Boomtown met Flying Horseman (****), Strand (***) en Hydrogen Sea (***)

6 ©Alex Vanhee

Van de stad over het strand naar een circusparadijs. Boomtown bleek donderdagavond een maat te klein voor de trektocht die de artiesten van Unday Records hadden uitgestippeld. Meer dan Nederlandstalig verdriet, een cover van Massive Attack en grootstedelijke onrust had je gelukkig niet nodig voor deze trip.

Op City Same City houdt Bert Dockx van Flying Horseman (****) zowel de stad als zijn eigen liefdesverdriet tegen het licht. Vrolijk wordt een mens niet van zijn donkere ontboezemingen op een zomerse dag, maar toch liet je jezelf graag inkapselen in de emotionele onderwereld van deze Antwerpenaar. Al was het maar omdat er zo'n uniek geluidsbehang plakt in zijn hartkamers.

Eerder schreven we al eens: "Flying Horseman klinkt alsof Woven Hand en Ennio Morricone hun tenten aan een desolate Afrikaanse kustlijn zouden opzetten." Maar daarmee lijk je nog niet eens tot de kern van de groep te kunnen raken.

In hun sound heerste voortdurend de stille dreiging van postrock en de zinderende opwinding van jazz, maar net zo goed kon je zo een trillende horizon en loden zon inbeelden bij het voortreffelijke gitaarspel van Dockx.

Flying Horseman ©Alex Vanhee

In de finale van 'Landlord' daverde de Handelsbeurs dan weer onder een op hol geslagen locomotiefkadans van drummer Alfredo Bravo: hij zorgde voor het bonzende hartritme onder deze krauttrip met omineuze bas en gitaarfeedback.

Die song eindigde met het mantra "paint the walls blue", maar zelf werd je dan weer bont en blauw gemept in de oudere songs 'America is Dead' en 'Bitter Storm'. Die eerste gold als een spookachtig hoogtepunt in de set, maar werd gelijmd aan een wrange aanklacht waarbij Dockx met een vinger beschuldigend in het ijle wees: "Stop crying over Africa," siste hij het starende publiek toe. Of hoe onbehagen en hypnose niet uit te sluiten vallen bij Flying Horseman.

Ook de backings van de zusjes Mahieu klonken alweer net zo onmisbaar in de set, als de donkere nacht vol demonen is in de songs van Dockx.

Flying Horseman ©Alex Vanhee

"I stay down with my demons", mompelde The National twee uur eerder ook al godverlaten door de boxen in de grote zaal van de Handelsbeurs. Dockx had zich daarmee geen betere inleiding kunnen wensen voor zijn soloconcert. De bezieler van Flying Horseman en Dans Dans stelde namelijk ook zijn Nederlandstalige soloproject Strand (***) voor, en die akoestische songs bleken net als in 'Demons' de optelsom van ingetoomde kwelgeesten, slapeloze nachten en onpeilbare eenzaamheid.

Een korte strandwandeling leverde alleszins een donkere bloemlezing op. "Ik ben de wind die huilt in het paradijs", zong Dockx ergens op fluistertoon. Elders drapeerde zijn donkerbruine bariton zich over "de zeven levens van een traan", smeekte hij om de "schimmen te laten verdwijnen", verdwaalde hij 's nachts "in een vreemd, onveilig land" en sprak hij over "gebonk aan de binnenkant".

Een zin die letterlijk uit zijn gemoed gegrepen leek: doodzenuwachtig begroette Dockx het publiek in een haast volledig verduisterde Handelsbeurs. "Het is keigoe weer buiten," klonk het zelfs verontschuldigend. Wie zich niet liet overhalen om zonniger oorden op te zoeken, kreeg daarna ook nog eens een akelig intens 'Haat' in de oren gekerfd: een instrumentaal nummer, waarin een knappe melodie steeds heviger en agressiever werd aangezet, als weerzin die langzaam opborrelde en uitbarstte.

Strand ©Alex Vanhee

Bij momenten deed Strand denken aan Wannes Van de Velde ('Niemand is te Koop'), maar het expressieve, jazzy gitaarspel van Dockx leunde dan weer vaker aan bij de stijl van Flying Horseman. Alleen ontbrak de show eenzelfde vaart.

Zo moest zijn gitaar voortdurend opnieuw gestemd worden ("een ambetant, oud krel") en klonk de bedremmelde toon in zijn bindteksten vaak nogal knullig. Ook een teleurstellend onhandig gebrachte afsluiter deed vermoeden dat er nog wat werk aan de winkel is vooraleer dit solovehikel van Bert Dockx écht potten breekt op het podium. Maar wie de romantiek van een zeemansgraf en een nachtelijk zicht op vuurtorens genegen is, zit dit najaar gebeiteld bij de eerste langspeler van Strand.

Hydrogen Sea ©Alex Vanhee

Hydrogen Sea (***) stelde het op zijn beurt met de subtiele entente tussen jongen en meisje. Dit Brusselse duo steunde daarbij voornamelijk op elektronica en de soezerige stem van Birsen Uçar. Die porseleinen verschijning werd voorzichtig omzwachteld door toedoen van haar vriend PJ Seaux. Deze schaduwmuzikant bij Selah Sue, Sioen of Reena Riot leek voortdurend druk in de weer op het podium, maar sprong in zijn geluidsdesign toch zuinig genoeg om met toetsen, elektrische gitaar en digitale effecten.

Hun cover van Massive Attacks 'Paradise Circus' toonde niet alleen waar Hydrogen Sea de mosterd haalde voor zijn eigen sound, maar etaleerde ook heel wat durf en inzicht. Elders dreef je dan weer mee op de naïeve amour fou van Uçar: "To the end I will follow you", hoorde je haar bijvoorbeeld als een schoolmeisje smachten. Goed, het etherische geflirt in hun teksten klonk soms wat melig ("meet the forest, meet the sunshine, meet the moonlight") maar met een mysterieus en verstild 'End Up' bleek de groep alvast één tijdloos nummer op zak te hebben.

Hydrogen Sea ©Alex Vanhee

nieuws