Donderdag 27/01/2022

RecensieBoeken

‘Tot het water stijgt’: een literaire ode aan Haïtiaanse veerkracht

Het lot van veel Haïtianen: er het beste van maken in een barre situatie.  Beeld ©Alex Webb / Magnum Photos
Het lot van veel Haïtianen: er het beste van maken in een barre situatie.Beeld ©Alex Webb / Magnum Photos

De Franse schrijfster Maryse Condé (84) wordt geplaagd door ziekte waardoor ze niet meer kan lopen, amper kan lezen en haar laatste boek heeft moeten dicteren. Maar van Tot het water stijgt uit 2010 is nu wel eindelijk een Nederlandse vertaling uit. De roman is vintage Condé.

Wineke de Boer

De zoektocht naar een manier om waarachtig te leven, trouw aan ‘jezelf’ te zijn, een thema dat Maryse Condé vanaf haar romandebuut in 1976 bezighoudt, is waar het ook hier weer om gaat. Het is een roman als een wervel­storm, vol personages wier levens compleet overhoop worden gehaald door krachten die groter zijn dan zijzelf. Dan hebben we het nog niet eens over natuurrampen. Voorlopig, ‘tot het water stijgt’, hebben ze vooral te maken met dictators, bendes zwaarbewapende jongeren, armoede, angst en hoop.

Hoofdpersoon Babakar Traoré heeft niet veel op met politiek. Hij heeft zich ook nooit verbonden gevoeld met zijn geboortegrond in Mali. We treffen hem op Guadeloupe, waar zijn moeder vandaan komt (en waar ook de auteur geboren is), tijdens een nacht die zijn leven zal veranderen. Al vanaf de eerste pagina’s trekt een bonte stoet personages voorbij die zich, vanwege hun afkomst en huidskleur, allemaal op een andere manier tot elkaar verhouden. Movar en Reinette, illegale Haïtianen, kunnen op misprijzen rekenen van het schoolhoofd, Aristophanes, een volbloed Guadelouper. Babakar, half Afrikaans en donker, wordt minzaam geduld en alleen omdat hij gynaecoloog is. Zijn enige vriend is Hugo Moreno, zijn buurman, een bejaarde Colombiaan. Zijn maîtresse, Carmen, is een kapster, ‘die net als alle kapsters uit Santo Domingo kwam’.

Het boek zit vol met dit soort grapjes en allerlei (soms zelf verzonnen) verwijzingen, die in meer of mindere mate inside jokes zijn. Maar ook zonder voorkennis van de Franse Antillen valt er genoeg te halen voor wie bereid is zich door verschillende vertellers op sleeptouw te laten nemen. De roman bestaat voornamelijk uit levensverhalen, verteld door de personages zelf, waardoor er een warreling aan geschiedenissen en perspectieven ontstaat. Deze manier van vertellen – in plaats van te ‘laten zien’ – is wel even wennen: als lezer word je wat op afstand gehouden.

Terug naar Haïti

Babakar, van wie Condé een directe afstammeling heeft gemaakt van de illustere Traorés uit haar monumentale roman Ségou (1984) waarmee ze wereldberoemd is geworden, krijgt de meeste ruimte. De dokter vertelt zijn verhaal aan Movar, de jonge Haïtiaan die zijn pad heeft gekruist, met wie hij bevriend raakt en die hem ervan heeft overtuigd dat hij Reinettes baby, over wie hij zich na Reinettes dood in het kraambed heeft ontfermd, moet terugbrengen naar haar moederland, Haïti.

Is Ségou geprezen als de grote roman over Afrika en Het valse leven (1994) als die over Guadeloupe, dan zou je Tot het water stijgt – met zijn talloze verwijzingen naar schilderkunst en muziek – Condés grote Haïtiaanse roman kunnen noemen. Veerkracht, dat is het woord dat bovenkomt als je dit boek uit hebt. De gruwelijkheden die Movar, Babakar en ook Fouad, een Palestijn die een hotel runt in Port-au-Prince, eerder in hun leven hebben meegemaakt, weerhouden hen er niet van om er het beste van te maken, ondanks de erbarmelijke omstandigheden – veroorzaakt door wanbeleid en corruptie – waarin het eiland verkeert.

Condé suggereert zelfs dat Babakar juist gedijt onder deze omstandigheden wanneer ze schrijft dat hij zich beter thuis voelt in een armoedig soort weeshuis dat hij gaat leiden, dan in een luxe­kliniek voor de rijken: ‘Babakar vond de sfeer terug waar hij van hield. Hij herkende het kwijnende uiterlijk van de patiëntes en het uitgeputte, zorgelijke gezicht van de artsen en van het handjevol verpleegsters en lokale vroedvrouwen dat hen bijstond.’

null Beeld rv
Beeld rv

Grote thema’s

Ironie is een beproefd stijlmiddel van Condé. Ze vermaakt zich op speelse wijze met onze verwachtingen en zet haar lezers zo steeds op het verkeerde been.

Met humor en nuance vat Condé grote thema’s in literatuur: uitsluiting en racisme, migratie­stromen, de misère in voormalige koloniën. Deze problemen zijn in de loop van haar 45-jarige schrijverschap niet verdwenen, waardoor haar boeken onverminderd actueel zijn en ook jongere generaties lezers zullen aanspreken. Toch is wat ze uitdraagt in haar werk een hoopvolle boodschap. Afkomst hangt af van toeval, maar wat je doet is wat jou jou maakt.

Maryse Condé, Tot het water stijgt, Orlando, 364 p., 22,99 euro. Vertaling Martine Woudt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234