Zondag 18/08/2019

Column Marnix Peeters

Sinds ons ma dood is, gaat hij steeds vroeger slapen

Beeld rv

Op zijn berg in de Oostkantons schrijft Marnix Peeters over vrijheid, zijn vogels en zijn vrouw.

Telkens als wij bij mijn vader langsgaan, krijgen wij eerst een overzicht van de sterfgevallen.

Deze keer waren het er twee. Twee mannen, allebei jonger dan mijn vader. ’s Avonds gaan slapen en ’s ochtends niet meer opgestaan.

Dan moeten wij zeggen dat het nog lang niet zíjn beurt is, gezien zijn gestel, en dat ’s nachts in uw slaap sterven een mooie dood is.

Misschien wordt ge wel nog efkes wakker, en denkt ge: tiens, mijmerde mijn vader. Maar het is in elk geval beter dan maandenlang in een ziekenhuis te moeten liggen.

Een van die twee doden zag hij tot voor kort nog met de tandem rondrijden, met zijn blinde vrouw achterop. Mijn vader en de man begroetten elkaar in het voorbijrijden, en dan volgde er steevast een seconde later de stem van de vrouw, die aan haar man vroeg: wie was dat? Charel van Bertha, antwoordde de man dan.

Maar dat is nu ook voorbij.

Hij stelt het goed, 88 jaar oud en nu anderhalf jaar weduwnaar. Over dat weduwnaarschap wordt niet hardop gepraat, maar aan zijn woordgebruik hoor ik dat hij er zich sinds kort mee heeft verzoend. Heel lang kwam zijn overleden vrouw niet ter sprake, en nu duikt ze om de paar zinnen op. ‘Sinds ons ma dood is’, zegt hij, en ‘toen ons ma nog leefde’, en dan volgt er een verhaal over nu of over toen. Mijn moeder is een scharnier geworden, een tijdsaanduiding; er is een voor en er is een na.

Sinds ons ma dood is, gaat hij steeds vroeger slapen. Anders zit ik daar toch maar, zegt hij. Vaak om half negen al gaat hij naar boven, en daardoor staat hij ook steeds vroeger op. Soms al om vijf uur.

Ik probeer mij de enorme leegte van de dag voor te stellen. Mijn vader heeft een ongeneeslijke oogziekte waardoor hij niet meer kan lezen, en naar de tv luistert hij alleen nog.

Al die uren tot de middag. Zonder krant, zonder boek, geen reclamefolder om eens door te nemen. Wat koffie zetten, wachten op de verpleegster, wachten op het meisje dat komt koken, en dan nog zo’n hele namiddag, wachten tot het halfnegen is en dan denken: ik zal maar al gaan slapen. Misschien zegt hij het hardop tegen zichzelf: ik zal maar gaan slapen, er is niks aan gelegen.

In de auto op weg naar huis telden mijn vrouw en ik de doden. In dat anderhalf jaar sinds de dood van mijn moeder zijn acht mensen binnen ons blikveld gestorven — de opa van mijn vrouw, mijn schoonbroer, een schoolvriend, een schoolvriendin, een werkrelatie, vorige week nog Peter, de vroegere baas van de Plansjee, waar ik destijds bier dronk. 59 jaar, een vingervlugge kanker.

Het kan niet anders dan een heel klein beetje wennen, zei mijn vrouw. Als je elke keer weer van top tot teen verdrietig zou moeten worden, zou je het niet redden.

Wij zijn maar pluisjes, zei ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden