Dinsdag 20/08/2019

Column

Vreemd, hoe een herinnering échter kan zijn dan een belevenis. Tastbaarder. Pijnlijker

Beeld Bob Van Mol

Op zijn berg in de Oostkantons schrijft Marnix Peeters over vrijheid, vogels en zijn vrouw.

Er was een zwartkopje tegen het raam van onze Wintergarten gevlogen – we doen er alles aan om het te voorkomen, maar in dit seizoen zijn die rakkers gek van de paarzucht en zijn ongevallen niet te vermijden.

Ik had het slachtoffer in een kistje gelegd, met het deksel op een kier, en na drie kwartier hoorden wij gekrab van pootjes en getok van een snaveltje, en droegen wij onze gevangene de tuin in, waar hij na het openen van de celdeur wegfritste, hoog de berk in, waar hij een tijdje op adem kwam. Een half uur later caprioleerde hij alweer achter zijn vriendinnetje aan, alsof er niets was gebeurd.

Je maakt er toch altijd een klein mensje van, zei mijn vrouw, die bij het lossen de vrijgelatene ‘Dag vriendje, voorzichtig zijn!’ had nageroepen. Je probeert je voor te stellen hoe zo’n beestje dat beleeft – die tik tegen het glas, en dan een reus die je opraapt en je in een donker hok stopt, dan denk je vast dat je laatste uur geslagen heeft. Terwijl zo’n vogel natuurlijk níks denkt, geen opluchting of dankbaarheid kent, het voelt hooguit dat de zon schijnt en dat er aan de eieren moet worden gegaan.

Ik ben, sinds wij terug zijn uit het land van de extremistische boeddhisten, weer vaak aan mijn moeder aan het denken – je bent wat afgeleid geweest door de golven en de ­palmen en de sambal bij het eten, het heeft je verdriet even opgeschort, waardoor je denkt dat het al een beetje voorbij is. Dan kom je thuis, in de lente, met de krokussen en de vogels, en voel je plots haar afwezigheid keihard – ze heeft eenentachtig van zulke lentes beleefd, ze heeft vogeltjes in doosjes gestopt en geglimlacht om de eerste krokus, en nu is ze voor altijd weg. Geen barre winters meer, geen voorjaren met al hun geuren en tinten. Niet meer ­denken: ook dit gaat weer voorbij.

Het gaat je tijd kosten, zei mijn vrouw. Verdriet in wisselende tinten. Aanvaard dat maar.

Het is zoals mijn vriendin Gwen het zei, zei ik. Eerst ben je opgelucht. Verbaasd. Fier een beetje. Omdat je de dood overleefd hebt. Je hebt het gehaald, het valt allemaal wel mee, zo groot was die draak nu ook weer niet. Daarna wordt het leven weer gewoon, en wordt een dag weer een dag, en dan pas sijpelt het echte ­verdriet binnen. Ga je stapvoets alles herbeleven, maar nu in het echt. Niet in die rare nachtmerrie die het was. Vreemd, hoe een herinnering échter kan zijn dan een belevenis. Tastbaarder. Pijnlijker.

Ik moet almaar terugdenken aan de nacht toen ze stierf – op dat moment zelf voel je je heldhaftig en ben je blij dat je daar bent, en nu zijn het kale beelden, is het een wonde zonder zalf. Je verbeelding is het beu om je iets op de mouw te spelden. Ze wordt glashelder en loepzuiver, de dood. Full frontal.

Ik help je wel, zei mijn vrouw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden