Zondag 21/04/2019

Opinie

Slim beleid investeert in aanpak armoede. Dom beleid geeft armen de schuld

Hans Op de Beeck is programmadirecteur Bachelor Psychologie (KU Leuven) en Orhan Agirdag, Labo voor Educatie en Samenleving (KU Leuven).

N-VA stelde bij monde van onderwijsexpert Koen Daniëls voor om het IQ van leerlingen te meten met het doel de effectiviteit van het gelijke onderwijskansenbeleid te meten. Hij gaf het voorbeeld dat hij met zijn capaciteiten ook niet zou kunnen verwachten om een Usain Bolt te worden door een trainer in dienst te nemen. Dat kinderen uit armere gezinnen een lager gemeten IQ hebben, wijst volgens Daniëls op de grenzen van het gelijke onderwijskansenbeleid. Een betwistbare stelling.

IQ-metingen zijn op zich niet problematisch en maken deel uit van talrijke psychologische, onderwijskundige en sociologische studies. 
Ze zijn doorgaans samengesteld uit meerdere testjes, sommige met talig materiaal, andere zijn eerder redeneerpuzzels met visuele items . Bij het interpreteren van de resultaten als een meting van ‘intelligentie’ is het belangrijk te weten dat de resultaten beïnvloed worden door veel factoren.

Orhan Agirdag Beeld rv
Hans Op de Beeck. Beeld rv

Waardoor het wél kwestieus is te stellen dat een lager gemeten IQ bij kansarmen betekent dat er grenzen zijn aan gelijke kansen, omwille van een gebrek aan intrinsiek potentieel. IQ wordt immers niet enkel bepaald door genetische aanleg, maar ook door de omgeving waarin kinderen opgroeien: de gezinssituatie, de financiële middelen, de school, de spelletjes die een kind speelt, enzovoort. Het samenspel tussen aanleg en omgeving is complex. In de algemene populatie hangt een groot deel van de variatie in IQ af van aanleg. Maar, een kind van twee professoren dat door wolven zou opgevoed worden, of zonder ouders opgroeit in een schuilkelder in een door oorlog geteisterd land, zou een verrassend lage score halen op een IQ-test. Je hebt 'goeie genen' én een 'goeie omgeving' nodig.

Resultaten van individuele IQ-testen zeggen niets over de nature vs. nurture basis van een IQ-score. Om individuele diagnoses te stellen is die vraag dan ook minder relevant. Maar wel op beleidsniveau, waar je de bal dus compleet kan misslaan.

Zelfs als IQ-testen zuivere metingen zouden zijn van aangeboren capaciteiten (quod non), dan nog is het niet aangewezen om te twijfelen aan het nut om extra middelen te voorzien voor arme kinderen of kinderen met een migratieachtergrond. We weten uit eigen onderzoek dat zulke leerlingen zelfs met een hoog IQ nog minder punten halen op school dan autochtone en leerlingen uit welgestelde gezinnen met een gemiddelde of zelfs lage IQ. Of nog: slim zijn betekent voor gekleurde en arme leerlingen niet dat ze succes hebben op school. We moeten dus meer en slimmer investeren in deze groepen, niet minder. Met “victim blaming” gaan we er niet komen.

Kortom, de correlatie tussen sociale achtergrond en IQ is een bevinding die inderdaad vaak terugkomt in wetenschappelijke studies. Dat heeft Koen Daniëls goed gezien. Maar welke causale interpretatie iemand geeft aan deze correlatie, zegt meer over zijn of haar wereldbeeld.

De interpretatie dat er grenzen zijn aan wat arme (dus 'domme') kinderen kunnen leren op school, is zeer problematisch. De correlatie komt immers ook tot stand omdat armoede de groeikansen van kinderen belemmert. Een slim beleid investeert vooral om armoede aan te pakken. Een dom beleid daarentegen geeft de schuld aan de armen.

Mede ondertekend door Patricia Bijttebier (Schoolpsychologie & Psychodiagnostiek, KU Leuven), Geert Kelchtermans (Onderwijsvernieuwing), en Peter Kuppens (Kwantitatieve Psychologie & Individuele Verschillen, KU Leuven).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.