Dinsdag 15/10/2019
Mark Elchardus. Beeld Bob Van Mol

Column

Vijftig jaar na mei '68 mag er best wat echte vernieuwing komen

Mark Elchardus is emeritus professor aan de VUB en opiniemaker bij De Morgen. Zijn bijdrage verschijnt wekelijks op zaterdag.

Terwijl de studenten in Parijs de kasseien uitbraken om barricades te bouwen, staakten ongeveer een miljoen Franse arbeiders. Aan de pompen werd benzine schaars. Frankrijk viel stil. Op 27 mei, terwijl de studenten een monstermeeting hielden, sloten twee toekomstige presidenten van Frankrijk – premier George Pompidou en zijn toen nog jonge staatssecretaris voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken, Jacques Chirac – de akkoorden van Grenelle: een loonsverhoging van 10 procent en een verhoging van het minimumloon met 35 procent. Het werd niet meteen in alle fabrieken op enthousiasme onthaald. Men riep, heel even toch, om een volksregering. De 'prerevolutionaire stemming' bleek echter van korte duur. In de schaduw van de forse loonsverhoging werd de strijd van studenten en arbeiders al snel minder 'één'.

Hoewel de communistische partij en haar vakbond er alles aan deden om de studenten weg te houden van de stakende arbeiders, leek de wonderbaarlijke, romantische fusie van de werelden van studenten en arbeiders heel even te lukken. Heel wat studenten droomden van een wereld waarin zij zouden kunnen genieten van de grote studentenvrijheid, maar tegelijk een hechte gemeenschap vormen met de arbeiders. Absolute individuele vrijheid verzoenen met een hechte gemeenschap, dat was het utopische project van '68. Het blies het marxistische klassenproject waarin de arbeiders de sleutel tot maatschappelijke verandering vormen en de studenten en intellectuelen zich ten dienste stellen van de arbeidersklasse – het proletariaat – nieuw leven in.

De verschillen tussen de twee groepen staken echter al snel de kop op. Een pamfletje uit die pamfletrijke periode stelt ze scherp: "De mensen die werken vervelen zich als ze niet werken. De mensen die niet werken, vervelen zich nooit." Neerbuigender kan niet. Twee boeken markeerden de scheiding en het einde van het klassenproject. In zijn Essay over bevrijding (1969) stelt Herbert Marcuse dat niet de arbeider maar de student zelf, samen met de verworpenen der aarde en de gettobewoners, voor revolutie zou zorgen. Het andere boek verscheen wat later. In Vaarwel aan het proletariaat (1981) stelt André Gorz dat de sleutel tot maatschappelijke transformatie niet bij een hardwerkende en producerende arbeidersklasse ligt, maar bij mensen die niet op die manier produceren; bij studenten, filosofen, kunstenaars, werklozen... Kortom, bij zoiets als de Brusselse artistieke scène.

Belangrijker dan die ideologische verantwoording van de scheiding was de verdere expansie van het hoger onderwijs. In 1970 had minder dan 6 procent van de Belgische bevolking een diploma hoger onderwijs, vandaag ruim een derde. De verschillen tussen laag- en hooggeschoolden zijn bijzonder groot: de laatsten zijn gezonder, leven langer, zijn minder werkloos, verdienen meer, wonen aangenamer en hebben heel andere opvattingen. Dat laatste werd pas echt voelbaar toen de hooggeschoolden uitgroeiden tot een belangrijke bevolkingsgroep die de toon zet in onderwijs, cultuur en media.

Volgens de hooggeschoolden bieden gelijke kansen een brug over die kloof. Geef de kinderen van laaggeschoolden een kans gelijk aan die van de kinderen van hooggeschoolden, zodat ze zelf hooggeschoold kunnen worden. Probleem is dat dit ondanks inspanningen van scholen en leraars niet lukt en zelfs steeds minder lijkt te lukken. Overigens zullen er altijd laag- en hooggeschoolden zijn. Het schandaal is niet het gebrek aan gelijke kansen, maar aan gelijkheid. Het gaat daarbij niet alleen om ongelijkheid in de middelen die men heeft om te leven zoals men zou willen leven. Men wil ook anders leven: men heeft andere opvattingen over de inrichting van de samenleving, de aanpak van criminaliteit, de opname van nieuwkomers, de vastheid van betrekking, zinvol werk, grenzen, mobiliteit, wonen, woonomgeving, identiteit, migratie…

Trouw aan de schim van het oude klassenmodel probeerden sociaaldemocratische partijen "de boel bij elkaar te houden", laag- en hooggeschoolden in één partij te verenigen. Het lukte niet. Misschien probeerden ze niet hard genoeg. De oude zuilorganisaties, waarin 'hoog' en 'laag' elkaar ontmoetten, werden vervangen door de 'nieuwe sociale bewegingen', clubjes van hoogopgeleiden. In Vlaanderen werd het Vlaams Blok/Vlaams Belang sociologisch gezien de arbeiderspartij. Laaggeschoolden revolteerden door te kiezen voor populistische partijen. Het linkse project werd herleid tot een kralensnoer van minderheidseisen. Paternalistische boodschappen – "Word zoals wij dankzij gelijke kansen, en als de grond onder je voeten wegzakt zorgen wij wel voor zorg" – mobiliseren onvoldoende.

Wat bindt nog? Oudere bindmiddelen doen het weer. In veel landen bindt religieuze identiteit 'hoog' en 'laag', stad en platteland in eenzelfde politieke beweging. In het Westen doen 'natiegevoel' en nationalisme dat steeds meer. Is een derde vorm van binding, een gemeenschappelijk samenlevingsproject, nog denkbaar? Hoe ziet dat er vandaag dan uit? Na vijftig jaar mag er best wat echte vernieuwing komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234