Zaterdag 24/08/2019

Opinie

Waarom de nieuwe critici van mei '68 best grappig zijn

Mark Elchardus is emeritus professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en opiniemaker bij De Morgen. Zijn bijdrage verschijnt op zaterdag.

Mark Elchardus. Beeld Tim Dirven

Nog niet zo heel lang geleden werd nagenoeg alles wat goed werd geacht aan onze manier van voelen, denken en leven, toegeschreven aan de invloed van mei '68. Het einde van de onderdrukking van homo’s, de bevrijding van seksuele frustratie en miserie, de gelijkheid van man en vrouw, respect voor de gevoelens en gevoeligheden van alle mensen, het realiseren van echte vrijheid van meningsuiting, mondigheid, ware democratie. Allemaal het gevolg van mei '68. Daarvoor leefden we gebukt en verdrukt in de spruitjeslucht van een beklemmende cultuur, daarna rechtop, libidovol onder de breed open hemel van vrijheid.

Van bron van alles wat goed is naar bron van alle kwaad

Omdat ik mei ’68 als student actief heb beleefd, voelde ik me telkens geroepen daar wat kanttekeningen bij te plaatsen. Eigenlijk waren niet zo heel veel jongeren betrokken geweest bij mei '68. Een aantal van de zogeheten verworvenheden is tot vandaag nog ver van verworven. Wat min of meer gerealiseerd lijkt, is niet het gevolg van een kortstondige revolte van studenten, maar van een trage, langetermijn-cultuurontwikkeling in het Westen. En, als je het zorgvuldig bekijkt, heeft mei ’68 ook wat minder fraaie korte- en langetermijngevolgen gehad: extremistische bewegingen, studenten die als gelobotomiseerd met het rode boekje van Mao stonden te zwaaiden, het vatbaar maken van de geesten voor individualisme en consumentisme. Die boodschap werd me nooit in dank afgenomen. Zij werd beschouwd als pervers rechts. De enige juiste progressieve interpretatie diende de invloed van mei ’68 te beschouwen als even beslissend als positief.

Dat is nu al weer een poos geleden. Het werd stil rond mei '68. Misschien vergeten, dacht ik, verdwenen in de nevel van de toch snel vervagende 20ste eeuw. Maar plots is ze er weer, die fabuleuze maand. Ik kom ze weer overal tegen. Het Nederlandse Forum voor Democratie, dat de westerse beschaving bedreigd acht door Brussel, wijdt er nu zelfs zijn zomeruniversiteit aan. Voor hen was mei '68 even beslissend als voor de inmiddels gepensioneerde groep van nostalgici. Maar de invloed ervan wordt door dit rechtse clubje als louter negatief voorgesteld. Het is de oorzaak van massa-immigratie, multiculturalisme, verlies van soevereiniteit, de crisis van de mannelijkheid, culturele zelfhaat, economische zwakte, onverdedigbare grenzen, lafheid tegenover terrorisme, veralgemeende onverantwoordelijkheid, verlammend hedonisme, waarschijnlijk ook van de schaarste aan spermatozoïden. Noem het, en als het onaangenaam klinkt is het vast een gevolg van mei ’68.

Mensen hebben blijkbaar een specifiek, gebald gebeuren nodig om ervaren veranderingen symbolisch voor te stellen. De Fransen gebruiken de historisch niet erg belangrijke bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 als de symbolische markering van de langdurige en woelige transformatie die op zijn beurt, ook weer sterk vereenvoudingend, Franse Revolutie wordt genoemd. De cultuurverandering van de tweede helft van de 20ste eeuw heet bij ons nu eenmaal mei '68.

Veelzeggend over de huidige tijdgeest is wel dat in minder dan twintig jaar de waardering van mei '68 zo radicaal omsloeg. De relatief kleine maar mondige groepen die er een boom over opzetten, oordeelden twintig jaar geleden absurd positief, vandaag is het oordeel even absurd negatief.

Geleerde lessen

De nostalgici van weleer onderschatten de traagheid en onvolledigheid waarmee de veranderingen die zij celebreerden zich hebben voltrokken. Zij overschatten schromelijk de impact van de protesterende studenten. Zij waren grotendeels blind voor de inherente zwaktes van hun vrijheidsstreven en hun anti-autoritarisme. Daarom stonden zij machteloos en sprakeloos toen amper een half decennium na ’68 de grote neoliberale kering begon. Vrijheid bleek in de praktijk toch vooral de vrijheid van de economisch sterkere. Het anti-autoritarisme werd vooral gebruikt om het gezag van de overheid en de rol van de staat te ondergraven. Sterke organisaties werden vervangen door voor de economische elite veel minder bedreigende burgerbewegingen. Liever, zo moeten die elites gedacht hebben, wat ethisch consumerende fietsers dan sterke vakbonden. Het individualisme van ’68 bleek zich wonderwel te lenen voor de uitbouw van een kapitalisme van de begeerte. Het ondersteunde een nooit eerder geziene expansie van het consumentisme.

Die ontwikkelingen zaten geenszins in de boodschap van mei ’68, waren door de mensen die ’68 maakten absoluut niet gewild. Hun rond individuele vrijheid-blijheid opgebouwde flinterdunne ideologie gaf hen echter geen verweer tegen die ontwikkelingen. Dat is wat men hen kan verwijten. Het is tevens wat mensen van mijn generatie hebben geleerd. De zin van grenzen en limieten. Dat samenhang en binding je als individu onvermijdelijk beperken, maar precies daardoor ook mogelijkheden geven. Ik zag die les duidelijk verwoord bij een Franse socioloog, Emile Durkheim (1858-1917) die op het scharnier van de 19de en de 20ste eeuw leefde en werkte. In naam van het vrij onderzoek, zo schreef hij, kan men alles in vraag stellen, behalve het vrij onderzoek zelf, want stelt men dat in vraag, dan kan men niets meer in vraag stellen. Langzaam, de ene al sneller dan de andere, hebben 68'ers dat moeten leren. Elke handelingsmogelijkheid wordt geboren uit een aanvaarde en gerespecteerde beperking. Dat geldt zelfs voor het verstaanbaar spreken.

Kolder als ideologie

Is dat de les die de nieuwe rechtse kritiek op ’68 ons wil voorhouden? Soms lijkt dat het geval. Maar als je naar hen luistert of hen leest, krijg je de indruk dat zij de laatste halve eeuw op een andere planeet, ver weg van de onze hebben doorgebracht. Zij geven de indruk echt te geloven dat een paar roerige studenten in de jaren 60 onder impuls van wat buitensporige leermeesters onze cultuur en samenleving hebben veranderd. In die rechtse kritiek wordt ook steevast beweerd dat al die 68'ers daarna sleutelposities zijn gaan bekleden in media, overheid en bedrijfswereld. Dat ware mooi geweest voor mijn medestudenten van weleer. De loopbanen van de meesten van hen zijn spijtig genoeg heel anders gelopen.

De nieuwe critici van mei '68 zijn, waarschijnlijk ongewild, bijzonder grappig. Wat een hilarische scènes zou het opleveren als we mensen in de straat vandaag zouden vragen wat ze van de leermeesters van weleer bewaren. “Mevrouw/mijnheer, op welke manier heeft Herbert Marcuse uw wijze van denken en leven beïnvloed?" Volgens de nieuwe rechtse denkers zou de invloed van Marcuse inderdaad veel groter zijn dan die van wat Marcuse probeerde te bekritiseren, het kapitalisme van de begeerte. De paar zonderlingen die hem nog lezen, zouden meer invloed hebben op het hedendaagse denken dan de bazen van de grote mediabedrijven. Het hedendaagse hedonisme zou het gevolg zijn van een paar jointrokende 68'ers, eerder dan van de miljarden die worden besteed aan reclame en het steeds weer opwekken van behoeften en begeerten.

Het is duidelijk dat hier een rechts opduikt dat heel kritisch staat tegenover de hedendaagse cultuur van de kapitalistische landen. Een rechts dat van oordeel is dat die cultuur niet meer in staat is de Europese kernwaarden te verdedigen en onze welvaart te borgen. Een rechts kortom, dat ofwel schijnheilig is en de echte oorzaken van de door hen aangeklaagde houdingen verdoezelt, ofwel nog niet beseft hoe links het eigenlijk is. In elk geval een heel grappig rechts.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden