Woensdag 29/01/2020
Lize Spit. Beeld DM

Column Lize Spit

Van de enkelingen die in het park rondjes joggen, straalt een haast onuitstaanbare superioriteit af

Auteur Lize Spit en haar collega Bregje Hofstede, allebei °1988, vertellen beurtelings over hun leven. Vandaag: Lize.

Om de geur van gourmet uit onze haren te doen waaien, vangen we aan met een ochtendwandeling. Zo stil kan een stad er enkel bij liggen na een felle sneeuwbui nog voor er gestrooid werd, of na de storm van een oudejaarsnacht. Ook wij zijn eerst nog wat zwijgzaam en vervreemd, dat typische beroerde gevoel op de eerste dag van het nieuwe jaar, alsof je je om er te komen, door een te klein gaatje hebt moeten wurmen. We lopen hand in hand over de brede middenberm van de kleine ring, tussen de kriskras geparkeerde wagens, langs de resten van de vuurpijlen die de hele nacht de lucht in werden geknald en die de oren van de kat ­regelmatig omhoog deden wippen. Op de meest vreemde plaatsen vind je restanten van het drinkgelag. Vijf ­halflege flesjes Desperados, keurig op een rijtje op de stoep opgesteld, alsof er een mislukte schietoefening heeft plaatsgevonden.

“Wil je omkeren?”, vraagt R. na een kwartiertje. We lopen ter hoogte van de Ninoofsepoort, waar we het kanaal over kunnen steken en met een lus terug kunnen keren naar huis.

Ik schud mijn doffe hoofd. Ook bij de volgende brug gaan we opnieuw verder rechtdoor, en ook aan de volgende-volgende brug, we rijgen de straten aaneen. Elke keer een nieuwe hoek om. We laten de gekleurde windmolentjes aan het kanaal van Molenbeek achter ons, passeren Tour & Taxis, het Rogierplein, de piekfijne buurt rond het Koninklijk Circus. Mijn billen onder mijn dunne broek zijn zo koud dat ze gevoelloos worden, R. ­controleert af en toe met zijn warme hand of ze er wel nog aanzitten. Op het uitkijkplatform aan het graf van de onbekende soldaat houden we halt. Beneden, in de verte, ligt ons vertrekpunt met rechts daarvan alle glazen torens waar we de afgelopen twee uur, met een grote bocht, tussendoor zijn gelopen. Wie wandelt zonder doel, voelt amper de afstand die hij aflegt.

Ik heb een hekel aan de eerste dag van het jaar. Gedurende heel december ben je al aan het uitbollen, koortsig doe je allerlei aankopen, je rondt af met een feestje, brengt een toost uit, je maakt voornemens om gezonder te leven of neemt je voor geen voornemens te maken. En dan is daar die eerste, spierwitte dag van een nog onbeschreven jaar, maar de stad is onherkenbaar, iedereen katert uit, de koelkast staat vol met vettige etensrestjes die nog op moeten, en van de enkelingen die in het park rondjes joggen, straalt een haast onuitstaanbare superioriteit af – sommigen ­bezegelen hun voorsprong op de rest van het universum met een zweterig knikje bij het kruisen.

“Bestond er maar een nulde januari”, zeg ik. “Een extra dag tussen oud en nieuw, waarop de tijd nog niet loopt. Een kladdag. Nu is het alsof we onze pen op een maagdelijk wit blad zetten en meteen een veeg of een fout maken.”

“Ja”, zegt R., en hij knijpt in mijn schouder, alsof daar een onzichtbare knop zit waarmee dit gesprekje vast­gelegd kan worden, een lief gebaar dat hij altijd maakt wanneer ik iets opmerk waar hij een column in ziet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234