Dinsdag 19/11/2019

Opinie

Wat de Afrikaanse politiek ons kan leren over de Brusselse politiek

Kristof Titeca Beeld rv

Een reeks corruptieschandalen hebben de voorbije maanden uitgebreid de media gehaald, maar het is vooral het corruptieschandaal in Brussel dat bleef hangen: burgemeester Ivan Mayeur had, samen met Pascal Peraïta, een financieel system opgezet waarbij elk van hen ongeveer 112,000 euro opstreek voor vergaderingen die nooit hadden plaatsgevonden. Het opvallendste was natuurlijk dat dit plaatsvond binnen Samusocial, het Brusselse agentschap voor daklozen.

Ondoorzichtigheid en het politiek gebruik hiervan door ‘big men’.

We weten allemaal dat België een ingewikkelde politieke structuur heeft, met Brussel als epicentrum hiervan, goed voor een karrevracht aan instellingen en actoren: een parlement en regering, 19 autonome gemeentes, 6 politiezone’s, en 33 huisvestingsmaatschappijen. Samen heeft Brussel 166 ministers, burgemeesters en schepenen, wat meer is dan Berlijn (71) en Parijs (42) samen. Het Belgische pacificatiemodel – dat een consensus moet tewerkstellen tussen de verschillende gemeenschappen - ligt dan ook aan de grondslag van dit lappendeken van instituties en mandaten.

Echter, deze situatie heeft de weg geëffend voor een reeks corrupte praktijken. En de politiek in sub-Sahara Afrika kan ons helpen dit te verklaren.

Eind jaren 90 publiceerden politieke wetenschappers Patrick Chabal en Jean-Pascal Daloz hun boek ‘Afrika werkt’, waarin ze stelden dat wanorde als instrument gebruikt kan worden door politieke elites in sub-Sahara Afrika. Het boek, dat snel controversieel werd in de wetenschappelijke studie van Afrika, argumenteert dat Afrikaanse politieke leiders wanorde gebruiken in hun voordeel. De (wetenschappelijke en populaire) term die gebruikt wordt om deze leiders te beschrijven is ‘big men’: invloedrijke figuren die hun achterband aan zich binden door het verzamelen en herverdelen van macht, fondsen, contracten, en dergelijke meer.

Het is net hier dat de studie van Afrika interessant wordt, daar ze kan helpen om de situatie in Brussel beter te verstaan.

Centraal in het Brussels bestuur is de complexiteit van de verschillende instellingen en mandaten, wat een hoge graad van bureaucratische rompslomp en verwarring heeft gecreëerd. Niet enkel voor politici, maar ook in het dagelijkste leven. Een frappant voorbeeld hiervan is dat een dakloze bij het Brussels Noordstation door drie verschillende gemeentes en OCMW ’s geholpen kan worden, afhankelijk van de bank waarop hij slaapt.

Deze situatie heeft geleid tot het soort wanorde die Chabal and Daloz beschrijven: publieke diensten in Brussel worden geleverd door ongeveer 200 diensten en 1400 werknemers. Voor buitenstaanders is deze situatie uiterst ondoorzichtig, en dan ook zeer moeilijk te controleren. Ook voor vele insiders is dit een doolhof; maar dan wel een doolhof dat politieke machthebbers kunnen gebruiken om een ganse reeks van mandaten te verzamelen en verdelen. De Brusselse bureaucratie is dan ook een ideale bron van clientelisme.

Dit brengt ons terug bij Samusocial, dat bovenstaande dynamieken perfect illustreert, en waar een ganse reeks praktijken aan het licht kwamen die verborgen bleven voor een groot deel van de Brusselse politieke partijen en bevolking. Bijvoorbeeld, dat het salaris van Pareita bijna even hoog was als dat van Michel, of dat familieleden tewerkgesteld waren in Samusocial. Intussen blijven er dergelijke mechanismen naar buiten komen, zowel binnen als buiten Samusocial. .

Met andere woorden, binnen deze situatie van wanorde en ondoorzichtigheid geeft politieke macht toegang tot een ganse reeks van middelen, mandaten en instellingen. Dit laat niet enkel toe om zijn individuele macht verder uit te breiden, maar ook om cliëntelistische netwerken verder uit te bouwen. De burgemeesters van de Brusselse gemeentes heten dan ook niets voor niets ‘baronnen’, door de macht die ze uitoefenen op hun grondgebied.

Belangrijk is dat deze clientelistische netwerken tweerichtingsverkeer zijn: heel wat mensen zijn afhankelijk van deze ‘big men’ voor huisvesting, jobs, of een ander voordeel. Dergelijke dienstverlening is dan ook cruciaal voor de herverkiezing van deze politieke elites. Met andere woorden, deze ‘baronnen’ kunnen gezien worden als de Brusselse versie van Afrikaanse ‘big men’.

Maar deze complexiteit maakt het veel moeilijker om problemen aan te pakken.

Door deze fragementatie en complexiteit focussen alle politieke actoren hoofdzakelijk op hun eigen grondgebied, wat vaak erg klein is. Dit is vooral het geval voor de 19 Brusselse gemeentes, en maakt dat meer globale problemen veel moeilijker aan te pakken zijn – een debat dat na de aanslagen in Parijs ten volle gevoerd werd, vooral met betrekking tot de éénmaking van de 6 Brusselse politiezones. Daar waar dit vaak wordt gezien als een reden voor het bemoeilijken van een effectief en uniform beleid, is dit al lang een communautaire strijdpunt. Wanneer de Vlaamse politieke partijen in het Brussels parlement unaniem suggereerden om de politiemacht één te maken (in lijn met bijvoorbeeld Londen), werd dit door de Franstalige partijen unaniem afgekeurd (en door de fractieleider van CDH als een communautair-politieke instrumentalisering van de slachtoffers in Parijs beschouwd). Met andere woorden: het belang van etnische identiteiten – zowel in België als in Afrika – maakt hervorming heel moeilijk.

Na Mayeur’s gedwongen ontslag nam de PS heel wat maatregelen om dergelijke praktijken in te dijken, vooral met betrekking tot het cumuleren van mandaten.

Betekent dit dat het system fundamenteel is veranderd? In hun ‘politiek van de wanorde’ stellen Chabal en Daloz dat een regimewissel niet noodzakelijk leidt tot een nieuw systeem: de nieuwe ‘big man’ gebruikt zijn macht om het oude systeem simpelweg verder te zetten - met name het verzamelen van macht en middelen, om deze op zijn beurt terug aan zijn achterban te verdelen. De benoeming van Philip Close als nieuwe burgemeester is in dat geval eerder symbolisch: daar zowel hij als waarnemend burgemeester Faouzia Hariche een recordaantal mandaten hadden bij hun aanstelling, lijken ze eerder een verderzetting van dit oude systeem. Het Hof van Beroep oordeelde bijvoorbeeld recent dat de stad Brussel (en dus Close) niet onpartijdig kon zijn bij het toewijzen van het Koninklijk Circus aan de vzw Brussels Expo (voorgezeten door Close). Terzelfdertijd werd recent aangekondigd dat 40% van de mandaten en 20% van de structuren zullen verdwijnen – en dus ook bronnen van cliëntelisme. Zou het dan toch mogelijk zijn om de ‘Big Man’, en het systeem op dewelke berust te vervangen?

Al bij al, wat dit aantoont is dat Afrikaanse politiek nog niet zo exotisch is. En als dit al zo is, is onze politiek dat zeker.

Dit is een door de auteur bewerkte versie van een bijdrage die eerder in The Washington Post  is verschenen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234