Dinsdag 03/08/2021

ReportageTunesië

10 jaar na de revolutie zien jongeren in Tunesië de toekomst somber in: ‘We willen allemaal naar Europa’

Omar (17) heeft al drie keer geprobeerd illegaal Italië te bereiken, vanaf dit strand slechts 12 uur varen, maar telkens kreeg zijn boot motorpech. ‘In de zomer probeer ik het opnieuw.’ Beeld Sven Torfinn
Omar (17) heeft al drie keer geprobeerd illegaal Italië te bereiken, vanaf dit strand slechts 12 uur varen, maar telkens kreeg zijn boot motorpech. ‘In de zomer probeer ik het opnieuw.’Beeld Sven Torfinn

Tien jaar geleden maakte een volksopstand een einde aan de dictatuur in Tunesië. Door coronamaatregelen zijn er geen festiviteiten. Een feeststemming is er sowieso niet onder de bevolking, door de economische malaise en hoge werkloosheid. Jongeren vertrekken massaal.

“De zee lijkt hier kalm, maar in Italië is het ruwer weer. Het is dus geen goede dag om te vertrekken.” De smokkelaar – “noem me Kais” – wijst over een kabbelende Middellandse Zee naar de overkant, waar Europa lonkt. Achter hem kwetteren flamingo’s die op hun tussenstop richting het zuiden in groten getale zijn neergestreken op de desolate vlakte langs het strand. Lege bierflesjes en andere rotzooi verraden nachtelijke feestjes van de Tunesische jeugd.

Hier, aan een afgelegen dijk in de kustplaats Sfax waar vissers hun hengel uitwerpen, vertrekken ’s nachts migranten richting Italië. Het zijn niet meer hoofdzakelijk Afrikanen van elders die de oversteek maken naar Lampedusa, twaalf uur varen verderop, maar Tunesiërs zelf. Massaal ontvluchten ze de economische malaise in hun land.

Een record van ruim 12.000 Tunesiërs bereikte in 2019 Italië, een veelvoud daarvan werd onderschept door de kustwacht. Kais heeft zijn ‘service’ tijdelijk stilgelegd omdat de migratiecentra in Italië vol zitten. “Ze sturen alle Tunesiërs nu terug. Ik wacht tot er weer plek is.” Hij ziet zichzelf liever als dienstverlener dan als criminele smokkelaar. “Mensen willen hier weg. Begrijpelijk, want er is hier niets: geen werk, geen vrijheid, geen perspectief. Ik help ze alleen maar.”

Hoe anders schitterde de toekomst op 14 januari 2011, vandaag precies tien jaar geleden, toen de Tunesische president Zine El Abidine Ben Ali na 23 jaar gedwongen opstapte na een kortstondige maar heftige volksopstand. De succesvolle revolutie in Tunesië wakkerde ook het verlangen aan in Egypte, Libië, Syrië en andere Arabische landen om af te rekenen met hun dictators. Het markeerde het begin van de ‘Arabische Lente’.

Jubileum zonder feest

Nu, tien jaar later, is er van festiviteiten geen sprake. Strenge coronarestricties bieden een goed excuus om het jubileum ongemerkt voorbij te laten gaan, van de hoop op een welvarender en vrij Tunesië is immers weinig over. “De economische situatie is erger dan ooit”, zegt de 34-jarige Mohamed Cherif uit Sidi Bouzid, de stad waar op 18 december 2010 de revolutie begon na de zelfverbranding van de fruit- en groenteverkoper Mohamed Bouazizi. Cherif was erbij toen de eerste protesten begonnen en stond als jonge twintiger drie weken lang op de barricaden. “Het was een droom. Het was voor het eerst in ons leven dat we openlijk onze stem konden laten horen. Een muur van angst was gebroken.”

Op dat moment had niemand verwacht dat Ben Ali zo snel zou opstappen. Toen het echt gebeurde, waren werkloze afgestudeerde jongeren als Cherif euforisch. In het nieuwe ‘democratische’ Tunesië werden snel politieke hervormingen doorgevoerd; maatschappelijke organisaties kregen de ruimte, er kwamen gelijke rechten voor vrouwen, persvrijheid, eerlijke rechtspraak en burgers kregen het recht om te demonstreren en te staken – waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Maar de corruptie en de economische situatie, die de jonge Tunesiërs destijds op de been brachten, zijn niet of nauwelijks aangepakt.


Werkloze jongeren in een buurtcafé in de Tunesische kustplaats Sfax. Rechts, met oranje pet, de 25-jarige Ahmed. 'We willen allemaal naar Europa.' Beeld Sven Torfinn
Werkloze jongeren in een buurtcafé in de Tunesische kustplaats Sfax. Rechts, met oranje pet, de 25-jarige Ahmed. 'We willen allemaal naar Europa.'Beeld Sven Torfinn

Werkloze jongeren

Voor veel Tunesische jongeren veranderde er daarom niets. Een derde zit werkloos thuis, de kosten voor levensonderhoud zijn door de hoge inflatie de pan uit gerezen. Ook Cherif is opnieuw werkloos. Door corona verloor hij zijn baan als verzekeringsagent. Ook hij denkt nu aan emigreren. “Ik heb alles geprobeerd om legaal in Europa te kunnen werken, maar het is onmogelijk. Het lukt alleen nog maar om binnen te komen met hulp van een smokkelaar. Blijkbaar hebben ze in Europa liever illegale migranten of terroristen dan mensen zoals ik, met een diploma.”

“We willen allemaal naar Europa”, zegt ook de 25-jarige Ahmed. Hij zit met zijn vrienden spelletjes te spelen op zijn mobiele telefoon in een koffiehuis in een arme buitenwijk van Sfax, waar ook de Tunesische jongen vandaan komt die verantwoordelijk wordt gehouden voor de aanslag eind oktober in een kerk in Nice. “Ik kan een paar uurtjes per week werken bij een groentehandel. Daarmee verdien ik 200 dinar (60 euro) per maand. Hoe kan ik daarvan leven of een gezin stichten? Ik ben al zeven jaar verloofd en elk jaar beloof ik haar dat we gaan trouwen”, zegt hij met een knipoog. De jongens barsten in lachen uit.

Klusjes en cannabis

Net als Ahmed heeft geen van zijn vrienden zijn school afgemaakt. Ze leven van klusjes, hangen in het koffiehuis, roken cannabis of drinken bier. Zonder werk moeten er op andere manieren inkomsten worden verworven. Dus heeft Anouar, ‘de wolf’ zoals zijn vrienden hem gekscherend noemen, vanmorgen nog een kruiwagen gestolen. Hij kreeg er maar 20 dinar ( 6 euro) voor – veel te weinig, vinden de jongens. Maar ze verheugen zich op de zelfgestookte palmwijn waarop ze zichzelf deze middag kunnen trakteren. Op mindere dagen snuiven ze lijm of drinken ze pure alcohol aangelengd met water. “Wat moeten we anders?”, zegt Ahmed. “Er is helemaal niets te doen hier. Zelfs voor jongens met een diploma van de universiteit is er geen werk.”

Voor Hamada Ben Amor (31), beter bekend als de rapper El General die het nummer ‘Rais Lebled’ (‘President van het land’) schreef dat het strijdlied van de revolutie werd, is 14 januari wel een dag om te vieren. De dagen die hij onder Ben Ali's regime in een gevangenis sleet na de verschijning van zijn provocatieve protestsong, zal hij niet snel vergeten.

“We hebben democratie en vrijheid, dat is een groot goed”, zegt hij. “Alleen bleek al snel na de revolutie dat het regime nog steeds hetzelfde is. Vroeger was er één corrupte leider, nu hebben we tal van families die stelen en zichzelf alle baantjes toebedelen. Het is pure maffia. Bij de instituties zie je alleen 60-plussers, die worden opgevolgd door hun zoons. Onze generatie heeft gewoon geen kans gekregen om mee te bouwen aan een nieuw Tunesië.”

Braindrain

El General opende na zijn muzieksucces een koffiehuis tegenover de universiteit, waar hij veelvuldig met studenten spreekt. “Negentig procent van hen heeft geen vertrouwen meer in de toekomst”, schat hij. Dat jongeren naar Europa willen begrijpt hij, al betreurt hij de braindrain die het land verder de afgrond in zal storten. Hij heeft zelfs begrip voor de jongeren die zich aansluiten bij Islamitische Staat – de meeste buitenlandse strijders van IS in Syrië, Irak en Libië kwamen uit Tunesië.

“Er is zoveel onrecht. Jongeren die de kleinste misdaad begaan, gaan zo een jaar de cel in. Als ze eruit komen, zijn ze gebroken en vol woede over de regering. Dan is het heel makkelijk voor fundamentalisten om hen te rekruteren en te hersenspoelen.”

Het diepgewortelde wantrouwen tegenover de overheid is een lastige erfenis van de dictatuur, zegt Midden-Oosten-deskundige Sarah Yerkes van de denktank Carnegie Endowment for International Peace vanuit Washington. “Veel jongeren zijn opgegroeid in een autoritair regime en niet gewend de regering als partner te zien. De nieuwe generatie twintigers is te jong om te weten hoe het was om in onderdrukking te leven. Ze zijn boos en teleurgesteld in plaats van dat ze zich organiseren en hun rol in het land opeisen.”

Yerkes begrijpt de frustratie. “De economische situatie is nu zelfs veel slechter dan toen. De kans om buitenlandse investeerders aan te trekken of ondernemerschap te stimuleren, hebben de opeenvolgende democratisch verkozen regeringen laten liggen. Maar het is niet te laat. Tunesië is een jonge democratie, het kost nu eenmaal tijd om volwassen te worden.”

Mooie villa's

Veel jongeren in Tunesië willen daar niet meer op wachten. In de olijfregio rond het dorpje Biliana, 25 kilometer ten noordwesten van Sfax, is de helft van de jongeren al vertrokken naar Europa. Jonge mannen hangen op straat, waar verkopers op motorfietsen handel drijven. Twee mekkerende schapen wachten voor de deur van de slager om geslacht te worden.

In een winkel met tweedehands kleding vertelt eigenaresse Saida dat haar drie oudste zoons (20, 17 en 16 jaar) allemaal naar Italië willen. “Ik vind het niet leuk, maar ik snap het”, zegt ze als ze liefdevol over het hoofd van haar jongste zoontje aait. “Er is hier niets voor hen. Ze hebben allemaal een diploma op zak, maar er is gewoon geen werk. Kijk naar die mooie villa’s hier die Tunesiërs bouwen met geld dat ze in Italië of Frankrijk hebben verdiend”, zegt ze als ze de straat in wijst. “Dat willen mijn jongens ook.”

Omar, de middelste zoon van 17, is vorige week nog op een bootje naar Italië gestapt, en niet voor de eerste keer. Op het nabijgelegen strand laat de stoere tiener zien hoe hij ’s nachts wachtte tot een rubberen boot verscheen en een groep migranten uit het donker vanonder de olijfbomen opdook.

“Ik wist mezelf in de groep te voegen en ging aan boord. Maar al snel begaf de motor het. Ik wilde niet wachten tot we werden gered en ben teruggezwommen”, vertelt hij achteloos en niet zonder trots. In de zomer gaat hij het weer proberen, al moet hij weer elke nacht op een kans wachten. “Hier is niets. Ons land is dood. Wat heb ik te verliezen? Bovendien ben ik minderjarig. In Italië sturen ze me niet terug.”

Versterkte kustwacht

Om de migrantenstroom uit Tunesië te stoppen, hebben Italië en Frankrijk nieuwe afspraken gemaakt. In ruil voor extra geld en versterking van de kustwacht kunnen ze migranten na aankomst direct terugsturen naar Tunesië. Maar in de praktijk gebeurt dat lang niet altijd. “Het is een loterij”, zegt smokkelaar Kais. “Soms word je teruggestuurd, maar vaak ook niet. Sinds corona zijn het bovendien steeds vaker stelletjes of zelfs hele gezinnen die vertrekken. Die sturen ze zeker niet terug.”

Eenmaal in Italië ontsnappen de meeste Tunesiërs aan het oog van de autoriteiten en gaan ze geld verdienen als illegale arbeider in de bouw, de landbouw of met “riskantere zaakjes”, waarmee Kais op drugshandel doelt. Komende zomer gaat hij zelf maar eens naar Italië, mijmert hij als hij over de zee staart. “Twee of drie riskante zaakjes en ik heb genoeg geld om terug naar huis te gaan.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234