Vrijdag 10/07/2020

Opinie

Waarom we de term 'radicalisering' beter weggooien

Mattias De Backer.Beeld rv

Mattias De Backer is onderzoeker aan de KU Leuven.

Eerder deze week waarschuwde de Staatsveiligheid voor het gevaar van extreemrechtse en -linkse burgerwachten in ons land. De Washington Post berichtte onlangs ook over Italiaanse extreemrechtse milities, die in Oekraïne aan de zijde van de Russen hadden gevochten en nu dreigen terug te keren naar hun land. In beide gevallen werd het woord 'radicalisering' niet gebruikt. Dit selectief weglaten is veelzeggend.

In de loop van de jaren 2000 verschoof de beleidsfocus gradueel van 'terrorisme' naar 'radicalisering' als gevolg van het toenemend aantal aanslagen door daders van bij ons: uit achterstandswijken van onze steden. Maar er zijn meer en meer redenen om die term te mijden.

Problematische term

Eerst en vooral weten we uit het onderzoek van de voorbije jaren dat we nog steeds heel weinig weten over radicalisering en dat er bitter weinig consensus is over types van daders of over de grondoorzaken. Het is een complexe puzzel: elke dader is anders, vele factoren spelen in wisselende constellaties een rol. Hoe vanzelfsprekend de term wordt gebruikt in het publieke debat, zo moeilijk ligt hij in het bestaande onderzoek.

Desondanks wordt op dit drijfzand van troebel inzicht en begripsverwarring een batterij aan beleidsinitiatieven opgestart, waarbij overheden en hun instellingen al te vaak geen onderscheid maken tussen radicale ideeën enerzijds en bereidheid tot geweld anderzijds. Nochtans wordt in onze liberale rechtsstaat nog steeds grondwettelijk bepaald dat burgers de vrijheid hebben om eender welke (en dus ook een extreme) overtuiging te hebben.

Massala persbelangstelling voor het proces van de terrorist Abdeslam in Brussel.Beeld BELGA

Radicalisering radicaliseert

Verder wordt in de strijd tegen radicalisering een ruw sleepnet gebruikt. Denken we maar aan het Britse Prevent-programma, waarin sociaal werkers en gemeenschapsverenigingen worden ingeschakeld. Die komen daardoor in een dubieuze ethische situatie terecht: hoe kies je tussen je deontologische code en dus je professionele geloofwaardigheid bij de lokale gemeenschap en je plicht om informatie door te spelen aan de ordediensten? Op die manier worden safe spaces verdacht gemaakt en wordt sociaal werk herleid tot voelsprieten van de Staatsveiligheid. Het radicaliseringsdiscours radicaliseert met andere woorden zelf, zo argumenteerden we al eerder in deze krant (DM 2/6). Het genereert een helse machine van verdachtmaking, controle en vrijheidsberoving. Want hoe een situatie benoemd wordt, bepaalt hoe er wordt gehandeld.

Bepaalde groepen (in casu vooral moslims) worden gestigmatiseerd en hun geloof wordt verdacht gemaakt, al was het maar omdat de term zelden of nooit wordt gebruikt wanneer het gaat over andere vormen van extremisme. Het is overigens bepaald onzeker in welke mate religieuze motieven altijd een essentiële rol spelen bij aanslagen of bij daders die “geradicaliseerd” worden genoemd. Zo kunnen we ons vragen stellen bij het liederlijke drugsleven van de broers Abdeslam of bij het feit dat Fouad B, die vast zat voor terrorisme en de schutter in Luik zou hebben geradicaliseerd, in volle ramadan whisky drinkt (DM 6/7).

Collectief

In beleids- en onderzoeksteksten door de Europese Commissie zien we gelukkig een kentering. Hier wordt radicalisering gebruikt om het te hebben over extremisme aan alle kanten van het spectrum. Toch ontwaren we ook in deze aanpak nog een belangrijke lacune. Zolang we radicalisering begrijpen als een louter individueel probleem slaan we de bal mis en ontkennen we elk maatschappelijk aandeel in gevallen van radicalisering. Het fenomeen vindt namelijk plaats in een maatschappelijke context: er is niet alleen individuele maar ook collectieve radicalisering en polarisatie.

Met andere woorden, als andere vormen van radicalisering niet aldus worden benoemd en als de collectieve verantwoordelijkheid consequent onderbelicht blijft, gooien we de term beter weg wegens onbruikbaar, onwetenschappelijk en stigmatiserend.

Mattias De Backer (KU Leuven), Ivo Aertsen (KU Leuven), Erik Claes (Odisee Hogeschool), Hassan Bousetta (ULg) en Baldwin Van Gorp (KU Leuven) en Abdel Zouzoula (Terrains d'Aventure) voeren momenteel in Brussel en Verviers onderzoek naar radicalisering en de impact van dit discours op het terrein.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234