Vrijdag 15/11/2019

Kernkabinet

Waarom een kandidaat van een bepaald geslacht bij een sollicitatie nooit automatisch voorrang mag krijgen

Jet Bussemaker, de Nederlandse minister die honderd extra vrouwelijke ‘professoren’ wil aanwerven. Beeld ANP

De minister van Onderwijs in Nederland wil honderd extra vrouwelijke ‘professoren’ aanwerven voor het hoger en universitair onderwijs. De rechtspraak zegt echter duidelijk dat geen enkele positie uitsluitend mag openstaan voor kandidaten van een enkel geslacht. Waarom dan tóch dit plan?, vraagt Jogchum Vrielink zich af.

Honderd extra vrouwelijke hoogleraren en hoofddocenten. Die gaat de Nederlandse minister van Onderwijs en Wetenschap Jet Bussemaker nog dit jaar aanwerven, “want vanzelf gaat die emancipatie veel te langzaam”.

Columniste Asha ten Broeke maakte hetzelfde punt wat plastischer: “Het gaat in onze intellectuele bolwerken gewoonweg niet rap genoeg met de piemelloze inauguraties.”

Het ministerie betaalt: het stelt 5 miljoen euro beschikbaar om nieuwe functies die door vrouwen worden ingevuld of vervangingen van mannen door vrouwen vijf jaar te financieren. Daarna moeten de universiteiten de kosten zelf op zich nemen.

De loopbaan van vrouwelijke academici verloopt ontegenzeggelijk moeizamer dan die van hun mannelijke tegenhangers. Dat is ook in België zo. Vooral bij het beklimmen van de carrièreladder is er meer uitval bij vrouwen: hoe hoger in de ivoren toren, hoe minder vrouwen – een fenomeen dat bekendstaat als de ‘lekkende pijplijn’ (leaky pipeline).

Jogchum Vrielink maakt deel uit van ons 'kernkabinet', een groep van vier jonge denkers die beurtelings een essay schrijven voor 'Zeno'. Beeld rv

In Vlaanderen ontwikkelde het percentage vrouwen binnen het totale proffenbestand zich van 10,7 procent in 1992, over 20,2 procent in 2010, naar 25,6 procent in 2016. Op de hoogste rang van de proffenladder, die van de gewoon hoogleraren, lag het percentage in 2016 op slechts 14 procent. De Nederlandse situatie is vergelijkbaar, met 18 procent vrouwelijke hoogleraren, 39 procent op docentniveau en 26 procent bij de hoofddocenten.

‘Zachte’ maatregelen om die ondervertegenwoordiging aan te pakken, leveren volgens sommigen te weinig of onvoldoende snel resultaat op. Vandaar dat nogal wat overheden en universiteiten in het buitenland overschakelen op meer drastische middelen: het voorbehouden van beurzen, premies en (andere) tijdelijke of vaste aanstellingen exclusief aan vrouwelijke kandidaten. Het jongste Nederlandse initiatief is daar een voorbeeld van.

Ook in België en Vlaanderen gaan soms stemmen op om daarvoor te kiezen. Als men het doet in het buitenland, waarom dan hier niet? Nu is dat in tijden van Trump geen ijzersterk argument, maar ook los daarvan is de voorafgaande vraag of zulke maatregelen eigenlijk wel mógen, juridisch gezien.

Zoals wel vaker het geval is in het recht, zijn op die vraag verschillende antwoorden mogelijk, meer bepaald: a) Nee; b). Natuurlijk niet; en c) Vanzelfsprekend niet.

Moge de beste m/v/x winnen

Het Europees recht is hier het belangrijkste kader. Het voorbehouden van academische posities aan vrouwen valt binnen het toepassingsgebied van het Europees verbod op geslachtsdiscriminatie en de binnenlandse implementatieregelgeving.

De start van het academisch jaar in Leuven. Beeld Bob Van Mol

Het uitgangspunt van die regels is een verbod op elk geslachtsonderscheid. Maar de regelgeving aanvaardt tegelijk dat ‘positieve actie’ mag. Dat wil zeggen: maatregelen “bedoeld om de nadelen die een groep personen van een bepaald geslacht ondervindt, te voorkomen of te compenseren”.

Alles oké dus, met die extra ‘vrouwenfinanciering’ in Nederland? Nee, want positieve actie moet voldoen aan strikte voorwaarden, naar vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Voor het Hof mag een voorrangsregeling alleen bij gelijke kwalificatie van kandidaten (tie-breaker preference) en zélfs dan moet er een ‘ontsnappingsclausule’ zijn; een saving clause, die waarborgt dat rekening wordt gehouden met de individuele situatie van alle kandidaten, ongeacht geslacht.

Een regeling mag nooit automatisch voorrang verlenen aan een kandidaat van een bepaald geslacht. Laat staan dat een positie of financieringsvorm uitsluitend zou mogen openstaan voor kandidaten van een enkel geslacht.

Die beginselen worden onverkort toegepast op positieve actie in het hoger en universitair onderwijs.

Zo sprak het Hof van Justitie zich in de zaak-Abrahamsson (2000) uit over een regeling die het mogelijk (dus zelfs niet verplicht) maakte voor Zweedse hogescholen en universiteiten om te kiezen voor een sollicitant van het ondervertegenwoordigde geslacht, zodra die voldoende kwalificaties had.

De maatregel kende geen genade in de ogen van het Hof van Justitie, omdat die het mogelijk maakte dat de gekozen sollicitant “qua verdiensten onderdoet voor een sollicitant van het andere geslacht”. En dat mag dus niet.

Ook het EVA-Hof oordeelde al over academische vrouwenvoorrang. Het EVA-Hof, voor het geval u even niet meer mee bent, is het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie, een supranationale rechtsprekende instantie met rechtsmacht in de lidstaten van die associatie: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

In 2003 moest het EVA-hof oordelen over Noorse wetgeving die 40 postdoctorale beurzen ter beschikking stelde van universiteiten, uitsluitend voor vrouwen. Op basis van die regeling reserveerde de universiteit van Oslo een aantal tijdelijke en permanente academische mandaten voor vrouwen.

Ter verantwoording stelden de overheid en de universiteit – net als de Nederlandse minister – dat formele gelijke behandeling niet genoeg was gebleken om ook echte gelijkheid in universiteiten tot stand te brengen.

Het EVA-Hof maakte korte metten met die redenering. De rechters stelden vast dat de Noorse situatie nog verder ging dan de Zweedse regeling, die ook al onwettig was. De Zweedse maatregel voorzag ten minste nog een selectie met beoordeling van alle kandidaten. Hier was zelfs dat niet aan de orde.

Het Hof besloot dan ook dat de Noorse regeling a fortiori discrimineerde.

‘Extra’ functies bestaan niet

Maar maakt het dan niet uit of het gaat om extra functies, die anders niet hadden bestaan?

In beide zaken die ik net besprak, was dat argument aangevoerd door de overheid: er kon geen sprake zijn van discriminatie, omdat het ging om nieuwe en extra posities. Mannen werden er dus zogezegd niet door in een nadeliger positie gebracht dan wanneer die plaatsen gewoon niet gecreëerd zouden zijn.

Volgens de hoogste rechtscolleges was die redenering weinig meer dan een kunstgreep. Zo wezen de rechters op het feit dat het erg onwaarschijnlijk was dat de nieuwe posities gecreëerd werden zonder enige evaluatie van het bestaande kader en zonder rekening te houden met toekomstige behoeften.

Op die manier had het voorbehouden van de ‘extra’ posities aan vrouwen wel degelijk “een impact op het aantal toekomstige vacatures die openstaan voor mannelijke kandidaten in elk domein waarin de regeling werd toegepast”.

Kortom, academische posities voorbehouden aan vrouwelijke kandidaten mag juridisch niet, in de huidige stand van het recht. In de rest van Europa is dat niet anders.

Waarom zijn er dan toch landen – waaronder Nederland – die zulke voorrangsregelingen behouden of invoeren?

Zouden die overheden of universiteiten de regels gewoon niet kennen? Niets is onmogelijk, maar het lijkt wel ongeveer even waarschijnlijk als het feit dat er een Boeing 747 neerstort op uw huis, terwijl u dit leest én dat u het bovendien overleeft. De criteria voor positieve actie zijn ruim bekend, en overheden en universiteiten beschikken over uitstekende juridische adviseurs.

De meer plausibele, zij het ook cynischer, verklaring is het gebrek aan risico dat het moedwillig schenden van de regels oplevert (terzijde: als er één ding deprimerender is dan mijn eigen cynisme, dan is het wel het feit dat de werkelijkheid doorgaans nóg cynischer blijkt). In de praktijk stellen mannen vrijwel nooit juridische procedures in tegen onwettige voorrangsregelingen.

Voor sommigen is dat omdat ze de maatregelen principieel ondersteunen. Maar vaker houdt het verband met angst. Angst dat men, na zo’n procedure, sowieso niet meer benoemd wordt, noch op de ‘opengebroken’ positie die alleen voor vrouwen bestemd was, noch op posities die ook voor mannen openstaan.

Niemand houdt van ‘onruststokers’. Ironisch genoeg is die angst voor represailles exact wat maakt dat ook andere groepen vaak geen beroep doen op discriminatiewetgeving. Radicale voorvechters van gelijkheid bezondigen zich zo aan datgene wat ze zelf (terecht) laken en bestrijden.

Dat is des te pijnlijker daar de mannen ten koste van wie de ‘compenserende’ posities worden toegekend bij uitstek niet verantwoordelijk zijn voor de bestaande ongelijkheid in de academische wereld.

Hoe de pijplijn te dichten?

Met dat alles is niet gezegd dat de scheve geslachtsverdeling ‘onder professoren’ geen probleem is. Integendeel.

Ook de Europese rechtspraak erkent dat trouwens en laat allerlei positieve-actiemaatregelen toe. Zo mag je in de voorselectie een minimumpercentage van personen met een ondervertegenwoordigd geslacht vooropstellen en je mag hen actiever begeleiden en coachen.

Zulke ‘zachtere’ maatregelen werken bovendien wel degelijk. Zo kondigde de KU Leuven vorige maand bij een tussentijdse evaluatie van haar ‘genderactieplan’ aan dat de helft van de docenten en proffen die vorig academiejaar werden benoemd, vrouwen zijn. Het aantal vrouwelijke proffen nam in Leuven de afgelopen 3,5 jaar zelfs bijna drie keer sneller toe dan het aantal mannen. Dat alles zonder voorbehouden posities of extra financiering alleen voor vrouwen. Daarvan willen vicerector Diversiteitsbeleid Katlijn Malfliet en haar universiteit niet weten. De focus ligt op een gendergevoelige rol van de commissies die kandidaten moeten opsporen en op actievere ‘mentoring’.

Uit het evaluatierapport bleek bovendien dat die focus de juiste is. De oorzaak van het tekort aan benoemingen en bevorderingen van vrouwen lag de vorige jaren namelijk niet in het selectieproces, maar was vooral het gevolg van een tekort aan vrouwelijke kandidaten. Het aantal mannen en vrouwen dat benoemd en bevorderd werd, bleek immers evenredig aan de verhouding in de kandidatenpopulatie.

Werkt een aanpak als die van de KU Leuven minder snel? Ongetwijfeld. Maar dat is onvermijdelijk, tenzij je je schuldig wilt maken aan discriminatie die even onwettig is als degene waarvan vroeger vrouwen systematisch het slachtoffer waren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234