de United Nations Truce Supervision Organization. Hij hield toezicht op de wapenstilstand tussen Israël en Syrië. Hij woonde anderhalf jaar met zijn gezin in Jeruza­lem en wil nooit meer terug. In Heusden-Zolder bleek een hond Noway of the Hesbaye te heten. Elders bouwde een man een pretpark in de tuin. In Attert, net boven Aarlen, kuste fotograaf Jonas een alpaca en in Ninane, nabij Chaudfontaine, vulde een Turkse familie tientallen flessen aan een waterbron. De bumper van de Mercedes sleepte bijna over de grond.

Mathieu Ngongo, ‘halve Belg’ in Aarlen. "Ik wil terug naar mijn roots." Beeld Jonas Lampens

In Genval toonde een Congolees lingeriemodel een paar foto’s en was flitslicht niet nodig. Elske uit Waarbeke vertelde over André De Wolf. Dat was de pastoor van Waarbeke en die had een leeuw thuis. “Hij is zelfs een dierentuin begonnen hier voor mijn deur. Een leeuw, luipaarden, apen, tijgers, poema’s. Dat was nog een kerel, de pastoor.” Na het gesprek zei Elske: “Bon, ik ga naar mijn patatten.”

Iedereen antwoordde eerst ‘ça va’ of ‘goed’ of ‘zoals met het weer’, maar ‘ça va’ volstond niet voor een verhaal. Soms bleef de deur op een kier en waren mensen waakzaam. Maar een volgende vraag bleek voldoende om de waarheid te kennen.

Andere keren kreeg je de deur op je neus. Dat was zo in Heist-op-den-berg. Daar kwam een vrouw aangereden op een fiets versierd met bloemen. “Oe is’t? Dat gaat u niet aan.” En dan: “Niemand moet iets over mij weten. Ik ken dat soort dingen. Vergeet het. Saluut.”

In een slachthuis keken mensen met bloed aan de laarzen ons na. Ze droegen een witte stofjas met rode vlekken en wezen ons de deur. “Wij hebben geen tijd. Wij doen daar niet aan mee.” Een poging om een fabriek te betreden waar tientallen gerenoveerde tanks op een oplegger werden gereden, eindigde aan de poort: “Kunt u het domein onmiddellijk ver­laten, aub?”

Rik Schreel ziet de schoonheid van zijn Zedelgemse kerkhof. Beeld jonas lampens

We zijn Belgen en we peperen onszelf de hele tijd in dat wij zwijgers zijn. Maar cultuur verandert iedere dag, het volk ook, en stel je de vraag nog een keer, dan zie je een lichtje branden. Het luchtte mensen op om hun verhaal te doen.

En wij zagen eindelijk de bril waar we al ons hele leven door kijken. ‘Dat ziet er geen interessante mens uit’, ja, dat hebben we vaak gezegd in de wagen. Om net daarom de man of vrouw aan te spreken. En dan weggeblazen te worden.

Opgelucht

Wanneer hebt u voor het laatst met een vreemde gesproken? Wanneer hebt u voor het laatst eerlijk geantwoord op de vraag ‘oe is’t’? In een wereld waarin iedereen met elkaar verbonden is, waar we sms’en, mms’en, whatsappen, facebooken, twitteren, snapchatten en online ontdekken wie onze buren zijn, in die wereld geven we geen handdruk en kijken we elkaar niet in de ogen.

Of toch te weinig. En als we dat doen, dan zeker niet bij vreemden.

Want wat vreemd is, boezemt angst in. Kio Stark, een Amerikaanse sociologe, schreef er een boek over: When Strangers Meet. Over het plezier van een onverwacht gesprek. Hoe dat de dagelijkse structuur doorbreekt. Hoe het jezelf relativeert. Al leidde ‘ça va’ niet altijd tot een verhaal in de krant, het leidde wel tot erkenning. Vraagt een vreemde je plots ‘oe is’t?’, dan herkent en erkent hij je. Dan ben je even niet alleen. Dan is alles relatief en weet je dat er nog 7,5 miljard anderen zijn.

Stark haalt ook onderzoek aan waaruit blijkt dat zo’n gesprek je gelukkiger maakt. Dat hebben wij gemerkt. Net als de mensen met wie we spraken. Plots hoor je een intiem verhaal, open en bloot, en zijn mensen opgelucht.

Een bakske aardbeien

In Deinze ontmoetten we een jonge sportmonitor met ‘HAPPY’ op zijn arm getatoeëerd. Dit is wat hij zei: “Altijd ben ik iemand geweest, of wilde ik iemand zijn, die ik eigenlijk niet was. Ik was iemand die anderen wilden dat ik was. En ik kwam in een depressie terecht. Praten was zo moeilijk. Ik gleed dieper en dieper weg. Was dat touw niet gebroken, dan kon ik er nu niet over vertellen. Het ging van kwaad naar erger. Automutilatie, dat ook.” Hij sloot af met: “Bedankt om het mij te vragen. Oe is’t? Steeds beter.” Het was stil in onze auto.

Lei Ye, een Chinese in Zelzate. "Ik voel me nog altijd een Chinees in het buitenland. Ik ben een banaan: geel vanbuiten, wit vanbinnen." Beeld jonas lampens

Dat was het ook na de ontmoeting met een vrouw in Bierbeek: “Ik heb nooit liefde gekend, nooit warmte. Het gekwetste kind in mij kwam later nog tot uiting. Ik ging het allemaal anders doen, tja. Ik zou niet scheiden in mijn leven, ho neen. Dan volgt er een harde conclusie: je had andere ouders gewenst. Mensen die je meer liefde gaven, meer steun. Je mag evenwel niet blijven hangen bij die conclusie. Je kunt alleen jezelf troosten.”

Aardbeienverkoper Harry in Diest vat het samen. Twee jaar geleden, langs een drukke steenweg zagen we hem staan. Het was warm die dag. Harry hield ons eerst een beetje op afstand. Maar dan schoof hij het gordijn opzij en gaf een inkijk.

“Ik ben 75 jaar en ik ben dat dik tegen mijn goesting. ‘Oe is’t?’ Moet ik daar eerlijk op antwoorden? Goed en niet goed. Goed, omdat de zon schijnt. En niet goed omdat al die onnozelarij over ‘de schone oude dag’ zever is. Vergeet het, die schone dag. Ik word oud en moet zeven pillen per dag pakken. Doe ik dat niet, dan stuik ik in elkaar. Dag Jan, die schone oude dag.

“In het ‘nu’ leven, dat zeggen ze allemaal de dag van vandaag. En ze hebben nog gelijk ook. Leef maar, doe maar. En als er u op een dag twee vrouwen hetzelfde vragen, moet ge dat doen. Als ge mij begrijpt, hè vriend. Goed geleefd, ja ja. Goed geleefd. Ik zat evenveel naast als op de steenweg. Als ge mij begrijpt, hè vriend.

Aardbeienverkoper Harry Haezevoets in Diest. "Doe wat ge wilt doen", is zijn raad. Beeld jonas lampens

“Doe wat ge wilt doen. Een vijftiental jaar geleden is mijn vader gestorven. Ik stond daar plots naast zijn bed. Hij was klinisch dood. In diezelfde periode is mijn zoon Bert verongelukt. Ja, echt waar, verongelukt. Ik kan er nog altijd niet bij. Zo’n schone, jonge kerel. En ik stond daar, naast mijn zoon. En zie mij hier nu staan, te wenen bij mijn aardbeien. Mijn hele leven overhoop. Ik heb mij een oude Mercedes gekocht. Wilde ik altijd al hebben. Het kon mij geen barst meer schelen.

“Wat is dat hier allemaal. Eerst sta ik te lachen met jullie vraag, met die schonen ouden dag, en nu sta ik te wenen. Dus ja, ik zal nog eens hetzelfde antwoorden op uw vraag, hè vriend. ‘Oe is’t?’ Goed. En niet goed.

Wilt ge een bakske aardbeien?”

‘Oe was’t?’

Het is snel ochtend in Herbeumont. We breken de tent op. MacGyver weet hoe je een werptent opvouwt zonder je geduld te verliezen. De tent komt in de koffer bovenop de flitslichten en fototoestellen te ­liggen, en naast de statieven, ­verdeelstekker en batterijen.

De laatste 250 kilometer van deze rubriek leggen we af in stilte. Brihang, de West-Vlaamse rapper, was meer dan twee jaar vaste klant in de auto. Ook nu. Brihang heeft ook een nummer dat ‘Oe is’t’ heet, en dat zoveel jaar geleden ook kaderde in een campagne van de provincie West-Vlaanderen, opdat ze daar aan de rand van het land wat meer met elkaar zouden praten.

‘Zegget tegen mien of tegen em.

En ik goa lustern, mo gie ziet de boas van je stem.’

Thuisgekomen vraagt mijn ­vriendin: ‘oe was’t?’

Het was fantastisch.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden