Donderdag 02/12/2021

11 september doet Soedanese oorlog kantelen

VS knijpen uit dankbaarheid voor solidariteit oogje dicht voor slachtpartijen van het leger

Koen Vidal

Er is een Soedan van voor 11 september en een van na 11 september. Vóór de aanslagen was het radicale moslimregime van president Al-Bashir een van Amerika's aartsvijanden. Maar sinds vorig jaar staan George W. Bush en Al-Bashir zij aan zij in de strijd tegen het internationale terrorisme. Uit dankbaarheid voor de Soedanese solidariteit knijpen de Amerikanen een oogje dicht bij de slachtpartijen die het centrale leger aanricht in het zuiden van het land.

Al bijna twintig jaar woedt in Soedan een burgeroorlog die het leven kostte aan 1,5 à 2 miljoen mensen en 4 miljoen mensen uit hun huizen verjaagde. De oorlog verloopt chaotisch, met allerlei gewapende splintergroeperingen maar grosso modo kun je zeggen dat er twee grote blokken tegenover elkaar staan: aan de ene kant het regeringsleger van het radicale moslimregime van president Al-Bashir, aan de andere kant de christelijke en zwarte rebellen van het Sudan's People's Liberation Army (SPLA), die onder leiding van John Garang staan. Het conflict is nooit in een beslissende plooi gevallen omdat beide oorlogvoerende partijen erg inventief zijn in hun zoektocht naar wapens en bondgenoten. Zo wordt de SPLA al jaren openlijk gesteund door allerlei Amerikaanse organisaties, gaande van de oerconservatieve beweging van rechtse christenen tot de antislavernijorganisaties van de zwarte Amerikanen. Zowel de Christian right als de black Americans beschikken over voldoende aanhang en politieke armslag om de regering in Washington onder druk te zetten.

In de jaren negentig wordt de Amerikaanse aversie jegens Soedan nog dieper. Dat heeft vooral met terrorisme te maken. Belangrijke terroristische organisaties gebruikten Soedan als uitvalsbasis: Al-Qaeda, Aboe Nidal, de Islamitische Jihad, Hamas en Hezbollah. Die groeperingen hadden in die periode niet enkel trainingskampen in Soedan, ze gebruikten Khartoem ook als basis voor allerlei financiële transacties. Sinds 1993 stond het land op de zwarte lijst van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Osama bin Laden verbleef in Soedan van 1991 tot 1996. Het is dan ook niet verwonderlijk dat enkele van de belangrijkste terroristische aanslagen van de jaren negentig in Khartoem werden gepland: de moordpoging op de Egyptische president Hosni Moebarak en de simultane bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, die het leven kostten aan 224 mensen, waaronder twaalf Amerikanen. Uit wraak voor die aanslagen bombardeerden de VS een fabriek nabij Khartoem waarvan de CIA beweerde dat er chemische wapens werden geproduceerd.

Ondanks hun virulente anti-Soedan-houding zijn de VS er nooit in geslaagd om Khartoem militair te bedreigen. Dat komt omdat de regering van president Al-Bashir kan steunen op machtige bondgenoten als Irak en Libië. De laatste jaren hoeft Al-Bashir trouwens steeds minder terug te vallen op bevriende regimes: dankzij de olie-inkomsten kon de Soedanese regering de jongste jaren niet enkel militair materieel in het buitenland aankopen, maar ook een eigen defensie-industrie uitbouwen. Elke dag ontvangt de overheid 1 miljoen dollar aan olie-inkomsten, precies hetzelfde bedrag dat dagelijks aan de oorlog wordt gespendeerd. De petroleumdollars komen onder andere van het Zweedse bedrijf Lundin Oil en het Canadese Talisman, die in Soedan enkele uitgestrekte olievelden uitbaten. Om de westerse ingenieurs voldoende veiligheidsgaranties te bieden verdreef het regeringsleger op brutale manier tienduizenden burgers uit hun huizen. Honderden dorpen werden daarbij platgebrand. Met de olie-inkomsten kocht Al-Bashir onder andere Chinese Scud-raketten en twintig T55-tanks. Met haar eigen wapenindustrie is de Soedanese regering sinds eind 2000 in staat om zelf kalasjnikovgeweren, munitie, mortieren, tanks en pantserwagens te produceren. De rebellen van het SPLA kregen het steeds moeilijker tegen het hightech leger van de regering. Maar ook in moeilijke tijden kon het SPLA op VS-steun rekenen. Op 13 juni 2001 keurde het Amerikaanse Congres de Sudan Peace Act goed, die op Wall Street genoteerde oliebedrijven verbood om nog langer in Soedan te investeren.

Maar toen kwam 11 september en werd de strijd tegen het internationale terrorisme dé topprioriteit van het Amerikaans buitenlandbeleid. Al-Bashir besefte dat maar al te goed. Hij vreesde dat de Amerikaanse toorn zich niet enkel tegen het Taliban-regime in Afghanistan zou keren maar ook tegen Soedan. In een slimme zet veroordeelde Al-Bashir op 12 september de terroristische aanvallen op de VS en verklaarde hij zijn steun aan president Bush. "Soedan roept op tot internationale solidariteit in de strijd tegen het internationale terrorisme in al zijn vormen." Al-Bashir voegde meteen de daad bij het woord door 300 geheime documenten aan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over te dragen. Amerikaanse inlichtingenofficieren kregen zelfs toegang tot het Soedanese banksysteem, waardoor een aantal financiële transacties van Al-Qaeda uit het verleden konden worden opgespoord.

Dat aan de Soedanese goodwill een prijskaartje hing, werd al snel duidelijk. Op 20 september annuleerde president Bush de Sudan Peace Act, waardoor oliemaatschappijen weer ongehinderd olie mochten boren in Soedan en Khartoem opnieuw miljoenen oliedollars in de oorlog met het zuiden kon pompen. Gevolg: de oorlog in Soedan escaleert opnieuw en deze keer hoeven de Zuid-Soedanese rebellen niet op VS-steun te rekenen. Dat is ook de teneur van een rapport dat de International Crisis Group op 27 juni publiceerde. "De burgeroorlog in Zuid-Soedan, een van de bloedigste conflicten sinds de Tweede Wereldoorlog, bevindt zich in zijn meest destructieve fase ooit. Olie-inkomsten stellen de regering in staat om steeds dodelijkere wapens te kopen waarmee ze meer dan ooit in staat is om mensen uit hun huizen te verjagen." In datzelfde rapport worden de nieuwe legeraankopen van de Soedanese regering opgesomd: Mig29's met Russische en Oekraïense piloten en watervliegtuigen uit Australië, waardoor troepen voortaan ook in moerasgebieden gedropt kunnen worden. Net als de voorgaande jaren gebruikte de regering voedseldroppings als oorlogswapen. Tijdens de maanden april en mei verbood Khartoem alle humanitaire vluchten boven rebellengebied, waardoor 1,7 miljoen mensen plotseling zonder basisvoedsel kwamen te zitten. Als er al vredesbesprekingen tussen de regering en het SPLA plaatsvonden, kregen die slechts beperkte internationale ondersteuning. In augustus leek het er, ondanks alles, even op dat er toch nog een vredesakkoord in de lucht hing. In Kenia ondertekenden de strijdende partijen een protocol dat voorziet in een overgangsperiode van zes jaar. Daarna moet een referendum over de mogelijke secessie van Zuid-Soedan worden gehouden. Maar vorige week bleek dat het hier om een zoveelste schijnmanoeuvre ging. De rebellen veroverden de zuidelijke stad Torit, de regering kondigde vervolgens een algemene mobilisatie af en trok zich terug uit de vredesbesprekingen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234