Zaterdag 16/01/2021
Stella Bergsma.Beeld rv

OpinieStella Bergsma

Waar anderen gekwetst zijn door gescheld met ‘kanker’, ben ik juist eerder verliefd

Stella Bergsma is de schrijver van Pussy album en Nouveau Fuck. Deze bijdrage verscheen eerst in de Volkskrant.

Er is geen land ter wereld dat zoveel met ziektes scheldt als Nederland. Wij Belgen blijven hoofdzakelijk schofferen met ‘god(verdomme, -miljaar)’ en ‘fucking dit’ of ‘klotedat’, maar ‘kanker’ wordt wel steeds hipper bij de Vlaamse jeugd. In Nederland is het velen al jaren een doorn in het oog. Stella Bergsma vindt dat begrijpelijk, maar wel wat lastiger invoelbaar wanneer het woord op een andere manier wordt toegepast. 

Bijsluiter:

Dit is een stuk van een taalliefhebber. Het gaat over woorden en begrippen en dan met name over het zogenaamde k-woord. Dit woord wordt als abstractum opgevoerd. Als onderwerp van onderzoek en analyse. Het wordt dus niet gebruikt om mee te schelden of als verwensing. Wie het onderscheid tussen die toepassingen moeilijk kan maken, kan last krijgen van bijwerkingen als gekwetstheid of woede. 

Maar lieve lezer, ik wil u niet kwetsen. Als u aanstoot neemt aan grof taalgebruik, en dan met name aan het woord dat die gruwelijke ziekte aanduidt, slik deze content dan niet. Stop nu, want hier komt het:

Kanker, het is overal. De wereld eet zichzelf op. Het einde zit in het begin van iedere cel besloten. Kanker. Ik kan het zien hangen in de lucht. Mensen ademen het in. Stekelig glijdt het in hun keel.

Dit stukje tekst is de titelverklaring voor mijn eerste roman. Het ging samen met vijftien andere pagina’s naar verschillende uitgeverijen. Maar liefst drie waren geïnteresseerd. Dat was lastig kiezen. Daarom hield ik bij de contractbesprekingen één ding in mijn achterhoofd. Mijn voorgenomen titel KANKER moest blijven. De uitgeverij die me daarmee weg liet komen, zou mijn huis worden. Wat dacht je van K? zei Oscar van Gelderen van Lebowski. Dat bekt toch lekker? Ook bij Atlas waren ze maar matig enthousiast. Oké, zeiden de dames van Nijgh, de werktitel wordt Kanker. We kunnen er altijd later nog op terugkomen. Zo zie je maar dat vrouwen de baas moeten zijn. Ik tekende en kwam er inderdaad op terug. In 2016 verscheen Pussy album, want welke gek noemt zijn boek nu Kanker?

Mokerslag van letters

“Je weet niet waar je over praat”, roepen mensen als ik zeg dat ik het, op ‘heelal’ na, het mooiste woord uit de Nederlandse taal vind. Dat ik het aanbid om de magisch kracht ervan. Dat ik gek ben op die keiharde allitereer-k’s en die ronkende r. Een mokerslag van letters is het.

“Je hebt er zelf zeker geen ervaring mee”, krijg ik vaak voor de voeten gegooid. Natuurlijk heb ik dat wel. Een op de drie mensen krijgt het. Dat kan niet anders betekenen dan dat we er allemaal direct of indirect mee te maken hebben. Ik kan iedereen die vindt dat ik geen recht van schelden heb geruststellen: mijn hele familie is er dood aan. Alleen mijn moeder en ik zijn nog over. Me dunkt dat ik mijn kankerprivilege-pas verdiend heb. Ik heb mijn eigen vader thuis verzorgd, terwijl hij stierf aan wat hij zelf een kloteziekte noemde. Hij was Amsterdammer en vrij grof in de mond. Misschien heb ik mijn voorliefde voor gepeperd taalgebruik van hem. En hij was er creatief bij. Ik hoorde vroeger alle mogelijke syntactische en semantische verbouwingen van ‘verdomme’ vrijwel dagelijks voorbijkomen.

“WAAR ZIJN DE GODVERDOMMIFERS”, schreeuwde hij dan door de keuken als hij het gas wilde aansteken. Dat desensitiseert hé, als je het vaak hoort. Daarom veranderen scheldwoorden ook in de loop der tijd. Niemand, behalve de Bond tegen vloeken, ligt nog wakker van wat straffe blasfemie en ook de verbasteringen van oude ziektes als pest, pokken, tyfus, colera en tering zijn inmiddels eerder klerekoddig dan diep grievend. Vandaar dus ook de kracht, bekoring en ja, zelfs de kunst van het woord kanker. Een term die zijn potentie nog niet verloren heeft. Dit spijt me voor de haters ervan, hoewel ze moeten beseffen dat juist zij de oorzaak zijn en dat hun afschuw de werking van het woord alleen maar versterkt.

Beeld Claudie de Cleen

Wat we doen

Het is nu eenmaal wat we doen. Wij mensen schelden, vervloeken en verwensen. Vermoedelijk al sinds onze eigen heugenis. En we maken daarbij gebruik van taboes. Hetgeen vrij logisch is, omdat die zaken sterke gevoelens bij ons oproepen. En laat dat nou het nut zijn van profaan taalgebruik: sterke gevoelens uiten of juist veroorzaken. Dit kan om verschillende redenen gebeuren. Bijvoorbeeld als zelfexpressie, maar ook als daad van agressie jegens een ander, of als intimidatie. Woorden als wapens. Het kan zelfs dienen om een bepaalde intimiteit te creëren. Een ons-kent-onssfeertje; hier mag je vrijuit spreken. Het is hoe dan ook een zeer belangrijke uitingsvorm die ons een hoop kan leren over onze psyche, ons brein en onze cultuur. Maar vanwege het hoge taboegehalte is er nog niet veel research naar gedaan en zeker niet in alle talen. Zelfs onderzoek naar een taboe is vaak al taboe.

We weten wel een aantal dingen. Bijvoorbeeld dat de verboden onderwerpen die gebruikt worden voor scheldwoorden vrijwel altijd in de volgende vier categorieën vallen: 1) geloof en familie, 2) lichamelijke functies en aandoeningen, 3) seksualiteit en 4) gemarginaliseerde groepen. Je zou dit het ‘God-stront-neuk-homo’-principe kunnen noemen. Alle talen van de wereld, voor zover onderzocht, schelden volgens dit beginsel. Alleen gebruiken sommige meer woorden uit de ene en andere meer uit de andere categorie.

Zo wordt er in sterk religieuze landen als Spanje en Italië vooral uit de God-pot geput met beledigingen als porco dio en porca madonna (‘varkensgod’ en ‘varkensmaria’). En omdat voor gelovigen het gezin nog altijd de hoeksteen is, is iemands moeder of zuster beledigen met iets als tu puta madre (‘je hoerenmoeder’) daar ook nog altijd erg effectief. De Engelstalige landen graaien juist eerder uit de Neuk-grabbelton voor hun krachttermen met woorden als fuck, cocksucker en motherfucker. Duitsland dregt met woorden als scheisse en arschloch het liefst uit de Stront-categorie. En in Nederland kijken we eigenlijk niet meer op van een beetje poep heerbeschimpen of hoereneuken. We lijken alle heilige huisjes al stijf omvergevloekt te hebben en putten het liefst uit een subcategorie van de stronthoop: die van de lichamelijke aandoeningen.

Nederland

Er is geen land ter wereld dat zoveel met ziektes scheldt als Nederland. De verklaring daarvoor is vanwege het ontbrekende onderzoek eigenlijk nog onbekend. Het zou te maken kunnen hebben met de ontkerkelijking in ons land of in ieder geval met de overstap van katholicisme naar protestantisme. Maar die heeft ook in bijvoorbeeld Zweden plaatsgevonden en daar wordt helemaal niet met gezwellen gesmeten.

Er zijn meer landen die hun woorden uit de Stront-sectie opdreggen en ziektes gebruiken om iemand te beledigen. Af en toe valt er wel eens een choleraatje in Polen of Thailand. Maar geen enkel land heeft zo’n pestpokkepleurispalet vol ziektes als wij Nedertalers. Het is bovendien opvallend hoe we de aandoeningen inzetten.

Laten we daarbij mijn troetelkindje kanker als voorbeeld nemen, omdat de andere ziektes toch een beetje hun schaadkracht kwijt zijn. Nou heeft natuurlijk niet iedereen dat woord in zijn taalarsenaal zitten. Je hoort het bijvoorbeeld vaker in Den Haag of Rotterdam dan in Amsterdam. Eerder op straat dan in de directiekamer. En tegenwoordig is het vooral populair bij de jeugd – ook in Vlaanderen trouwens, dat lange tijd stijf stond van godverdomme hier en kut en klote daar.

In eerste instantie werd het veelal gebruikt als scheldwoord of verwensing. Waarbij ik de ingeniositeit die daar soms bij kwam kijken ook even wil roemen. Werkelijk alle dichterlijke stijlfiguren, van alliteratie tot binnenrijm en van metrum tot metafoor, werden uit de kast getrokken voor de meest grove schendingen.

Neem bijvoorbeeld: ‘Krijg de kanker achter je hart zodat de dokter het niet kan vinden’. Dat is gewoon een heel verhaal! Ook iets als ‘krijg de gierende blafkanker’ vind ik pure poëzie. Vanwege de binnenrijmende a’s, maar ook door het gebruik van ‘gierend’, wat het geheel nog eens extra aanzwengelt. Je ziet turbotumoren door iemands lichaam razen, alsof de aandoening op zich niet al erg genoeg is. Niet veel later werden de ziektes ingezet als deel van een samenstelling om, zoals in Van Dale staat: “een grote hekel aan het genoemde uit te drukken”. Dus zoals dat eerst gebeurde bij rotwijf of kutauto, had je nu ineens kankerwijf of kankerauto. Je zou dit een intensifeerder of een versterkend voorvoegsel kunnen noemen.

Kracht

Nog weer later werd ditzelfde principe ook toegepast op bijvoeglijk naamwoorden als mooi, of hard. Dat is eigenlijk wat we heden ten dage het meest horen. Ook hier fungeert kanker weer als versterker, maar inmiddels kan dat als gevolg hebben dat er iets positiefs wordt aangeduid in plaats van iets naars. ‘Kankermooi’ is de absoluut overtreffende trap van mooi. Waarschijnlijk zelfs van mooist. Niets kan toch prachtiger zijn dan mooi verheven tot de macht van het heftigste woord uit onze taal?

Zoals wel vaker het geval is bij scheldwoorden en obsceniteiten, gedraagt kanker zich bovendien als een soort free agent. Het is een versterker in ‘kankerhard’ en wordt daarbij gebruikt als zelfstandig naamwoord dat deel van een samenstelling is geworden, zoals bij ‘keihard’ of ‘steenkoud‘, maar hoewel het in ‘kankerdeur’ nog steeds datzelfde versterkend voorvoegsel is, wordt het nu opeens gebruikt als bijvoeglijk naamwoord in een deel van een samenstelling zoals bij ‘rotdeur’ of ‘kutvent’. Het kan beide functies vervullen terwijl die woorden waar het op lijkt dat omgekeerd niet kunnen. Je kunt bijvoorbeeld wel ‘keihard‘ en ‘kankerhard’ zeggen en ‘rotvent’ en ‘kankervent‘. Maar niet ‘rothard’ of ‘keivent‘. Dat is nou de kracht van kanker.

Het kan ook als tussenwerpsel. Bijvoorbeeld aan het begin van een zin. Zoals in ‘Kanker, ik ben mijn sleutels vergeten!’ Of aan het einde, of in het midden. Maar het kan bijvoorbeeld zelfs als invoegsel in een ander woord. Zo hoorde ik Lou, van het grofgebekte stel Tini en Lou uit Nooddorp (als je ze niet kent moet je als de kankeritus naar YouTube om ze op te snorren), tegen Tini zeggen dat ze moest ophouden met dat “geouwe-kanker-hoer”. Een multi-inzetbaar woord dus, een soort joker. Zoals ik al zei, hebben meer krachttermen die verscheidenheid. Vergelijk bijvoorbeeld ‘fuck’ en alle verbasteringen daarvan in het Engels.

Aanstoot

Die enorme veelzijdigheid, kracht en originaliteit van dit soort woorden: waar anderen afschuw voelen, ben ik er juist door gefascineerd. Veel mensen nemen aanstoot aan het gebruik van kanker buiten een medische of informatieve context. Het roept, zoals ik al schreef, sterke emoties op.

Ik kan me van alles voorstellen bij de gevoeligheid van mensen wanneer het gaat om schelden of verwensen. Wat ik lastiger vind om te volgen, is wanneer men aanstoot neemt aan het woord in taalconstructies die geen betrekking op henzelf of anderen hebben. Dus bijvoorbeeld zoals ik in dit stuk beschrijf: als versterkend voorvoegsel in samenstellingen. De manier waarop het tegenwoordig het vaakst gebruikt wordt, zeker door de jeugd.

Ook in de commentaren onder YouTube-filmpjes lees je juist eerder termen als ‘kkgoed’ of ‘kankerhard’ dan dat er iemand wordt uitgescholden of de ziekte toegewenst krijgt. Technisch gezien kun je dat eigenlijk niet eens schelden noemen en toch is dat, denk ik, vaak wat mensen bedoelen wanneer ze het hebben over ‘schelden met kanker’.

Nu snap ik wel waar de angel zit. Het gaat erom dat achteloos een begrip wordt rondgestrooid dat bij de meesten van ons nare associaties oproept. Maar waar zij dan gekwetst en gegriefd zijn, ben ik juist eerder verliefd. Daar is taal voor mij het meest inventief. In de donkere hoeken waar wordt geëxperimenteerd met woorden en gekletterd met letters. In de kroegen, op straat en online. Omdat men daar spreekt over wat er écht in ons leeft. En dat is niet altijd maar mooi. Ook lelijkheid verdient letters. Natuurlijk kunnen taaluitingen soms echt heel ongepast zijn. Voor mij persoonlijk werkt het goed om dat gewoon te benoemen. Vaak is de ander dan best genegen om een woord niet in je bijzijn te gebruiken.

Van verbieden ben ik geen fan. Niet in de laatste plaats omdat het averechts werkt. Laten we onze duistere woorden net als onze duistere kanten gewoon bestuderen, bespreken en soms zelfs bewieroken. “Ze zijn de splinters in onze ziel”, schreef ik in Pussy album, het boek dat bijna Kanker had geheten. Als je ze niet wilt horen, wil je niet weten wie we zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234