Maandag 13/07/2020

Corona

Tranen van verdriet bij de dood van mijn moeder, maar ook van machteloze woede

Professor Dirk Lauwers en zijn moeder Josée Coppens.Beeld rv

Dirk Lauwers is mobiliteitsexpert en professor aan de universiteiten van Gent en Antwerpen. Hij verloor zijn moeder aan corona.

93 jaar worden, het is niet iedereen gegeven. Toch wou moeder graag nog ouder worden. Vorige week zei ze me nog aan de telefoon: ‘Ik leef nog graag, ik wil hier doorkomen.’

Een tiental dagen eerder was er corona vastgesteld in het woon-zorgcentrum waar ze verbleef, een week geleden kregen we de uitslag van de test: positief. Ze voelde zich voor de coronacrisis nochtans erg veilig en geborgen in het woon-zorgcentrum Compostella waar ze bijna twee jaar verbleef. Omdat ze zo in haar vertrouwde dorp kon blijven, ten dele omringd door mensen die ze al lang kende. Het woon-zorgcentrum heeft een erg ‘warme’ architectuur, maar vooral er is veel toewijding en zorg van het personeel. 

Dat deze omgeving haar toch fataal is geworden is des te pijnlijker. De voorbije weken van afzondering waren – ook voor ze ziek werd – erg zwaar voor haar. Omwille van het beperkt contact met medebewoners en personeel, maar vooral: ze voelde zich ‘gevangen’. Moeder was voor kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen een monument in de familie. Ze kreeg veel bezoek en wekelijks was ze wel ergens te gast. Altijd en overal deelde ze oude verhalen en wijsheden, maar evengoed haar gedachten over wat er nu in de wereld gebeurde: ze las de krant nog, volgde de nieuwsprogramma’s, zelfs ook op de Nederlandse tv, “want daar krijg je meer wereldnieuws”… Maar vooral toonde ze belangstelling voor wie aan tafel zat, wat ons bezighield, of we het goed hadden? Moeder was geliefd in de familie, en haar grootste geluk was het besef dat we met de vier kinderen die ze had grootgebracht op een hechte manier verbonden bleven.

Als oudste zoon had ik een diepe band met haar. Het verdriet om haar dood is navenant. Ze was erg fier op me. Als ik geworden ben wie ik ben, is dat in grote mate dankzij haar. Zodra ik het kon moest ik voorlezen voor haar, terwijl zij strijkte of kookte. Zij was mijn eerste publiek. Bij haar leerde ik zo de kracht van het uitspreken van woorden kennen. Eerst las ik de hele reeks van de Rode Ridder, Winnetou en Arendsoog, ontleend uit de plaatselijke bibliotheek. In het derde studiejaar vroeg ze me Conscience voor te lezen. De leeuw van Vlaanderen, ook dat was nog een verhaal vol avontuur. Daarna De loteling. Toen heeft ze geweend. Ik begreep haar verdriet pas veel later, toen ik besefte hoe belangrijk ze liefde vond, ook voor een man die ver van huis gevaar trotseert.

Wij zijn opgegroeid in een gezin dat veilige geborgenheid bood. Weliswaar met een strenge, autoritaire vader zoals die in het naoorlogse Vlaanderen wel meer bestonden. En met moeder, die kort na mijn geboorte ‘bij de haard bleef’. Koken en wassen en plassen dus, maar evengoed de financiën beheren, en vooral: ons opvoeden. Vaders wil was daarbij wet, maar moeder zorgde als een goede advocaat uiteindelijk wel voor een kader waarin ook wij, de kinderen, ons konden vinden. Want de geborgenheid maakte rond 1968 plaats voor generatieconflicten. Ik was zestien. Dat conflict had thuis een bijzondere ideologische dimensie. Moeder heeft ervoor gezorgd dat ik in die conflictueuze toestand mijn eigen weg ben mogen gaan, en dat ik uiteindelijk toch on speaking terms bleef met vader. Zij was het cement dat het gezin, en later de uitgebreide familie, bijeen wist te houden.

Wie Josée Coppens – sinds vader gestorven is liet ze zich opnieuw bij haar meisjesnaam noemen – was? Geboren in het Meetjesland bracht ze haar kinderjaren door op een boerderij bij het Leopoldskanaal. Haar ouders waren pas terug uit de VS. Net voor de Eerste Wereldoorlog op de vlucht geslagen voor de armoede en tien jaar later teruggekeerd. Er was elektriciteit in huis: een lamp. Elke dag de koe hoeden, klompen aan de voeten. Zoals ze erover vertelde was het best een gelukkige jeugd. Er waren ook nog bijna geen (gevaarlijke) auto’s op de weg: het dorp was het domein van de kinderen. Op school was mooi leren schrijven erg belangrijk: schoonschrift was een vak toen. En gedichten uit het hoofd leren. Veel ervan kende ze nu nog. Bij mijn jongste broer Erik aan de telefoon droeg ze een week geleden nog het gedicht voor: ’t Zijn droeve tijden als d’oorlog woedt, een gedicht van 1874, bestaande uit 48 versregels. Ja, moeder kwam uit een andere wereld die enkel nog door haar verhalen bij ons voortleefde.

In dat dorp van toen is de oorlog gekomen. Woelige jaren. Na wat omzwervingen belandde ze in de Ardennen in een nog meer afgelegen dorp. Waar geen stromend water in huis was en de vrouwen aan een gemeenschappelijke wasbak bij de bron in het midden van het dorp de was kwamen doen. Daar is wat afgebabbeld en -gelachen, heb ik gezien. Er bestaat een oude zwart-witfilm van. En in de weekends, als er in een dorp in de omgeving een kermis of dansfeest was, ging ze daar met haar nieuwe vriendinnen naartoe. Het was de tijd van Edith Piafs ‘La vie en rose’. Met haar beste vriendin van toen heeft ze altijd contact gehouden, ze is enkele jaren geleden gestorven. Van de spullen die ze tijdens haar leven had verzameld kon ze goed afstand nemen, wat ze op haar kamer in het woon-zorgcentrum van vroeger had kunnen meenemen was erg weinig. Een kast, een schilderij van het huis in de Ardennen en van een Grieks eiland waar ze geweest was met vader, een vaas en enkele foto’s…

Het grootste deel van haar leven heeft ze met vader gedeeld. Toen hij in 2005 stierf, waren ze 55 jaar getrouwd. Ze waren een hecht stel. In belangrijke mate was hun leven opgebouwd rond ons, hun vier kinderen. Naarmate wij ouder werden, brak een periode aan van uitstapjes maken in de omgeving en van reizen met vader – vaak ook met vrienden. Voor moeder moet het na al die jaren besloten leven in dat huis in Borsbeek een bevrijding zijn geweest: varen op de Nijl, verblijven aan de Turkse Riviera of op een Grieks eiland of Tenerife, Guadeloupe… Als ze er de laatste jaren over vertelde, eindigde ze vaak met: ‘Ja, ik heb een mooi leven gehad.’ Ze moedigde ons aan dat ook te doen: de schoonheid van het leven op te zoeken.

De eerste jaren nadat vader gestorven was – nu al bijna vijftien jaar geleden – waren hard: haar wereld leek wel ingestort. Maar ze is er weer bovenop gekomen. Ze liet het oude huis achter en ging alleen wonen in een serviceflat. Alleen zijn lukte, maar liever was ze in gezelschap. En er waren ook de jaarlijkse familievakanties, veelal naar het zuiden van Frankrijk. Met de tgv lukte dat, ook al was ze de 90 gepasseerd. 

Twee jaar geleden werd het zelfstandig leven te moeilijk. Ze zette een volgende stap, de laatste naar eigen zeggen, die naar het woon-zorgcentrum. Maar ze was er graag en werd er graag gezien. De coronabesmetting maakte een abrupt einde aan die laatste thuis van moeder.

Wat houdt je recht in zo’n verschrikkelijke periode? Geslingerd tussen hoop en wanhoop. Met het dreigend verlies steeds op de achtergrond. In de eerste plaats waren er de telefoontjes met moeder zelf, vaak meermaals per dag en voor het raam van haar kamer, zodat we elkaar konden zien. Telkens was ze vol goede moed. Ze wou vechten tegen die vreselijke ziekte. Met ons zijn. 

Het eerste wat moeder me vroeg toen de lockdown er was en ze haar weekenduitstapjes in de familie moest missen, was om enkele flesjes Côte du Rhône, haar lievelingswijn, voor haar in het woon-zorgcentrum af te geven. Tot enkele dagen geleden vertelde ze me bij elk telefoongesprek hoe goed die wijn haar gesmaakt had. 

Naarmate de week vorderde is ze snel achteruitgegaan. Donderdagavond had ze me gezegd: ‘Dirk, het gaat niet meer.’ Hoewel ze liefst in haar vertrouwde omgeving was gebleven, wou ze vrijdagavond na doktersadvies toch naar het ziekenhuis. Om toch een maximale kans te hebben die ziekte te overwinnen, waarvan ze de voorbije dagen zo had afgezien (‘Ik ben nooit in mijn leven zo ziek geweest’). Mijn zussen konden er bij zijn op het moment dat ze naar de ambulance werd gebracht. Ze wuifde vol vertrouwen. In het ziekenhuis bleek uit de eerste rapporten hoe kritiek haar toestand was. Toch zat ze zaterdag alweer recht in de zetel naast het bed: een kranige dame, meldde de verpleegster toen we informeerden naar haar toestand. Maar tegen de avond werd het nieuws steeds somberder, we bereidden ons voor op het ergste.

Verdriet overheerst nu. Maar ook woede. Dat dit kon gebeuren. Een omgeving die veilig zou moeten zijn voor de meest kwetsbaren – in mijn geval ook de meest dierbare – werd een oord van de dood. Het noodlot? Misschien voor een deel. Maar toch ook: een gevolg van beleidskeuzes. De voorbije vijftien jaar hebben we de mogelijkheden voor de ouderenzorg in de serviceflat en het woon-zorgcentrum waar moeder verbleef jaar na jaar zien afkalven. Minder personeel, minder activiteiten, minder budget voor de maaltijden… Tijdens een crisis komen de zwakke plekken in de maatschappij naar boven, zegt men. Wat kan ik doen? Vloeken op een regering die zoiets liet gebeuren?

Zoals bij moeder toen ik haar als kind De loteling voorlas tranen over haar wangen rolden, rolden deze nacht tranen over mijn wangen. Tranen van verdriet, maar ook van machteloze woede.

Meer dan ooit heb ik beseft: het enige wat telt in het leven is liefde en verbondenheid. Maar alles van waarde is weerloos.

We hebben in de loop van de avond – vroeger dan we dachten – het verschrikkelijk bericht gekregen vanuit het ziekenhuis waar moeder verzorgd werd, dat ze ging inslapen, dat ze op het einde was. Maar ook dat bezoek niet toegelaten was. Enkel mijn jongste zus Veerle heeft haar nog via de telefoon kunnen zeggen dat we niet meer bij haar zouden kunnen zijn, maar dat we haar allemaal dankbaar waren voor de liefde die ze ons als goede moeder had gegeven. Ze heeft nog even begrijpend geknikt, zei de verpleegster.

‘Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten’, zei Erasmus. Voor altijd blijven we verbonden met moeder. Die bijzondere vrouw die Josée Coppens was. Ze vond vrede met het leven en deelde die vrede met iedereen in haar omgeving. Moge ze ook in vrede rusten nu.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234