Vrijdag 06/12/2019

Column Sabrine Ingabire

Soms vraag ik me af hoe arme zwarte vrouwen hier overleven

Sabrine Ingabire. Beeld Harmony Benegusenga

Sabrine Ingabire (23) is journaliste en schrijfster. Ze is aan de slag bij NRC Handelsblad in Amsterdam. Haar column verschijnt tweewekelijks.

Vorige week was het World Mental Health Day. Enkele dagen later publiceerde het medische tijdschrift Pediatrics een studie die aantoont dat het aantal zelfdodingspogingen door zwarte jongeren in de VS gestegen is, terwijl dat bij andere etnische groepen net daalde. Andere studies lieten eerder zien dat factoren zoals discriminatie, microagressie en gebrekkige toegang tot zorg stressfactoren zijn.

Ik denk geregeld aan deze studies. Niet omdat de conclusies verrassend zijn, maar juist pijnlijk herkenbaar. Mijn eerste journalistieke reeks ging niet voor niets over psychische stoornissen bij zwarte jongeren.

Ik schreef eerder over hoe mijn eerste depressieverschijnselen verschenen toen ik negen was. Ik was vijf jaar in België, we zouden van Brussel naar Ninove verhuizen, ik zou alweer mijn vrienden moeten verlaten, een taal moeten leren, en me moeten aanpassen aan een nieuwe omgeving. Mijn thuissituatie was moeilijk. Ik was extreem ongelukkig, en dacht dat de depressie daaraan te wijten was.

Toen ik rond mijn twaalfde oud genoeg was om biologie enigszins te begrijpen, dacht ik dat ze veroorzaakt werd door een chemische onbalans in mijn hersenen. Ook dacht ik dat het niet anders kon dan dat ik ooit depressief zou zijn geworden: ik had geleerd dat het kind van een vrouw die tijdens haar zwangerschap onder veel stress leed meer kans had op psychische stoornissen. Ik geloof nog steeds dat de baby die in 1995 geboren werd in het verscheurde Rwanda de facto al depressief was. De thuissituatie en de verhuis naar Ninove hadden dingen verergerd, maar de depressie was voorbestemd.

Leven niet vanzelfsprekend

In die jaren beschreef ik mijn depressie vaak. Aan psychologen, vrienden, de volgers van mijn blog. Ik vertelde dat “het leven niet voor mij [was] gemaakt”. Ik keek naar het gemak waarmee andere mensen leken te leven, en ik begreep het niet. ‘Leven’ als concept, als handeling, leek zo logisch voor hen. Dat was het niet voor mij, en was dat nooit geweest. Zelfs ademen vergde grote moeite. Ik geloofde toen niet dat mensen ooit gelukkig zouden kunnen zijn als hun jeugd zo pijnlijk was geweest. Zij die van jongs af een goede basis hadden meegekregen zouden beter in staat zijn om later pijnlijke momenten aan te kunnen. Bij mij was het omgekeerd: ik had niet geweten wat te doen als ik geconfronteerd was met gelukkige momenten. Leven zou voor mij nooit even vanzelfsprekend zijn als voor de mensen rondom mij. Geluk ook niet. De wereld evenmin. Deze dingen waren niet voor mij gemaakt.

Nu, ik groeide op in een rijke, witte omgeving. Jarenlang had ik, buiten mijn nicht, geen vrienden van kleur. Mijn gezin was niet arm, maar het leven van mijn vrienden viel niet te vergelijken met dat van mij. Terwijl ik getekend zou blijven door mijn complexe verleden en de kapotte levens van mijn voorouders, was het voor hen niet zo. Dat ik me met hen zou vergelijken en denken dat de wereld niet voor mij gemaakt was, was logisch. Dit gevoel werd versterkt door het gebrek aan positieve representatie van donkere zwarte meisjes in de media en boeken, en door de beelden van geweld tegen zwarte mensen op tv. Ik haatte mezelf, maar er was niemand, of niets, om mij te leren van mezelf te houden. Het tegenovergestelde was waar: mijn geschiedenis, die zo nauw verbonden is met de Belgische, was gewist uit onze schoolboeken: één les over de kolonisatie van Congo, geen enkele over de wandaden in Rwanda. Zwarte Piet en andere stereotyperende en racistische beelden waren dagelijkse kost. Leerkrachten en leerlingen maakten racistische en seksistische ‘grappen’. Het ‘n-woord’ was de standaardbenaming voor zwarte mensen, ‘blank’ de standaard voor witte mensen. Ik groeide op in een omgeving waar zelfs de mensen die ik het meest liefhad, en die even veel van mij hielden, dagelijks racistische patronen reproduceerden, die ik probleemloos aanvaardde, en soms zelf voortzette. Deze voorvallen zijn niet eigen aan mijn leven.

Eigen grenzen leren kennen

Op mijn zeventiende trok ik weg uit Ninove, diploma op zak. Ik had een geweldige partner en omringde me met vrienden die van mij hielden zonder me te kwetsen. Ik ontmoette mensen die op mij leken en een gelijkaardig verleden hadden. Ik leerde voor mezelf te zorgen en van mezelf te houden. Dit proces duurde vijf jaar. En het voorbije jaar was ik psychisch gezonder dan ooit. Omdat ik mijn eigen grenzen had leren kennen en bewaken. Maar ook, en dat kan ik niet genoeg benadrukken, omdat ik voor het eerst in mijn leven een vast loon op het einde van de maand ontving en enige vorm van financiële stabiliteit aan het opbouwen was. Ik ben, weliswaar, mijn schulden nog aan het afbetalen – maar een vast contract biedt een mentale rust die ik nooit eerder heb gehad. Vrienden hebben die mij geld lenen wanneer ik moet kiezen tussen de huur betalen en eten kopen, stelt me gerust. Ik vocht hard om te helen – gezonder eten, gerichter bewegen, op tijd slapen; maar doen alsof dat genoeg is in een kapitalistische maatschappij is naïef. Geldgebrek was en is nog steeds een van de grootste externe bronnen van mijn depressieve episodes. Zo ook bij anderen: Business Insider maakte vorige week bekend dat depressie en ‘wanhoopsdoden’ onder millennials gestegen zijn, veroorzaakt door onder meer eenzaamheid, geldstress en burn-out. Ook depressies bestaan namelijk niet in een bubbel, los van maatschappelijke constructen. De stress die gepaard gaat met armoede valt niet te onderschatten.

Maar de stress die gepaard gaat met racisme en seksisme ook niet. Soms vraag ik me af hoe arme zwarte vrouwen hier overleven. Wat doe je, wanneer de wereld je vertelt dat je niet welkom of veilig bent? Dalilla Hermans schreef vorige week in haar column over iets wat mij overkwam. Een maand geleden deelde schrijfster Reni Eddo-Lodge “hoe ze een interview met een Nederlandse journalist stopzette, omdat hij allerlei vragen stelde over criminaliteit en afwezige vaders in de zwarte gemeenschap in het Verenigd Koninkrijk en niet over haar boek. Sabrine schreef naar aanleiding daarvan op Dipsaus (een Nederlandse podcast met webstek) dat zwarte schrijvers vaak slecht geïnterviewd worden door witte journalisten, en dat overwegend witte redacties er nauwelijks in slagen zwarte makers inhoudelijk te bevragen over hun werk. Het essay lokte heftige emoties uit online, maar ook offline bij haar collega’s op de krant. De weerstand haalde haar onderuit. Ze schreef het effect van de harde, racistische commentaren die ze on- en offline ontving van zich af in haar Vlaamse column, die werd tegengehouden door de redactie.”

‘Haalde haar onderuit.’ Deze mentale inzinking overviel me. Ik was er niet op voorbereid; ik ging toen voorzichtig om met mezelf. Ik kookte voor mezelf, danste en zong vaak. Ik was dankbaar voor de mensen in mijn leven. Blij met mijn nieuwe baan en leuke collega’s. Maar een maand geleden, toen wat Dalilla in haar column beschrijft zich begon af te spelen, begon ik te huilen. En het is me tot vandaag niet gelukt om langdurig op te houden. Omdat ik uitgeput ben, en boos ben dat net dit mij heeft gebroken.

Dagelijkse strijd om je plaats

Omdat ik Ninove vroeg verliet, en het niet lang aan de KU Leuven heb uitgehouden, was ik de heftigheid van witte omgevingen bijna vergeten. Ik schreef in het verleden over het racisme binnen witte instellingen, maar was toen beschermd door mijn freelancestatuut, door de afstand. Door de mogelijkheid om te kunnen rechtstaan en opstappen. Plots overviel het me weer. De onveiligheid, de dagelijkse strijd om je plaats. De vermoeidheid. Het uitleggen van je wezen aan mensen die er nooit bij hebben (hoeven) stil te staan. Het deconstrueren en voeden van je pijn in behapbare stukjes. Opdat mensen zouden inzien dat wat jij beschouwt als een racistisch incident, misschien wel degelijk een racistisch incident is. Opdat ze zouden inzien dat voor mensen van kleur een ‘racistisch incident’ niet zomaar een incident is, maar een psychologische aanval.

Hoelang verwachten we dat mensen dit volhouden?

Ik denk aan mijn jongere zelf die te vaak een eind probeerde te maken aan haar leven, en ik denk aan de zwarte jongeren die in de VS hetzelfde meemaken, en ik denk aan mijn wanhoop de afgelopen maand, en ik vraag me af – is de wereld dan écht niet voor ons gemaakt?

Wie met vragen zit rond zelfdoding, kan terecht op de Zelfmoordlijn via het gratis nummer 1813 of op www.zelfmoord1813.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234