Donderdag 12/12/2019

Kernkabinet

Seksisme vang je eerder met een lokvrouw dan met een app

Zo zou het moeten werken: een agente in burger die met behulp van back-ups direct een boete kan uitschrijven als ze geïntimideerd wordt. Beeld Hollandse Hoogte

Amper 25 meldingen op jaarbasis en geen veroordelingen. Dat is de schamele oogst van de seksismewet uit 2014 – een wet die voor haar totstandkoming al fel werd bekritiseerd. Jogchum Vrielink vindt het tijd voor afschaffing. Tegelijk pleit hij voor innovatie in de handhaving van andere regelgeving: er moeten lokvrouwen en lokhomo’s komen.

De seksismewet uit 2014, dat stokpaard van Joëlle Milquet (cdH), blijkt vooral een dood paard. Nog altijd blijven sommigen pleiten voor het vervangen van de ruiter. Of voor een ander zadel. Of nog: voor een betere zweep. Voor de aanpak van seksisme wedden we echter beter op ándere paarden.

Maar laten we bij het begin beginnen: de directe aanleiding voor de seksismewet was de documentaire Femme de la Rue (2012) van Sofie Peeters, die de seksuele intimidatie van vrouwen in Brussel toonde. Na de terechte verontwaardiging daarover liet toenmalig minister voor Gelijke Kansen Milquet weten dat ze werkte aan een oplossing: een wet waarmee ze “seksisme uit de wereld wilde helpen” (DM, 13 maart 2014). De wet zou een antwoord zijn op het Brusselse probleem.

Jogchum Vrielink. Beeld rv

Minder bekend is dat zo’n seksismewet al herhaaldelijk was voorgesteld (in 2003, 2006, 2008, 2010 en 2012), zij het níet met het oog op straatintimidatie. Ook Milquet had reeds jaren voordien aangegeven dat ze bezig was met een voorstel om seksisme juridisch te bestrijden (DM, 9 november 2009). Het ging dus om iets wat zij en anderen al veel langer wilden invoeren. Surfend op de golven van morele paniek greep men na 2012 de ­mogelijkheid om die wensen te ­verwezenlijken.

Dat verklaart ook waarom de wet totaal niet toegespitst was op het probleem dat men er zogezegd mee wilde aanpakken: straatintimidatie. Het ging om een vage, slecht geredigeerde wet die de expressievrijheid uitholt en die voor de bestrijding van straatintimidatie overbodig was, gezien het bestaan van andere, meer geëigende middelen.

Gedacht kan worden aan de ­verboden op belaging, intimidatie en belediging. Bij die bepalingen golden bovendien al strafverzwaringen in het geval van “haat, misprijzen of vijandigheid” wegens iemands geslacht. Ook met het GAS-systeem kun je seksistische straatoverlast tegengaan.

Minder sexy

Er was over de overbodigheid en onwenselijkheid van de wet een zelden geziene consensus onder specialisten. Het ontwerp werd destijds niet alleen door juristen afgebrand, maar ook feministen, schrijvers, seksuologen én Unia spraken zich ertegen uit. Zelfs documentairemaakster Sofie Peeters gaf de voorkeur aan een betere handhaving van de bestaande middelen.

Investeren in handhaving is echter duurder en ook politiek minder sexy dan het lanceren van een nieuwe wonderwet die zogezegd alles gaat oplossen. Zeker met ­verkiezingen in het vooruitzicht. Milquet en de politieke meerderheid negeerden dan ook alle tegenargumenten en keurden de wet eind mei 2014 goed, vlak voor de ontbinding van het parlement.

Bijna drie jaar na dato blijkt de wet inderdaad ineffectief. Ze leidt niet tot toepassingen en zelfs het aantal klachten is extreem beperkt. Tussen mei 2015 en mei 2016 waren het er 25 in totaal. Belangrijker nog: slechts drie van die klachten ­kwamen uit de Brusselse regio.

Sensiblisering

Om dit probleem aan te pakken, denkt staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke Sleurs (N-VA) aan een mobiele app die tot meer meldingen moet leiden (ja, een app: u leest het goed. En nee, dit is niet de krant van 2010). Dat moet de drempel voor het indienen van klachten verlagen en zo het aantal klachten verhogen. Ook wil de staatssecretaris met sensibiliseringscampagnes iets doen aan de onbekendheid van de wet.

Dat lijkt op wat men een decennium geleden deed rond cyberhate (onlineracisme). Ook daar was het zo dat de meldingen lang achterbleven op het belang dat de overheid toekende aan het probleem. Er waren wel wat meldingen bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen (het huidige Unia), maar niet veel: het aantal schommelde stabiel rond de 60 per jaar en het steeg niet echt, ondanks toenemend internetgebruik.

Zo hadden in 2002 61 racismemeldingen betrekking op het internet. In 2003 ging het om 59 meldingen. In 2004 zat men rond datzelfde getal en in 2005 betrof het 60 meldingen.

In zijn jaarverslag over 2004 schreef het Centrum daarover: ‘Sommige rubrieken springen kwantitatief minder in het oog, zoals media en internet. Maar de ­problemen zijn omvangrijker dan die cijfers doen vermoeden.’ Dat laatste achtte het Centrum het geval wegens de (vermeende) grote impact van online hate speech.

Om meer meldingen te krijgen, richtte men in 2006 het Meldpunt Cyberhate op, een samenwerkingsverband tussen het Centrum, enkele overheidsdiensten, de belangrijkste Belgische internetproviders (ISPA), het College van Procureurs-Generaal en de Federal Computer Crime Unit. Via dat virtuele meldpunt kon iedere internetgebruiker makkelijker melding doen van racisme op het net.

Zo werd het digitale meldingsformulier zo beknopt en toegankelijk mogelijk opgesteld, en ook zonder verplichte velden, zodat je snel en eenvoudig een post of internetpagina kon melden. Ook maakte men een ‘button’ met een rechtstreekse link naar het Meldpunt, die aangebracht werd op allerlei sites en chatfora. Tot slot organiseerde men een reeks mediacampagnes.

Het effect van dit alles was vrijwel onmiddellijk: vanaf 2006 namen de meldingen over cyberhate een sprong. Van 140 meldingen in 2006, ging het naar 330 in 2007, 357 in 2008 en in 2009 ging men zelfs in de richting van de 500 meldingen. In 2014 piekte dat nog verder met 936 meldingen.

Adding insult to injury

Je kunt dus veel effect hebben als je het aantal meldingen wilt verhogen. Verrassend is dat overigens niet: als ik op mijn winkel een groot bord met ‘viswinkel’ hang en ik adverteer dat mijn vis bovendien quasi gratis verkrijgbaar is, dan is het weinig opzienbarend dat mensen in die winkel om vis komen vragen.

De vraag is echter wat je bereikt met zo’n benadering. Ja, je verkrijgt een grotere zichtbaarheid (waar je dan ook politiek mee kunt schermen: ‘Kijk eens hoe groot het probleem is!’), maar er kleven eveneens nadelen aan.

Zo is het niet per se gunstig voor de slachtoffers. Dat lijkt contra-intuïtief. Als slachtoffers melding doen, dan is dat toch al een eerste stap in de richting van de aanpak van hun probleem? Niet noodzakelijk. En zeker niet statistisch.

Door beperkte tijd en middelen leidt maar een zeer klein deel van meldingen tot verdere stappen. Bij Unia gaat het bijvoorbeeld maar om 1 tot 2 procent van de gevallen. Veruit de meeste klagers blijven daardoor gefrustreerd achter en ervaren vaak zelfs zogenoemde secundaire victimisatie: na de kwetsende ervaringen met de uitingen die men meldde, krijgt men van de overheid te horen dat er met de klacht verder niets gebeurt. Adding insult to injury (of eigenlijk andersom).

Het blind willen verhogen van meldingen is iets waarmee je dus voorzichtig moet zijn; althans als het je doel is om slachtoffers te ­helpen. Dat is helemaal het geval als de achterliggende wetgeving ongeschikt is, zoals hier. De seksismewet wordt amper ingeroepen en niet gebruikt, maar dat leidt niet tot een fundamentele herbezinning op het instrument zelf.

Integendeel, de ineffectiviteit wordt aangevat als argument voor nóg meer (selffulfilling) investeringen: we moeten het probleem gewoon zichtbaarder maken, dan komt het vanzelf goed. De werkelijkheid moet en zal in lijn worden gebracht met het uitgangspunt van de wetgever. Dat is weinig zinvol voor een overheid die werkt met beperkte middelen.

Dat is des te meer het geval waar het gaat om straatintimidatie. Bij internetracisme is tenminste het bewijs zwart op wit voorhanden, zodat werken met individuele ­klachten praktisch zinvol kan zijn (hoewel mijn enthousiasme over het aanpakken van cyberhate erg beperkt is, doch dat is stof voor een ander essay).

Maar straatintimidatie is bijna altijd vluchtig. Tegen het moment dat men een klacht indient, zelfs via een ‘hippe’ app, is de dader al lang verdwenen. Ook als dat eens niet zo is, resulteert een klacht vaak in woord-tegen-woordsituaties: “Ik heb dat niet gezegd!” In het strafrecht draait dat uit in het voordeel van de verdachte, wegens het vermoeden van onschuld. Zélfs van de zeldzame veroordelingen zou weinig ­algemeen effect uitgaan op de daderpopulatie als geheel.

Geen uitlokking

Moeten we de straatintimidatie van vrouwen dan maar gewoon aanvaarden? Natuurlijk niet. Het is te gek voor woorden dat vrouwen niet ongestoord door sommige straten in onze hoofdstad kunnen wandelen. Al even onaanvaardbaar is het dat holebi’s dat evenmin kunnen (iets waaraan de seksismewet niets doet).

Maar als je dat wilt aanpakken, moet je niet vertrekken van individuele meldingen (en een slechte wet). Vergelijk het met te hard rijden, eveneens een ‘vluchtig’ misdrijf. Ook daar creëren we geen appje voor andere weggebruikers om overtreders te melden. We gebruiken flitspalen, trajectmetingen en andere (radar)controles: onopvallende handhaving, met als kenmerk dat ze het vertrouwen ondergraven dat men ongestraft het gaspedaal kan induwen.

Nu zijn flitspalen weinig bruikbaar bij seksisme of homofobie. Maar er is iets met een gelijkaardig effect: GAS-boetes (met een lage bewijslast en onmiddellijk effect), gecombineerd met zogenoemde ‘lokvrouwen’ en ‘lokhomo’s’.

Met die weinig elegante termen wordt verwezen naar vrouwelijke politieagenten in burger (lokvrouwen) en agenten in burger die hand in hand met een collega van hetzelfde geslacht (lokhomo’s) door risicowijken wandelen – steeds met versterking in de nabijheid.

Op die manier kun je een lik-op-stukbeleid voeren, zónder dat je afhankelijk bent van individuele klachten, maar wel met een enorm effect op probleemgedrag. Immers, als mogelijke daders niet meer weten of passerende vrouwen of homokoppels politieagenten zijn of gewone voorbijgangers, dan zullen ze – na één of meer boetes – wel op hun woorden en gedrag letten. De controles moeten wel regelmatig gebeuren en niet alleen tijdens ­kantooruren.

Maar is dat dan geen uitlokking? Nee. Niet zolang mensen door lokmiddelen “niet tot andere handelingen gebracht worden dan die waarop hun opzet tevoren al was gericht”, aldus het hoogste Nederlandse rechtscollege (Hoge Raad).

Zo vond het gerechtshof in Arnhem dat een rondfietsende ‘lokagente’ in het onderzoek naar een aanrander zich niet schuldig had gemaakt aan uitlokking. Het hof stelde vast dat de politieambtenaar “noch door haar gedrag noch door haar kleding” verschilde van “de gemiddelde vrouw, die per fiets op weg is naar huis”.

In België gelden vergelijkbare voorwaarden. Ook hier bestaat cassatierechtspraak die lokvoertuigen aanvaardt om diefstal vast te stellen. Lokvrouwen en -homo’s moeten dus eveneens kunnen.

Een sympathiek middel is het natuurlijk niet. Maar seksistische straatintimidatie is dat nog veel minder. Tijd dus voor een paardenmiddel dat werkt.

En tijd ook om Milquets doodgeboren stokpaard definitief ter aarde te bestellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234