Donderdag 27/06/2019

Opinie Bregje Hofstede

Wie de kerken niet eert, is de kathedralen niet weerd

Beeld REUTERS

Bregje Hofstede (1988) is de auteur van De hemel boven Parijs en Drift. Ze schrijft onder andere voor De Correspondent.

Notre-Dame brandt af. Het is dramatisch en schokkend om te zien, die oude reuzin met een felrood gutsende wond in de buik. Daarna: het zwartgeblakerde skelet. Het zijn plaatjes die ik associeer met steden na een bombardement.

Een vernieling is des te schokkender naarmate het oude beeld ons meer vertrouwd is, en er zijn weinig gebouwen zo vaak gefotografeerd als dit, de grande dame van het stadsgezicht, het gelaat van Parijs en bij extensie van een romantisch verleden. 

President Macron liet weten dat hij triest was “dit deel van ons te zien branden”. Notre-Dame, dat is Frankrijk, en meer nog: het oude, christelijke Europa. Dat blijkt ook uit de reacties. Nu al is er een klein miljard gedoneerd. EU-voorzitter Donald Tusk riep de lidstaten op te hulp te schieten, en Macron beloofde zijn natie om het monument binnen vijf jaar te herbouwen, “mooier nog dan ooit”. Geld speelt geen rol, zegt de minister van Cultuur, voor de eerste en enige keer in zijn loopbaan.

Notre-Dame is al eerder gered omdat ze tot symbool gebombardeerd werd. Begin negentiende eeuw was de kathedraal in zo’n slechte staat dat de gemeente Parijs overwoog haar te slopen. Maar toen, in 1831, kwam Victor Hugo met zijn roman De klokkenluider van de Notre-Dame, en maakte met behulp van de gebochelde Quasimodo de oude kathedraal tot hét romantische zinnebeeld van de vervlogen middeleeuwen. 

Het succes van Hugo’s roman keerde het tij en Notre-Dame werd intensief gerestaureerd. ‘Mooier dan ooit’ werd ze ook toen al: het monument dat wij kennen, is de negentiende-eeuwse versie van een middeleeuwse kathedraal, fantasievol opgekalefaterd volgens de romantische visie van architect Viollet-le-Duc, die bijvoorbeeld de beroemde waterspuwers toevoegde. Dat is een bekend patroon: het Haagse Binnenhof en de Grote Markt van Brussel bijvoorbeeld zijn ook in de negentiende eeuw gerestaureerd richting een idyllische geschiedenis die nooit zo heeft bestaan. Ze dragen méér dan hun eigen verleden, als pars pro toto voor een nationale historie.

Dat iets een symbool is, wil niet zeggen dat het hol is. Integendeel. De Notre-Dame betekent echt veel voor mensen. “Alsof je je familiealbum ziet branden”, zei een Parijzenaar. “Het is mijn huis, mijn lieve oma”, zei een ander. 

 Maar wel de oma bij wie je nooit op bezoek gaat.

Symbolen staan ergens voor. Ze geven zichtbaarheid, maar ontnemen ons in dezelfde beweging ook het zicht op de categorie waar ze voor staan. In dit geval: het religieuze erfgoed in het algemeen. In heel Frankrijk, en in heel Europa, staat dat te verkommeren, zo goed als onzichtbaar en nauwelijks beklaagd. Kerken lopen leeg, gedecimeerde parochies kunnen de onderhoudskosten niet langer ophoesten. Draagbare kunstschatten worden gestolen, want het alziende oog gaat overal toe.

Bregje Hofstede. Beeld Joris Casaer

De organisatie die zich inzet voor het behoud van Europa’s religieuze erfgoed, Future for Religious Heritage, leidt in Brussel een vrij geruisloos bestaan. Vorig jaar organiseerden ze in Parijs een conferentie om nog maar eens te hameren op het belang van dat verkommerende erfgoed. Dat belang is ook sociaal. In veel kleinere gemeentes vormen gebedshuizen de laatste publieke ontmoetingsplaats, de plek waar geboortes, huwelijken en voltooide levens worden gevierd. Ook seculiere Europeanen hechten aan die plekken, en vier op de vijf zouden willen dat ze vaker werden gebruikt. Sommige gebouwen worden dan ook (deels) herbestemd, tot cafétjes, boekhandels, postkantoren, buurtcentra. Maar herbestemming is duur, en wie tast er in de buidel voor iets onspectaculairs?

Er worden op slag miljoenen uitgetrokken voor het symbool van ons religieuze erfgoed – en de grootste toeristische trekpleister van Europa – maar niet voor het corpus zelf. Dat symbool wordt telkens ‘mooier nog dan ooit’ – terwijl datgene waar het symbool voor stáát, en waar het de aandacht op moest vestigen, almaar verder aftakelt. Dát is notre drame.

Maandagavond, terwijl de brandende torenspits ineenzeeg, reisde een vriend van mij toevallig door Zuid-Frankrijk. “Er hangen overal vlaggen uit, is het een feestdag of zo?” appte hij. “Misschien is het voor Notre-Dame”, antwoordde ik. Het was even stil, en toen schreef hij: “Wow. Ik dacht eerst even: een aanslag?”

Die reactie vond ik veelzeggend. We horen eindeloos over de vreemde invloeden die onze cultuur zouden bedreigen, maar wat haar nekt, is onze eigen onverschilligheid – voor alles behalve het symbool.

Als atheïst zal ik niet snel roepen: terug de kerkbanken in. Maar dat de brand van Notre-Dame zoveel mensen raakt, duidt mijns inziens op een latente behoefte; op het belang dat velen hechten aan die nooit bezochte oma, aan erfgoed en geschiedenis. Op zich is dat iets hoopvols. Maar dan moet de reactie niet stranden bij symboolpolitiek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden